Zondag 1
Als we naar het pastoraal centrum toelopen, luidt Chris de
klok. Het ritme wisselt en af en toe moet hij z'n armen even
laten rusten.
Binnenkomend worden we meteen verwelkomd door de voorgangster
van deze dienst. Ook een paar bewoners komen spontaan kennis
met ons maken, vragen onze namen en schudden onze handen of
schouders. Het publiek stroomt al vroeg binnen. Men begroet
elkaar luidruchtig en sommigen gaan van de een naar de ander.
In het middenpad worden bewoners in rolstoelen op hun plaats
gezet. De 'Singing Birds', een muzikale driegeneratiefamilie
uit Appingedam, laten hun vrolijk overkomende zang al horen
onder begeleiding van pianospel en dwarsfluit van vader en
dochter Richters. Intussen gaan de begroetingen door. Men
grijpt elkaar bij de schouders of het gezicht en hier en daar
zijn er spontane omhelzingen. Wie hiervan niet gediend is,
slaat gewoon afwerend van zich
Als de kaarsen zijn aangestoken - er zijn nog een paar
late binnenkomers compleet met begroetingen - worden de
'Singing Birds' voorgesteld en dan vooral de oudste en de
jongste van hen: opa en kleindochter. Het leidt tot allerlei
spontane reacties en gelach.
Al in het drempelgebed is duidelijk dat het hier vanmorgen
niet echt stil zal kunnen worden: 'God, hier zijn
Dan wordt gememoreerd dat Chris de klokken heeft geluid en
volgt het eerste lied: 'Hoor, de klokken luiden.' En 'Hier is
iedereen in tel, bim bam bom, dat weet je wel. Niemand meer en
niemand
Voorafgaand aan het door de zangersfamilie gezongen smeekgebed
wordt stilgestaan bij iedereen die het moeilijk heeft. Het
woord 'moeilijk' roept volop instemming en bevestiging op.
'Onze Vader, Moeder, God van mensen, liefde is jouw
Dan wordt alles weer blij. In het glorialied 'Komt, laat ons
vrolijk zingen tot God die alles
De lezingen zijn heel eenvoudig. De herkomst wordt niet
gemeld. Een paar bewoners maken van de gelegenheid gebruik om
een ander plaatsje te zoeken of even naar het toilet(?) te
gaan.
Het lied van de wijngaard: 'Heija, heija, heija, dans nu hand
in hand, heerlijk zijn de vruchten van 't beloofde land.' Er
wordt enthousiast meegeklapt.
Dan het lied 'Liefde is weer durven dromen van de warme
zonneschijn, in een huis van samenwonen, veilig en gelukkig
zijn. Als je trouw bent aan elkaar, leef je in de gloria.' Na
het vierde couplet volgt het van het verjaardagsliedje bekende
De preek heeft als thema 'Trouw aan God en trouw aan mensen'.
'Wanneer zijn mensen elkaar trouw?' vraagt de voorganger.
'Als je liefde hebt', wordt er geroepen. En een ander
bevestigt: 'Prima Bert: als je liefde hebt!' Iedereen is zeer
betrokken. Het verhaal gaat over Eduard en Elizabeth, die
verliefd zijn op elkaar. Op een bepaald moment belooft Eduard
Elizabeth voor eeuwig trouw. Ze kopen ringen. Maar Eduard
raakt later ook verliefd op een ander en belooft ook haar voor
eeuwig
Pas als de preek vervolgt op een verhaal over Mozes en Jozua,
valt de concentratie weg. Dit wordt kennelijk niet meer
Tijd voor de voorbeden. De meeste tijd is voor de bewoners,
die massaal naar voren komen om via de microfoon - een
enkeling via een gebaar - duidelijk te maken waarvoor er
gebeden moet worden. Het wordt een hele schare daar op het
podium. Iemand is tante geworden. Iemand moet dinsdag naar het
ziekenhuis. Het is allemaal moeilijk verstaanbaar, maar de
voorgangster weet goed te vertalen. Iemand wil dat gebeden
wordt dat hij blij en gelukkig zal zijn, ook omdat hij nog
verdriet heeft van dat z'n vader en moeder er niet meer zijn.
Van een ander ligt een zusje in het ziekenhuis en ze zal niet
meer beter
Dan de inzameling voor een kindertehuis in Chili. Tegelijk
worden harten van snoepgoed rondgedeeld. Het hart van de
De muziekgroep zingt een Noors bruiloftslied: 'Kom, speel
viool en blaas de schalmei. Vier met muziek, de
In het slotlied 'Grote God, wij loven u' laat bewoner Bert
zich op het drumstel van z'n beste kant horen. Hij krijgt dan
ook een spontaan applaus. Iedereen is er bij in dit lied: een
ware
Onder de zegen heffen velen de armen vragend of juist zegenend
En dan is er koffie. Deze morgen: een wondere ervaring.
Zondag 2
Een wat nevelige zondagmorgen in augustus. Het heeft geregend
en er vallen nog wat druppels na. We fietsen naar een
hervormde kerk. Wat een rust in het Reestdal. Dichter bij de
kerk ineens druk verkeer: het is hier kennelijk gebruik om met
de auto naar de kerk te komen. De laatste kilometer regenen we
toch nog wat nat.
Een mooie oude kerk. Plaats genoeg. We worden vriendelijk
gegroet, maar daar blijft het bij. Een liturgie zoals we die
wel kennen. Een ouderling doet de afkondigingen en verder is
het een onemanshow hier.
Het gebed uit Jona 2 en verder Jezus' lopen over het water uit
Mattheus 14. Twee zeeverhalen die allebei wat op de
lachspieren werken, aldus dominee. Het gaat om het menselijke
geklungel tegenover Gods trouw. Jona zakt weg en de Heilige
lacht. En dan opeens dat gebed, mogelijk later tussengevoegd.
Dit gebed is liturgie in de hoogste zin des woords: Je zit
hier tussen schepping en wederkomst. Je grijpt vooruit op de
uiteindelijke overwinning. Liturgie is dan dat je beseft dat
je tekortgeschoten bent, dat je gezonken bent, maar dat toch
intussen het verlossend woord gesproken is! Ik merk dat ik me
afvraag of dit gebed uit Jona 2 nu bidden is, of mediteren. Is
bidden niet communiceren met God buiten jezelf en mediteren
communiceren met God in jezelf? Jona viert in de verlorenheid
Joden zijn minder individualistisch. Er is meer collectiefs.
