De ziel uit de zorg
Dit stuk is verplaatst naar mijn zorglog.
Als een dubbeltje op z'n kant
Marie is gestorven, na een lange en uitputtende strijd. Al een maand geleden schreef ik: 'Stervenden laten zich soms tegenhouden door een achterblijver die nog niet kan loslaten.' Ik denk niet dat dat bij Marie zo was. Marie hield zichzelf nog tegen, kón zich nog niet overgeven. Marie was nu eenmaal halsstarrig, zoals alleen Marie dat kon
Marie had altijd al tijd nodig om zich gewonnen te geven, soms veel tijd. Onverzettelijk kon ze zijn en in die koppige onbuigzaamheid heb ik in de loop der jaren heel wat strijd met haar gevoerd. Eigenzinnig als ze was, wist ze precies wat ze wel en niet wilde en wat ze zich in het hoofd gezet had, was daar niet uit weg te praten. Maar eigenzinnigheid was niet het enige gelukkig: Marie was onbaatzuchtig en vroeg niets voor zichzelf. De hang naar materieel bezit was haar totaal vreemd. Elk bezit ervoer ze eerder als last dan als lust. Ze was dankbaar voor alles, maar dan ook alles wat ze wel accepteren kon en die dankbaarheid uitte ze ook. En ze was bescheiden, bijna akelig bescheiden. Pas na haar sterven bedacht ik hoe haar twijfel wat het geloof betreft
Twee dagen voordat Marie zich wel over móést geven, schreef ik:
De dood alleen kent de genade de chaos op te ruimen die geen mensenkind meer op orde brengen kan. En nu: Marie is er niet meer, want ze is vrij. Ze liet haar doodzieke lichaam achter en herwon de ruimte waarin ze kan gaan en zijn waar ze wil, waarin ze voor ons die achterblijven eindeloos ver verwijderd is en, o wonder, tegelijk dichterbij dan ooit.
Baas van zichzelf
Marie is in het eerste uur van de voorbije nacht gestorven.
Ik ben kort daarna bij haar lichaam geweest. Het was goed, heel
goed. Ze is niet in eenzaamheid gestorven. Een vrijwilligster
van de terminale thuiszorg was haar liefdevol nabij. Terug naar de ziel van de zorg
Ik schreef al eerder over bureaucratie in de hulpverlening.
Gisteravond bezocht ik een collega met wie ik het goed kan
vinden. Toen ging het ook even over zijn problemen met alle
administratieve verplichtingen. 'Ik wil gewoon een goed gesprek
voeren', zei hij letterlijk 'en niet al dat gedoe eromheen.' En
hij attendeerde me op nog iets anders: het plotseling fors
toegenomen aantal suïcides bij cliënten van onze
instelling. Een samenhang van deze toename met het dienen van
het informatiesysteem kan slechts vermoed worden, dat zie ik
ook wel. Leerzame dagen
Omdat ik er die nacht niet van slapen kon, ben ik
gistermorgen naar Marie teruggegaan. Een uur heb ik bij haar
gezeten, mijn hand op de hare. Het leek haar rustig te maken.
Ik heb herinneringen opgehaald en ze was erg helder. Toen ik
begon over onze aanvaringen en zei dat in elk goed huwelijk
aanvaringen voorkomen, lachte ze. In het verleden heb ik wel
eens gekscherend tegen haar gezegd dat ik, als ik niet getrouwd
zou zijn geweest, het wel zou Chaos opruimen
Ik kan er niet van slapen: Marie, die heel langzaam doodgaat
aan Uitstijgen boven ...
Soms zoek ik wat rond op internet met mijn eigen naam als
zoekterm. De lezer herkent dat misschien wel. Overal kom ik
verwijzingen tegen en talloos zijn de sites waar mijn stukken,
met vermelding van mijn naam, zijn overgenomen. Overigens, ook
zonder die vermelding wordt er driftig geknipt en geplakt en
een enkele keer trof ik zelfs een stuk van mijn hand onder een
andere naam evenals een anders stuk, van mijn site geknipt,
onder mijn naam. Ik ben opgehouden mensen daarop aan te
schrijven. Zo gaat het op internet nu eenmaal. Lastig wordt het
als een stuk dat ik zelf verwijderde, omdat ik er niet meer
achter sta, elders onder mijn naam voortleeft. Ook dat komt
voor.
Uitstijgen
Bidden is geen afdwingen.
Bidden is slechts het uitstijgen boven
Daar zijn vaak maar weinig woorden voor nodig Niet veel te verwachten
Dit stuk is verplaatst naar mijn zorglog.
