Het oeroude christelijke scheppingsverhaal vertelt hoe de mens
aanvankelijk onaf werd geschapen. De laatste scheppingsdaad
immers, de volledige menswording, werd aan
hem/haarzelf (verder in dit stuk kies ik voor de mannelijke
vorm, daarmee de vrouwelijke insluitend) overgelaten. Want
God, wie of wat dan ook, gaf een keuzemogelijkheid met een verbod erbij.
Daarin werd de mens als het ware gedwongen, vroeger of later,
te kiezen tegen dat verbod. Met die keuze werd de schepping van
de mens als beelddrager van God voltooid: daar hield de mens op
robot te zijn, een verlengde goddelijke arm die alleen
maar kon doen wat God verlangde, maar werd 'als God
zelf', met de voortdurende noodzaak te kiezen tussen goed en
kwaad.
In mijn beleving zijn we als mensen 'naar Gods beeld'. God zelf kent dus ook het
kwaad. Zoals het kwaad bij mensen hoort, hoort het bij het
goddelijke zelf, of wij dat nu appreciëren of niet. De
opsplitsing God en duivel is een menselijke, geboren uit de
angst om zelf voluit verantwoordelijk te zijn. Vele
eeuwen al hebben we inmiddels nodig om met die
verantwoordelijkheid om te leren gaan en dat we er nog lang
niet zijn, is duidelijk.
In het bovenstaande heb ik ze voor het gemak even naast elkaar
gezet: het goddelijke en de mens. In wezen geloof ik dat alles
hetzelfde is, dat God niet anders is dan het menselijke, dat
God zichzelf geworden is in mensen, dat zo de schepping in
elkaar steekt. Ik heb dan ook het beeld dat die boom van kennis
meer met seksualiteit te maken heeft dan met een verboden
appel. God verbood de mens zich voort te planten, dus
één te worden en van daaruit meer. Dat verbod was
tegen de menselijke natuur en daarom gedoemd te mislukken. Overigens is
er overeenkomst tussen eten en seks: beide brengen iets van buiten
tot eenheid met het zelf. Het verbod moet in mijn visie
paradoxaal bedoeld geweest zijn, namelijk de intentie hebben gehad dat het overtreden
zou worden, opdat er 'meer' zou zijn, niet alleen ik, maar wij. Een
start dus op de weg terug naar Eenheid. Want de mens was goed geschapen, kwam tot eigen
keuze en verantwoordelijkheid, hernam (voor een ogenblik) de
verloren eenheid en plantte zich voort, daarmee voluit mens
wordend. De weg bleek echter langer dan een enkel moment: na
die eerste keuze schrok de mens terug, schaamde zich voor z'n
keuze en was vanuit de angst om er echt helemaal en in volle verantwoordelijkheid
alleen voor te staan bevreesd God in de wielen te hebben gereden. Veel mensen zijn tot vandaag van een
goddelijke goedkeuring afhankelijk gebleven en alleen al daarom
is het voor hen nodig God buiten zichzelf te situeren. Dat
is een (Gods)beeld dat op angst is gebaseerd.
Als mensen leven we in en met goed en kwaad. Het is belangrijk
niet om het eigen kwaad heen te 'fietsen', maar het onder ogen
te zien, uit te dagen, er de strijd mee aan te gaan. Daarin is
onvermijdelijk dat er foute keuzes gemaakt worden, want die
ervaringen zijn dikwijls gewoon nodig om tot echte eigen keuze
voor het goede te kunnen geraken. Zo steekt het nu eenmaal in
de schepping in elkaar. Wie, vanuit angst, het
kwaad in zichzelf ontkent en het niet de ruimte geeft die het
nodig heeft in het proces van persoonlijkheidsontwikkeling, kan
niet volledig mens worden. Hij zal blijven steken in de
veroordeling van eigen en andermans kwaad en in de schreeuw om
gerechtigheid naar die ander en niet verder komen dan te
leven als een al dan niet gehoorzame robot die aan echte eigen
keuzes niet toekomt.
Fantasie is een menselijke eigenschap. In fantasie kunnen
dingen mogelijk worden die dat in de realiteit niet zijn of die
ongewenst zijn, noem het verkeerd of kwaad. Fantasie is een
gave die ruimte biedt aan het omgaan met de eigen donkere
gevoelens en schaduwkanten, die het mogelijk maakt om kwade
keuzes uit te testen en, soms langdurig, uit te
vechten, zonder daarmee medemensen feitelijk te kwetsen of
kwaad te doen. De verbeeldingskracht van de
fantasie is er als een mechaniek waarin we evenwicht kunnen
leren vinden in onszelf, op het ene vlak op korte en op het
andere op (levens)lange termijn.
We blijven in het kwaad. Zolang we het goede rondom ons vinden en
zelf ook goed doen, zullen we geconfronteerd blijven met het
kwaad, van anderen en van onszelf. Het is het spanningsveld
tussen deze polen dat de ruimte voor ontwikkeling en
(persoonlijke) groei creëert, want zonder die spanning zou
alles tot stilstand komen, z'n waarde verliezen, neutraliseren
en in ledigheid verzanden. In het kwaad vinden we nog een
andere menselijk gave: die van de vergeving. Ik doel op
vergeving aan de ander en aan jezelf. Vergeven is niet
uitwissen, zodat het kwaad dat er was er niet meer is. Niets
kan uitgewist worden, want wat was, blijft geweest. Als we als
mensen ons eigen kwaad maar leren accepteren, zullen we beter
kunnen omgaan met dat van de ander. Als we leren onszelf te
vergeven, ontstaat er ruimte voor vergeving naar de ander.
Vergeven is een streep halen door de 'rekening', de rekening
die niet kan worden afgelost. Het is het achter je laten van
een verstoring in je onderlinge relatie, want het is de
aanvaarding van het berouw van degeen die je verwondde en het
weten dat dat berouw oprecht is. Het kwaad lost echter niet op
in vergeving, het kan er wel leefbaar door worden.
Vergeving doorbreekt het 'Oog om oog' vanuit het weten dat niet
alleen de ander vergeving nodig heeft, maar jijzelf evenzeer.
Want alle kwaad leert ons levenslessen over wie we
zijn in relatie tot de ander en over wie we zouden willen zijn.
Al blijft het litteken altijd bestaan, een mensenleven
lang, vergeving tilt uit boven de pijn die geleden is en
stelt uiteindelijk de ander en daarmee jezelf in een goddelijk
Licht.
Gert Hardeman