Liturgie is dat je op het nulpunt van de ballingschap de Heer
gedenkt. En net als Jona in de vis leefde, leven wij in het
ingewand van een verdorven samenleving. Zoals hij op het droge
wordt gespuwd, worden wij uitgetild uit het absolute niets om
beelddrager te worden, Ninevé tegemoet, als licht op de
kandelaar. Om mens te zijn als Jezus: een zoutend zout.
Jezus zoekt de stilte om in het reine te komen met z'n eigen
emoties. De weldaad van alleen
Jan Zwart zingt van het scheepje onder Jezus' hoede. Dat is de
kerk, een speelbal van de elementen en de kwade machten. En
Jezus komt zijn kerk tegemoet als de bewaarder van
Israël.
Het water staat symbool voor de nacht van de duisternis, voor
de satan, de tegenspeler. Maar Jezus loopt eroverheen; op hem
hebben de machten geen vat. Wel op Petrus: hij zakt weg. En
dan komt de hand van de Eeuwige. Als mensen het hebben gewaagd
uit het schip te gaan en als ze dan dreigen te vergaan, trekt
die hand ze op het droge. De machten zijn moordend, maar laat
je niet imponeren, want er is een hogere werkelijkheid.
En al diegenen die niet omhooggetrokken werden? Die verloren
gingen? We leven tussen belofte en inlossing: Terwijl we voor
ons gevoel nooit meer het licht zullen zien, zijn we toch in
de hand van de schepper.
Een pakkende preek, die bij mij vragen onbeantwoord laat. Wie
is nu God? Wie is de hand van de Eeuwige? Zoeken we die buiten
onszelf? Zijn we geheel afhankelijk? Of zijn we zelf de hand
en de voet van de Eeuwige? Zo zie ik dat wel. Maar dan is er
plotseling wel werk aan de winkel. Dan is God misschien wel
van ons
Ruimschoots binnen het uur staan we buiten in de zon, die
schijnt vanuit dreigende luchten. Mooi, zo'n kerk te midden
van de graven van de
Zondag 3
Een nazomerzondag in september: zon en wolken wisselen elkaar
af. De dag begint, in tegenstelling tot de berichten, met
volop zon. We gaan naar de katholieke kerk. Het is
ziekenzondag. De liturgie kost twee kwartjes; dat valt wel
even op.
Pas als het kinderkoor een lied inzet, verstomt geleidelijk
het gebabbel rondom. In deze dienst wordt geen orgel gehoord;
de piano begeleidt en opnieuw waardeer ik dit instrument.
'Weet dat u allen van harte welkom bent in de naam van de
vader, de zoon en de heilige geest', begint de pastor. Er
blijken liturgieën te weinig te zijn en ze moeten worden
We zingen 'Vergeef ons Heer' en 'Vergeef hen die niet meer
hopen' en 'Vergeef hen die niets meer willen'. Daarna wordt
gebeden of God ons wil leren luisteren, opdat we mens zullen
worden aan elkaar. Ik vraag me af of we ons dat niet gewoon
zelf moeten aanleren, dat luisteren, of dat niet gewoon onze
eigen verantwoordelijkheid is. Ik geloof dat we veel te veel
bidden om dingen niet zélf te hoeven
Twee verhalen vandaag: Als eerste lezing het verhaal 'De
kleine dood'. Ook al valt het woord 'dood' nogal eens, het
verhaal gaat over het leven. Als er maar iemand aan je denkt,
als er maar iemand is die naar je luistert, dan verandert dood
in leven en gaat dat nieuwe leven op zijn beurt ook weer
'kleine doden' opwekken. Mijn gedachten dwalen af naar
eergisteren, toen ik met hulp van politie en burgemeester
betrokken was bij opgelegde hulp aan een door totale
radeloosheid en ontreddering bevangen man. Letterlijk dacht
hij dat het leven hem ontglipte en zelfs dat de dood hem
gevonden had. 'Ben ik dood?' vroeg hij steeds maar en hij
stootte daarbij dierlijke geluiden van angst en wanhoop uit.
Verander je zo'n 'dood' door aandacht ook in leven? Voor
mezelf concludeer ik dat het antwoord waarschijnlijk
bevestigend moet zijn. Maar wie brengt het op aandachtig om te
gaan met wie niet eens aandacht heeft voor zichzelf, met wie
ieder ander buitensluit? Is er echt altijd hoop?
We zingen 'Wat zou de wereld anders zijn, als er in plaats van
leed en pijn geluk en vriendschap heersen
De tweede lezing gaat over het dochtertje van Jaïrus.
Jezus accepteert de dood niet. Ik denk aan het verhaal over de
dood van Johannes de Doper, waar Jezus zich wél met
pijn in het hart bij neerlegde. Er is dus verschil. En de
kinderen die wij nu offeren aan ons moderne verkeer dan? In
Jezus' geest zouden we die doden toch niet langer moeten
accepteren?
De overweging: Het meisje gaat dood. Maar meisjes van twaalf
horen niet te sterven. Toch gebeurt het wel, ook
Communie. Voor de kleinsten zijn er druiven. 'Het lichaam van
Christus' en de hostie ligt in mijn hand. Ik denk aan de
lichamen van een paar vermoorde Belgische meisjes en nog
dichterbij: aan het lichaam van dat meisje dat ik drie dagen
geleden sprak en waar zich alle mogelijke seksuele geweld al
aan voltrokken heeft. Ik denk aan het lichaam van die aan
botkanker creperende man, die nog leven wil en niet toe is aan
de dood van de morfine. Ik ervaar de eucharistie als een
meditatief gebeuren en ik vermoed dat ieder bij 'het lichaam
van Christus' zo z'n eigen beelden heeft.
De voorbeden worden gelezen door kinderen: Voor alle mensen
die ziek zijn van eenzaamheid. Voor allen die in
verpleegtehuizen hun privacy missen. En weer voel ik me
opstandig worden: Mag dit wel? Mogen we er ons vanaf maken
door het aan God terug te geven? Daar geloof ik nou geen barst
van. Ik geloof dat we het gewoon zelf moeten doen!
