Godsdienstvrijheid
Als kind hoorde en zag ik mijn vader zachtjes in een rustig
ritme bidden. Ik vond het mooi en probeerde mee te doen. Toen
ik vroeg wat hij zei, want Arabische gebeden verstond ik niet,
kreeg ik dingen te horen als: 'Bidden is met God praten. Je
moet niet met God praten, als je niet wilt.' En: 'Je moet
niet doen alsof je van God houdt, als je dat niet voelt.' Hij
was het niet eens met godsdienst te zien als een erfenis. Hij
drong niets op. Hij vond niet dat je als kind moest kiezen wat
je ouders gekozen hadden en moest doen wat zij deden. Ramadan
bijvoorbeeld. Klasgenoten moesten van thuis verplicht
meevasten en waren verbaasd dat ik dat niet hoefde. 'Jij bent
gezond en doet geen ramadan? Dan ga jij naar de hel', zei een
klasgenootje. Toen ik daarmee naar mijn vader ging, zei hij:
'Je moet niet uit angst voor de hel ramadan houden, dan kun je
er beter niet aan beginnen.' Mij belonen met de hemel of
dreigen met de hel, deed hij nooit. Hij vond dat je juist voor
God geen angst moest voelen. 'Onder angst kun je niet
groeien', vond hij.