Zondag 4
De remonstrantse kerk. De hervormde cantorij blijkt ook
uitgenodigd. Het is een zonnige zondag; er is volop plek in de
kerk.
De cantor begint de dienst om 10 uur met het tien minuten met
de gemeente oefenen van te zingen liederen. De akoestiek van
deze kerk is mooi, de cantorij zeer geoefend.
'Eer aan God de schepper', wordt gezongen, 'eer aan Jezus de
Heer, eer aan de geest.' Dan gezang 61, over de pachters in de
wijngaard. Dit lied zal gezongen worden in plaats van de
lezing uit Mattheus 21 vs. 33-41.
Nu begint de viering. Het gebed gaat ook in op onze eigen
verantwoordelijkheden in onze wereld. Dat verheugt me. Het
wordt gevolgd door kyrie en gloria. Dan opnieuw gebed, nu bij
de opening der schriften: 'Het Woord dat tot ons komt, door
mensenmond gesproken.' De lezing uit Ezechiël 34 vs.
20-31: God zelf zal herder zijn van zijn volk. Daarna het dus
gezongen verhaal van de onrechtvaardige pachters. Mooi klinkt
dat; de inhoud van het lied dringt pas later tot me door.
De preek. Het thema is: aanraking van het Woord. De
(staten)bijbel dient in onze kerken als onderlegger voor de
preek van de dominee. Er wordt weliswaar plastic op gelegd,
maar dat voorkomt niet dat de bladen in het midden groezelig
zijn geworden en dat er ezelsoren aan zijn gekomen. Als echter
in de synagoge de thora voor de lezing uit de kast wordt
gehaald, is dat een ceremonie. Vóór de kast is
geschreven: 'Weet voor wie je staat.' De rol wordt uit de kast
gehaald en gaat de hele synagoge door, eerbiedig. Men is
gelukkig als het Woord rondgaat. Zo zouden wij, net als zij,
gelukkig moeten zijn als Gods woord rondgaat. De waarde van
het Woord is toch dat wij elkaar recht zullen doen, dat we wie
andere opvattingen heeft, niet zullen verketteren en dat we
het rechtspreken aan God zullen overlaten? Gezang 61 is ons
eigen verhaal: de Heer is trouw, maar de pachters zijn kwaje
rakkers! Hebben wij het Woord niet in een stolp gezet? Alleen
de slaven uit de gelijkenis staan dichtbij dat Woord. Als het
oogsttijd is, zal de hemel op aarde komen. Of zullen wij de
zoon verwerpen, de Messias uitschakelen en gerechtigheid en
vrede vernietigen? Maar de Heer zal niet opgeven: Hij blijft
aanspraken maken. En wij worden opgeroepen als pachters te
geloven in de oogst en de wijngaardenier te dienen. Dan gaat
de preek door op Jezus, die God heeft liefgehad en die is
uitgegaan tot de medemens. Hij heeft zijn leven gegeven om ons
te redden: het grootst mogelijke wat je voor een ander kunt
doen.
'Mooi gesproken', mompelt mijn zoon als de preek geweest is.
Hij blijkt te doelen op de bezielende uitstraling van de
predikante. Maar wat is de boodschap? En wie zijn wíj
nu eigenlijk in het hele verhaal? Gedragen we ons niet als
wijngaardenier? Zijn wij de pachters? Zijn wij de slaven?
Gebed: Vervul ons met uw Woord. Dat we elkaar zullen zeggen
wat dat Woord ons doet. Dat we ervoor zullen uitkomen dat we
geloven in dat Woord. Dan zal het in de wereld anders worden.
Dan zullen we bewogen raken door onrecht, honger en dorst. Dat
is de vreugde van het Woord. Is dit gebed niet net een
samenvatting van de preek?
De zegen: Moge God u nieuwe wegen wijzen, Jezus Christus uw
metgezel zijn en de heilige geest uw leven dragen.
Koffie. Zijn wij nu wijngaardenier, pachter of slaaf? Ik vraag
het een aantal mensen. 'Wij zijn de pachters', zegt iemand,
'maar we maken elkaar tot slaven.' 'We zijn pachters, maar we
hadden beter slaven kunnen zijn', zegt een ander. 'We moeten
slaven worden', is een volgende reactie. 'We zijn beide,
pachters en slaven', zegt iemand. 'We zijn pachters; we moeten
slaven worden om de aarde goed te beheren', is een laatste
reactie.
Waar gaat het nu om? Het gaat vandaag toch om de bijbel als
het Woord van God? Volgens dat woord zouden we toch naar
buiten moeten treden, zouden we toch pachters moeten zijn,
verantwoordelijkheden moeten nemen? Is het daarbij eigenlijk
belangrijk dat je gelooft in die hele speciale status die de
meesten van ons de bijbel geven? Of mag je geloven dat het
Woord overal is, in alle mensen, en dat het nog elke dag
gesproken wordt? Mag je geloven dat God zelf in je medemensen
naar je toe komt en om de pachtsom vraagt? Is dat waar het om
gaat? Wat als je, zoals ik, niet meekunt in die driesplitsing:
vader, zoon en geest? Maakt dát verschil? Het schrikt
sommige gelovigen wel af, merk ik vaak, maar is het het
godsbeeld waar het om gaat? Waar gaat het eigenlijk om?
Zondag 5
Een donkere, druilerige en winderige herfstzondagmorgen in
november. We rijden naar een hervormde kerk. De oprijlaan is
nog prachtig in herfsttooi. De parkeerplaats, verscholen
tussen de bomen, is ruim. Bij binnenkomst wordt ons gewezen op
het boekwerkje met liturgieën en we krijgen een exemplaar
van het nieuwe kerkblad van de gemeente.
Om 10 uur komen er nog mensen binnen. Het orgel speelt de
bekende melodie 'Uit diepten van ellende, roep ik met mond en
Het drempelgebed: God, gij geest van waarheid en wijsheid, die
wij zo moeilijk begrijpen. Wij bidden: raak ons hart
Het tweede gebed: Heer, keer u niet van ons af als wij ons
blindstaren op onze vermeende
Dominee bestijgt nu de kansel. Dat opklimmen geeft me altijd
het onbehaaglijke gevoel dat het symbolisch het woord van de
prediker moet transformeren tot iets als van God zelf. Maar
volgens mij wordt het Woord niet uit de hoogte, maar juist
tussen mensen gesproken, op volslagen gelijk niveau.
Het derde gebed, een gebed van Augustinus: Voortaan, o God,
wil ik u alleen volgen, dienen, omdat alleen gij met
rechtvaardigheid
De lijn van de preek is het thema 'wijsheid en dwaasheid'. De
eerste lezing is uit Spreuken 9. Thuis zie ik dat Groot
Nieuws-1996 gebruikt is, een mooie vertaling: De Wijsheid
heeft haar huis
Gezang 169 vers 2 eindigt met
De preek: De wijsheid nodigt je aan de maaltijd. In het joodse
denken over wijsheid en dwaasheid gaat het om leven en dood.
Dwaasheid is meer dan dom zijn, is dodelijk. Daarmee wordt
niet een foute keuze bedoeld, maar een levenshouding. De vraag
is of ik opensta voor de komst van de bruidegom en voor de
maaltijd. Die meisjes zijn wij! Als je een groot popconcert
per se wilt meemaken, ga je desnoods een dag tevoren in de rij
staan. Je neemt eten, drinken en een slaapzak mee. - Ik
kijk om me heen: de jongeren in de kerk zijn op de vingers van
één hand te
Dominee leest opnieuw een stuk uit Spreuken 9 voor en plaatst
dat naast een stuk uit een interview met Herman Brood in
'Trouw' van gisteren: Majoor Bosshardt van het Leger des Heils
heeft mij geholpen om enig inzicht te krijgen in wat God nou
eigenlijk betekent. God is een levensbenadering. Zij heeft die
haar hele leven in praktijk gebracht. Ze heeft gewoon haar
leven in dienst gesteld van de mensen die dat nodig hadden en
is altijd maagd gebleven. Zij komt heel geloofwaardig over.
Alles draait in de wereld om religie. Nu besef ik dat ik in
feite altijd al diep religieus was. Als je je dingen gaat
afvragen, heb je geaccepteerd dat er meer moet zijn. De
godsdienst met zijn kerken en pausen is totaal uit de hand
gelopen. Wat Jezus bedoeld heeft, is dat je niet te snel moet
oordelen. Dat je flexibel moet zijn en openstaan voor anderen.
God betekent dat je blij bent met jezelf. Als je het eens bent
met jezelf over hoe je leeft, dan krijg je zoveel kracht, dan
kun je zoveel geven. Ik zou mensen uit hun oppervlakkigheid
willen
De parallel met Spreuken zit in het dienen, in het zorgen voor
reserveolie (slaapzak) en in het gegeven dat alle licht met
God te maken heeft.
Een wijze, pakkende preek. Een charismatisch prediker. Geen
overtollige woorden. Prachtig!
Na de preek verlaat de prediker de kansel.
Het vierde gebed: Grote God, wij danken u voor
díé mensen die wij mochten ontmoeten, die ons
iets doorgaven van de wijsheid, van het omgaan met uw eeuwige
grootheid, met uw grote
Collecte. We zingen Grote God, wij loven u. De predikant is
geen voorganger meer; hij heeft plaats gekozen in de
gemeente.
Zegen: De vrede van God die alle verstand te boven gaat, zal
uw harten en gedachten bewaren, in Jezus Christus, onze
Heer.
Zondag 6
Het is midden december. De lucht is donker en druilerig. Het
is alsof de dag het niet durft winnen van de nacht. Ik fiets
naar de stad, de christelijk-gereformeerde kerk. In deze kerk
ben ik geboren, gedoopt, opgegroeid en heb ik belijdenis
gedaan. En tegelijk: van deze kerk ben ik nu 27 jaar geen lid
meer. Ik heb een soort van grijzemuisgevoel en ik vraag me af
of ik dat gevoel herken van vroeger. Ik vind het antwoord
niet. Emotioneel heb ik me op deze dienst voorbereid, merk ik.
Oude gevoelens zijn bij mij bovengekomen. Hoeveel moeilijker
nog dan nu was het vroeger voor mij dat goede gevoel vast te
houden: het gevoel dat 't goed is, dat ik voor God mag zijn
die ik ben, dat ik geaccepteerd ben. Deze week las ik van Nico
ter Linden het verhaal 'Abram vecht'. Ook ik ken het vechten
met God, het gevecht om een antwoord, om duidelijkheid, het
proberen op te eisen wat lijkt te ontbreken. Ter Linden
schrijft dat God pas in beweging komt als Abram uitgeput in
slaap gevallen
Nog buiten hoor ik al het orgel. Uit mijn geheugen vul ik
woorden in: een blij hosanna zingen, uw koning tegemoet.
Bloemen voorin de kerk en ook een plantenbak, geholpen door
assimilatielampen. De preekstoel is wel drie man
We beginnen met lied 24 uit het bundeltje Schriftberijmingen:
Wij roepen koning Christus
De lezing is uit Lucas 1: de lofzang van Zacharias. De tekst
staat in vers 74 tot 75: 'Dat Hij ons zou geven, zonder vreze,
uit de hand der vijanden verlost, hem te dienen in heiligheid
en gerechtigheid voor zijn aangezicht, al onze dagen.' De
preek: Zacharias en Elizabeth zijn kinderloos. Ze hebben weet
van teleurstellingen. Maar God komt op zíjn tijd. De
lofzang is een profetie: profeteren is zeggen hoe God over de
dingen denkt, wat zijn wil is. Het gaat om óns: de Here
wil ons tot een dienst brengen, hij wil géven dat wij
hem dienen! Wijzelf modderen maar wat rond, we stellen onze
grenzen: van 8 tot 5 ben ik bezet en de vrije zaterdag heb ik
nodig voor mijn eigen spulletjes. - De prediker lijkt
niets op papier te hebben. Vrij associërend lijkt hij
zijn boodschap aaneen te breien. - Vijandschap is alles
wat ons afhoudt van de dienst aan God. Een arbeider in een
worstfabriek werd na het weekend door z'n collega's geplaagd:
jij bent zeker weer naar de kerk geweest? Maar deze man zong
zijn psalm of gezang dwars tegen de plagerijen in. God strekt
zijn handen uit in de volheid van de tijd. Híj moet ons
leren hem te dienen. - Dominee kijkt omstandig op zijn
polshorloge en ik merk dat ik me afvraag welke rekensom hij
Voorbij. Ik wacht wat om bij mijn jas achterin de kerkzaal te
kunnen komen. Niemand die mij
Een glimp van de Eeuwige? Zeker, ook hier! Een
associërende preek op kernwoorden uit een tekstgedeelte
doet daar niets vanaf. Het is puur allemaal, echt. Het heeft
ook iets ontwijkends, maar dat ken ik
Zondag 7
De lente lijkt zich af en toe al even aan te kondigen. Onze
eerste fietstocht is gemaakt. Met verwondering heb ik deze
week gekeken naar de knoppen in struiken en bomen. De kou
heeft het nieuwe leven niet kunnen ophouden. Wat zit er een
kracht achter de kringloop van het
Vandaag een viering van de basisgroep. Ik kom daar geregeld en
voel me er aardig thuis. Het zijn met name het ontbreken van
vaste liturgieën, het om beurten voorbereiden en leiden
van een viering en de grote bescheidenheid in het aanroepen
van de Eeuwige die me hier aanspreken.
Het thema is 'Sta eens even
Eerst worden de te zingen liederen geoefend. Voor de nakomers
wordt er ondertussen nog wat geschoven met stoelen. Een
kwartier na het formele aanvangstijdstip begint de viering met
een welkom. Het moet een muzikale, vrolijke en hopelijk
inspirerende viering worden. De paaskaars, gekregen van een
oecumenische gemeenschap, wordt met vereende krachten
aangestoken. Dan volgt het intochtslied: 'Vol van verwachting
zijn wij gekomen, om weer te weten waartoe wij bestaan.' Na
het lied zijn er een paar toelichtende woorden bij het thema
van de viering. Ik mijmer even weg en mis enkele ogenblikken.
'Spiritualiteit, stilstaan en onthaasten' zijn woorden die in
mijn mijmering tot me doordringen. En ook: 'Dat ene moment van
genieten bepaalt soms de rest van je leven!'
We zingen 'Gegroet het lieve leven, al wat geboren is' van Jan
van Opbergen. Dan wordt het gedicht 'Dat overkomt iedereen
wel' van Willem Wilmink gedeclameerd. Ik kies hier de tweede
strofe:
Je maakt een proefwerk op school, en je kijkt
zo nu en dan, eventjes maar,
naar het mooiste meisje, zoals ze daar zit,
met het licht van de zon in d'r haar,
dat is mooi.
Na een muzikaal intermezzo op de piano wordt dit keer een
bijbeltekst gelezen: Mattheus 6 vers 25-27. Het gaat over het
je geen zorgen maken en over letten op de vogels in de lucht,
voor wie de hemelse Vader zorgt. Na de voorlezing volgt weer
een muzikaal intermezzo. Daarna komen de kinderen op de kleine
stoeltjes in een binnenkring om te luisteren naar het verhaal
over Ome Arie en Anna Druk. Uiteindelijk rukt Anna de stekker
van de strijkbout uit het stopcontact om naar buiten te gaan
en samen met Arie aardbeien te planten. Uiteindelijk lijken
haar ogen open te gaan voor het goede van het leven.
We zingen 'Kijk eens naar de vogels, zij leven van de wind',
en 'Begin vandaag te leven, God zal je alles geven en morgen
zie je dan wel weer.'
De kinderen gaan naar de plaktafel om een vrolijk plakwerk te
maken en de groten spreken elkaar in vijf groepjes met de
vragen: Wat inspireert jou? Wat zijn je geluksmomenten? en met
de opdracht een couplet te maken op de melodie van 'Waar zou
de stad van vrede zijn?' Ik zit in groepje 3: Geluksmomenten
zijn kippenvelmomenten: het gevoel van 'dit is goed!' Iemand
voelde dat zo bij de geboorte van haar kleindochter. Een ander
voelt het in de vaste kringloop van de natuur. Hij zegt: 'Er
is geen toeval. Alles is heel structureel. Alleen mensen
maken, tegen beter weten in, chaos.' Het gesprek gaat door
over de inspiratie die je nodig hebt om tegen de stroom in te
kunnen gaan. Een leraar vertelt hoe inspirerend het voor hem
is als het even klikt tussen hem en een leerling met
problemen. De vogelaar in ons groepje vindt het onzin dat een
vogel niet zou zorgen. Ook de vogel strijdt z'n struggle for
life en het hoort er gewoon bij dat er slachtoffers vallen. Ik
mijmer wat over hoe wíj onszélf bewust
slachtoffer maken van onze agenda's en onze dadendrang. Dan
gaat het over verliefdheid die je overkomt: een machtige
inspirator. En over hoe geluksmomenten vaak juist na periodes
van spanning komen. Het gaat over het inperkende van de eisen
die verliefden al gauw gaan stellen aan welvaart en aan
woongenot. En over hoe mensen steeds weer proberen de ander te
boetseren in de vorm die aan de eigen verwachtingen
tegemoetkomt en ook over hoe sommige proberen zichzelf met
geweld te boetseren tot wie ze wíllen zijn, maar in
werkelijkheid níét zijn.
Ons couplet:
Wat zou het zijn dat ons inspireert?
Is het de vogel die het ons leert?
Is het de zon in haar gouden gloed?
Of is het een woord van een mens dat het doet?
De kinderen gaan met hun plaksels rond en de vijf coupletten
worden door de pianist van ritmetekens voorzien en daarna
gezongen.
Tijd voor stilstaan
De collecte is voor de Wilde Ganzen en met name voor een
lepraproject in Brazilië.
Onder het hoofdje 'Actie en reactie' worden vrijwilligers
gevraagd voor het sausen van de vergaderruimte van de
Wereldwinkel.
Het slotlied wordt door sommigen swingend meegezongen:
Loof het onkruid, wilgenroos en vlinderstruik,
de wouw en de klauw, de brem, het slangekruid;
rode klaver, steppeheks, omringd door varkensgras,
de duizendknoop, de klis, de kleine herderstas.
Voorbij. De tijd is gevlogen. Iedereen blijft koffie, thee en
limonade drinken. Er is cake. Sommigen schrijven de vijf
zelfgemaakte coupletten over van het bord. En aan het hek
moet, zoals gebruikelijk, een pasje aan de kinderen getoond
worden om te mogen vertrekken. Maar wie geen pasje heeft, kan
er een kopen. Voor een dubbeltje.
Zondag 8
Het is februari. De winter lijkt voorbij. We fietsen naar de
kerk van het Apostolisch Genootschap. De zang blijkt hier
vooral aan het koor voorbehouden. Dat omvat ongeveer de helft
van de 100 à 150 aanwezigen en zingt al enthousiast uit
de eigen bundel 'Teksten in het licht van deze tijd'. Het zijn
Johannes de Heer-achtige liederen, maar net iets zwaarder
getoonzet. We worden door een paar aanwezigen welkom geheten
en onze handen worden geschud. Er zijn heel wat jongeren
aanwezig, maar weinig kinderen. Mijn vrouw houdt me lied 47
voor: 'Leven is veranderen, herbezinnen telkens weer, wijzigen
van eigen denken; wat eens was, dat is niet meer.'
De gemeente gaat staan als de kerkenraad binnenkomt. Een
gastprediker gaat voor. Er is geen opening, geen zegen, geen
bijbellezing: de viering is gewoon begonnen. Het thema is 'Op
zoek naar geluk'. Duidelijk wordt dat dit thema door 'de
apostel', ook wel 'de opziener' genoemd, in zijn weekbrief
wordt aangereikt. Heel eenvoudig wordt er wat op het thema
ingegaan en mensen reageren met bevestigende en versterkende
woorden en geluiden, daartoe uitgelokt door een steeds
terugkerend 'hè?' van de voorganger. Toch lijkt het
allemaal heel echt.
De gedachtenis aan hen die zijn voorgegaan, is hier kennelijk
heel belangrijk. Gistermiddag is een bejaard lid, nog vrij
onverwachts, overleden en zijn vrouw zit voorin de kerk.
Herhaaldelijk wordt door de preek heen het woord tot haar
gericht.
De voorganger gaat er vanuit dat alle mensen gelukkig willen
worden, omdat dat streven in de mens is ingebouwd. Zondags heb
je soms het gevoel de hele wereld aan te kunnen, maar op een
ander moment kan het geluksgevoel zomaar verdwenen zijn. Het
leven zit vol tegenstrijdigheden.
Gaande de preek voel ik hoe dicht de voorganger bij het
beleven van de mensen staat. Het gaat over materieel bezit. De
voorganger is gelukkig met zijn auto en met dat hij op zo'n
mooie wijze naar hier gereden is om de gemeente te verzorgen.
En we zijn geïrriteerd als onze wasmachine kapot gaat,
maar we vergeten dankbaar te zijn als de stofzuiger het nog
doet. Dankbaarheid draagt echter bij aan ons geluk. Als we op
vakantie aan de Rivièra een uur moeten zoeken naar een
parkeerplek, zijn we dan nog zo gelukkig? Zo zijn we op zoek
naar geluk. Duurzaam geluk heeft te maken met innerlijke
harmonie. Het houdt meer verband met zijn, minder met hebben.
Vanuit duurzaam geluk is verdriet bij een overlijden te
dragen. Of ook het verdriet als je plotseling een goede baan
verliest. Want het leven brengt ook lijden met zich mee, ook
geestelijk lijden. Het is complex: soms voel je je gelukkig,
soms zit je in een diep dal. Godsdiensten hebben gezocht naar
verklaringen voor het lijden. Het zou een straf zijn voor onze
zonden. Zo kent de voorganger een vrouw die vroeger met haar
lichaam te koop heeft gelopen en die later twee kinderen
verloor. Is dat dan straf voor de zonden van haar jeugd? Of
het lijden zou zinvol zijn omdat het de verstoorde relatie met
God zou herstellen en toegang zou geven tot eeuwige zaligheid.
De prediker gelooft niet in deze theorieën. Het gaat niet
om wat er in je leven gebeurt, maar om hoe je ermee in
harmonie komt. Geluk heeft met alle dingen van het leven te
maken. 'De apostel' geeft eigen verantwoordelijkheid over
alles. Maar het kan moeilijk zijn om een ander om vergeving te
vragen of om een glimlach op je gezicht te toveren. Dan is het
belangrijk om elkaar te hebben, om raad te kunnen vragen. Om
te ontdekken dat de moeilijke dingen van het leven niet te
maken hebben met schuld en straf, maar dat het leven gewoon zo
gebéúrt. Een lied zingt dat een man niet mag
huilen, maar waarom niet? Waarom zou je elkaar je gevoelens
niet tonen? Als een kind op school erbuiten staat, kun je daar
toch ook op afgaan? We kunnen zóveel voor elkaar
betekenen!
Even plotseling als de prediker begon, stopt hij. Het woord
'zangers' brengt het koor in actie. Het zingt: 'Ga niet
voorbij aan de kleine dingen van het leven, die enkele
momenten, waarin zo onverwachts, als in een flits, Gods
goedheid licht.'
De voorganger hervat: In de Onafhankelijkheidsverklaring van
de V.S. staat dat de mens het recht heeft om geluk na te
streven. Dat is wat anders dan het recht op vervulling van al
onze wensen. - Inmiddels blijkt de prediker de al
genoemde weekbrief voor te lezen. - Soms is het hebben
van een zaak het einde van het vermaak. Er is een spanning
tussen het ervaren van geluk en het lijden. Jezus heeft ons
geleerd dat in het lijden de goddelijke opdracht ligt er iets
aan te doen. En al hebben we het materieel goed, de
geestelijke nood is groot. We zijn een gemeenschap om onze
gevoelens te kunnen delen, om raad te kunnen vragen bij
problemen in huwelijk of andere relaties. Overal om ons heen
zijn er mensen die behoefte hebben aan steun. Met die te
geven, zetten we het werk voort van allen die zich hebben
ingezet voor een leefbare nabijheid van God. Zo wil ik in het
leven staan, meldt de prediker. Maar ik ben een impulsief
mens. Daardoor bots ik veel. Je kunt botsingen maken die je
van elkaar verwijderen. Dan moet je de moed hebben om terug te
gaan, om vergeving te vragen en weer in harmonie te komen met
elkaar. Om de minste te zijn. Nadat de vrouw van de gisteren
overleden broeder gevraagd is iets te zeggen over haar
huwelijk - ze is 56 jaar getrouwd geweest - vertelt
de prediker over de talrijke botsingen in zijn eigen huwelijk.
Toch kan er steeds weer één de minste zijn.
Nu is het tijd om een andere 'priester' naar voren te halen.
Deze vat in eigen woorden het al gezegde samen. Opmerkelijk is
dat hij het gegeven van de toenemende lichaamslengte van
Nederlanders verbindt aan het opgroeien in zoveel
vrijheid.
Als de voorganger terug is, vertelt hij bij de vorige spreker
ineens te hebben moeten denken aan Chinese voetjes, gebonden
in te kleine schoentjes. Zo kun je ook in het leven gebonden
Nu komen de herhalingen van de herhalingen: ik merk dat dit me
wat te ver gaat.
Dan is er toch nog iets wat 'gebed' genoemd wordt. Het is een
bidden, samenvatten van het gezegde en een heenzending in het
perspectief van allen die zijn voorgegaan tegelijk.
Na een lied volgt dan nog de 'rondgang'. De collecte en het
avondmaal zijn hierin samengevoegd. Wie zich kan vinden in het
verlangen zijn of haar leven toe te wijden aan God, wordt
uitgenodigd deel te nemen. Ik ga naar voren. De ouwel wordt
door de ouderling met een soort pincet opgepakt en in de drank
gedoopt. Daarna wordt hij op de rug van mijn hand gelegd en
vandaar breng ik hem naar mijn mond. De formule die bij ieder
gezegd wordt, is iets als 'Uw zielsaanbod is aanvaard en
hierdoor opnieuw bevestigd'. Als ik weer zit en de formule wil
opschrijven, hurkt de vrouw van de eigen voorganger van de
gemeente naast me en vraagt of ik journalist ben. Ze nodigt me
op de koffie met haar en haar man. Als ik aarzel, is ze alweer
weg.
'We gaan naar huis hè?', zegt de voorganger. 'Ik heb 't
gevoel dat het goed is zo.' Liefdesgroeten worden over en weer
meegegeven.
Dan nogmaals gebed, samenvatting en heenzending, nu weer door
de tweede 'priester' van vandaag.
'Maak er iets moois van samen', zegt de voorganger, 'ook bij
de crematie van onze overleden broeder.'
Zondag 9
Het is maart. Het thema is al aangekondigd: 'Tussen de klippen
door', naar aanleiding van Paulus, jood én Romeins
burger, mens van twee culturen, die zich moet verdedigen voor
de Raad. Ik heb het thema in verband gebracht met de
publicaties van de laatste tijd over het boek 'Verzoening' van
Den Heyer. Deze samenhang kan ik echter slechts vermoeden als
we op deze prachtige lentemorgen naar de stad toe fietsen.
Al onderweg vinden we aansluiting bij bekenden: velen hebben
vandaag de fiets gekozen. In de kerk zie ik volop bekende
gezichten.
De ouderling van dienst heet welkom en doet de mededelingen.
Prima om dat zo gescheiden te houden. Het voorgaand
gemeentelid neemt over voor het drempelgebed. Na het zingen
van psalm 122 volgt het gebed om ontferming. Voor mijn
beleving zijn er te veel woorden en wordt het gebed half een
preek.
Dan vermeldt de liturgie de 'dienst van Gods woord en van onze
woorden'. Daarvoor wordt één niveau hoger
geklommen, naar de daar staande katheder. Ik merk dat ik me
afvraag of dit niveauverschil een betekenis heeft. Na de groet
wordt het gebed bij de opening van de Schrift gezongen: voor
mij liturgische overdaad - dit nu al zoveelste
gebed - maar het koor zingt prachtig! Dan worden de
kinderen naar voren geroepen; we zien veel kinderen uit onze
eigen wijk. Met atlas en kompas zoekt Teun, het voorgaand
gemeentelid, de richting waarin Paulus moest reizen van
Jeruzalem naar Rome. Dan volgt een heel mooi moment: Teun
wijst naar het noordwesten, de richting die Paulus moest gaan.
Dan zie je dat hij zich iets
Een boeiende lezing. De opstanding uit de dood en de
nachtelijke verschijning van de Heer zelf zijn thema's waar ik
graag meer over zou horen, bijvoorbeeld van Teun. Wat weten
wij eigenlijk van elkaars geloof?
In de tweede lezing gaat het over de vijf broden en de twee
vissen, het thema 'eerlijk delen' dus, wat we in onze wereld
volgens mij nog altijd niet echt geleerd hebben.
Dan de woorden van uitleg en geloof. Dominee klimt nu een heel
stuk
Dominee daalt af. We zingen 'Gij zijt de zin van wat wij
Na het prachtig zuiver door het koor gezongen 'Onze Vader
verborgen' volgt de collecte. Alleen voor het derde zakje
wordt een bestemming genoemd.
Het lied van de opstanding is het slotlied. Daarna nog
wegzending en zegen. 'De genade van Jezus, onze broeder, als
basis van ons leven', speelt me na afloop nog door het hoofd.
Het zijn woorden die vandaag in de plaats moeten treden voor
de vooraf door mij vermoede samenhang met een ander thema,
woorden die hun boodschap vinden in wat niet gezegd
wordt.
Zondag 10
Het is Witte Donderdagavond. We zijn in de schemering van een
prachtige voorjaarsdag op weg naar de avondmis van de
Sint-Martinusparochie in de hoogstgelegen kerk van Nederland.
Vanuit ons vakantiehuisje van deze week hebben we steeds op de
toren uit kunnen kijken en op onze tochten door de omgeving
was de kerk steeds een belangrijk oriëntatiepunt. De
klokken luiden nodigend als we om tien voor zeven de kerk
binnengaan. Daar zitten dan al zo'n vijftig mensen; dat aantal
zal nog oplopen tot ongeveer vijfenzeventig, verspreid over de
verder lege banken. Jongeren zijn er niet. Voorin branden
kaarsen en hoog tegen het flauwe licht dat nog door de
glas-in-loodramen binnenvalt, hangt een kruis met een beeld
van Jezus. Andere kruisbeelden zijn door paars doek afgedekt.
Sommige binnenkomers maken naast de bank waarin ze plaatsnemen
eerst een knielende beweging. Dan wordt het geleidelijkaan
stil.
Met belgerinkel komen de voorganger in 't wit en vier kinderen
- drie jongens en een meisje - in 't grijs binnen.
De voorganger draagt een zilveren wierookvat, waarmee hij
voorzichtig rond het altaar(?) heen en weer zwaait. De wierook
geeft voorin een soort mist die alle scherpte tijdelijk uit
het beeld wegneemt. Na een lied - de zang in deze viering
is voor rekening van het koor, slechts een enkeling zingt
verder mee - uit de bundel 'Liturgische gezangen voor de
viering van de eucharistie' neemt de voorganger het woord. Hij
memoreert dat we op Witte Donderdag herdenken dat God ons een
groot geschenk heeft gegeven: de eucharistie. Na een gebed om
vergeving zingt het koor een kyrie eleïson. Eén
van de dienstdoende kinderen maakt achter het altaar een
wierookwolk en de belletjes rinkelen ondertussen
onafgebroken.
De lezing uit het Oude Testament gaat over het lam dat in de
avondschemering geslacht moest worden en waarvan het bloed op
de deurposten moest worden uitgestreken om het huis te
beschermen tegen de dood. Het vlees moest met haast gegeten
worden - samen met ongegist brood - en deze dag
moest een gedenkdag worden.
Lied 66 wordt gezongen: Als God ons thuisbrengt uit onze
ballingschap, dat zal een droom
De preek: We weten allemaal hoe het toen verder gegaan is.
Voor de dood kunnen we slechts danken als die een levengevende
betekenis heeft. Iets te mogen geven, is een genade. Zoals
kinderen hun ouders dankbaar zijn voor alles wat zij geven en
andersom ook ouders hun kinderen dankbaar zijn. Hier wordt het
leven van Eén vermenigvuldigd voor velen. Loopt iemands
bloed uit zijn lichaam, dan bloedt hij dood. Wie zijn bloed
geeft, geeft zijn leven. Men drinkt het leven. De eucharistie
is een verbondsmaal, waarin het oude verbond in het nieuwe
wordt opgenomen. Christus' bloed is het verzoenende bloed van
een zoenoffer. Als we in Jezus' geest eucharistie vieren,
geven we ons leven en onze dood uit handen.
Een korte preek. De woorden klinken bekend en er wordt geen
poging gedaan ze in samenhang te brengen met ons leven van
vandaag.
De gebeden: Er wordt gebeden voor de kerk, voor de gewijde
dienaren, voor de christelijke eenheid, voor zieken en
hulpbehoevenden, voor hen die van God vervreemd zijn en voor
een veilige thuiskomst voor onze overledenen, waarvan enkele
met name worden genoemd.
Als het koor lied 84 zingt, 'Wie vriend van God wil wezen, die
offert brood en
Er volgt een reeks van steeds nieuwe gebeden, die als vaste
formules uitgesproken worden en misschien daardoor niet
helemaal zijn te verstaan. De voorganger vraagt de broeders en
zusters te bidden dat zijn en hun offer aanvaard zal kunnen
worden. Er is dus naast de gave van Jezus - zo begrijp
ik - ook een gave van de mensen hier. Het sanctus van
lied 35 weerklinkt en de mensen knielen nu. In het gebed wordt
de hele kerkelijke hiërarchie met namen en toenamen
opgedragen. Opnieuw wordt gebeden dat onze gave zal worden
aangenomen. Dan volgt het 'neem en eet, want dit is mijn
lichaam', bekrachtigd door het 'klappen' van een houten
instrument. Met de beker gaat het net zo. Opnieuw lange
formulegebeden, waarin het 'amen' direct wordt gevolgd door
een nieuw 'Laten we bidden'. Het koor zingt en de vier
kinderen nemen plaats achter het altaar, de diaken(?) gaat
naar voren om te assisteren bij de eucharistie die vlot en
geordend verloopt. Ik doe niet mee. Ik heb het gevoel dat de
betekenisgeving hier veel te ver van mij afstaat. Weer gebed:
'Schenk ons de genade dat we eens mogen genieten van het
eeuwige
Dan gaat het over 'het allerheiligste'. Dit zijn - zo
vermoed ik - twee kruisjes met Jezusbeelden, geheel door
witte doeken omhuld, met zilveren kruisjes bovenop die doeken.
Ze hebben tijdens de viering steeds zo op het altaar gestaan
en wellicht is de wierook hiervoor bedoeld geweest. De
voorganger draagt dit allerheiligste - voorafgegaan door
de kinderen, waarvan één op een steel
waarschijnlijk ook een kruisbeeld, paars afgedekt,
draagt - de hele kerk rond en dan wordt het op het
zijaltaar gezet. Het zal daar nog vijfentwintig minuten, tot
kwart over acht, blijven staan voor wie aanbidden willen.
De meeste mensen staan op en vertrekken. Wij blijven nog even
zitten. Mijn vrouw fluistert dat ze er niet veel van begrijpt.
Als we opstappen - door geen mens hier gekend; een
tiental mensen blijft nog achter - staan groepjes mensen
verstild op het prachtig om de hele kerk heen gelegen kerkhof
bij de graven van hun geliefden.
In ons huisje terug zet mijn vrouw het journaal aan. Prompt
gaat het over de zes Turkse doden, onder wie vijf kinderen,
die vielen bij een brand in Den Haag, mogelijk een aanslag.
Een paar minuten later is de begrafenis in beeld van de
Ajax-supporter die zondag werd doodgeknuppeld door aanhang van
de tegenpartij. Ik merk dat ik me afvraag of de wereld sinds
Jezus van Nazareth veranderd is.
Als we even napraten, hebben we het gevoel onvoldoende in de
katholieke gebruiken ingewijd te zijn om de mystieke
omlijsting van deze viering goed te kunnen begrijpen. De
uitgebreide formulegebeden riepen onze weerstand op, ook al
omdat ze voor ons gevoel in zo'n hoog tempo afgeraffeld
werden. Het ontbreken van een gevoel van aangeraakt te zijn,
is het gemis dat
Gert Hardeman