27-4-2006
11-4-2006
Voorbije zondag een viering met een preek van Aty van Noort,
tot voor een jaar of vijf voorganger in de wijk waar ik woon.
Kort, kernachtig, recht uit de mens, direct uit het hart. Dus
treffend, ontroerend, bezielend. Met zo'n bezieling mag de kerk
nog hoop voor de toekomst hebben, lijkt me.
De preek gaat deels over Jeremia. Wat me is bijgebleven is het
thema: ons leven rolt als een dubbeltje op z'n kant. Valt het
naar links of naar rechts? Wordt het ja of wordt het nee? Onze
hele levensweg zit vol van keuzes op het scherp van de snede:
kiezen we voor go(e)d of kiezen we voor kwaad?
In de assertiviteitstrainingen die ik bijna mijn hele
arbeidzame leven heb gegeven, gebruikte ik ook zo'n soort
beeld. Het gaat daar om de keuzemomenten: zeg ik ja (terwijl ik
nee zou willen zeggen), of zeg ik hoe ik er tegenaan kijk en
kies ik ervoor m'n eigen grenzen te respecteren. In
assertiviteitstrainingen respecteren velen de ander meer dan
zichzelf en doen van daaruit zichzelf, vaak chronisch, te kort.
Ik gebruik ook wel het beeld van het levensautootje: Ieder
rijdt het eigen levensautootje, een leven lang. En met ieder
rijdt af en toe een ander mee, soms ook meer tegelijk. In
tegenstelling tot wanneer de bestuurder in een echte auto
rijdt, staat hij of zij in het eigen levensautootje ieder die
een stukje meerijdt toe naar willekeur aan het stuur te
trekken. In de echte auto zou je dat levensgevaarlijk noemen,
in het levensautootje is het dat op den duur evenzeer!
Natuurlijk: het is goed om de ander tegemoet te komen, van
dienst te zijn. Maar niet als dat niet van harte is, als dat
tegen jezelf indruist, als dat tot gevolg heeft dat je jezelf
zo opzij schuift dat je niet tot je recht komt of dat je
zelfrespect eronder lijdt.
Gisteren hebben we Marie begraven. Ook haar leven rolde als een
dubbeltje op z'n kant. Alleen, haar zieke geest ontnam haar
dikwijls de keuzevrijheid. Haar keuze is, denk ik, dikwijls
bepaald geweest vanuit overlevingsdrang.
In de kerk mocht ik enkele woorden zeggen. Voor wie we ze
(her)lezen wil, neem ik ze hieronder over:
Goede mensen, ik ben blij vandaag het voorrecht te hebben te midden van u allen, die Marie in haar leven nabij bent geweest, te mogen zijn. In de 28 jaar die ik Marie heb mogen kennen, heb ik vele namen van haar gehoord zonder te weten wie de mensen achter die namen waren. Ik neem aan dat ook juist die mensen vandaag door Marie hier samenzijn. U zult het met me eens zijn: Marie was een bijzonder mens. Ik voel haar in deze dagen als de meest bijzondere mens die ik kende. Steeds ook weer dringen zich beelden aan me op van het verblijf van Marie met mijn vrouw en mij in Rome en met name zie ik ons op het Sint-Pietersplein, in de Sint-Pieterskerk, waar we alle dagen van ons verblijf kwamen. Marie wilde naar de paus. Marie wás bij de paus. Er was vijf meter tussen haar en hem. Ik noem dit, omdat het voor Marie de reis van haar leven was. Samen met haar gingen we omhoog naar de koepel. Sommigen van u zullen dit herkennen. Maar Marie durfde op een bepaald moment niet hoger en we posteerden haar in een hoekje waar ze kon zitten en vroegen haar daar op ons te wachten. We dachten, als het te ver zou zijn, naar haar terug te zullen kunnen keren. Maar de route bleek eenrichtingsweg: we moesten door en konden niet terug en de route was veel langer dan gedacht. En toen moesten we om die immense kerk heen, om de ingang van de route terug te vinden. En toen stond daar een file van wachtenden. We namen in overleg met een bewaker een ingang die niet genomen mocht worden en we vonden Marie op de plek waar we haar achterlieten. Ze had nog een Nederlandse mevrouw gesproken, vertelde ze opgetogen. Tegen het verkeer in keerden we naar de ingang terug. En dan: mijn bezorgdheid in die minuten tegenover haar totale onbezorgdheid! Er kon Marie gewoon niets gebeuren!
6-4-2006
Vandaag de contacten met haar familie, haar medebewoners, de
leiding van haar tehuis, de begrafenisondernemer, de pastoor,
de notaris en, volgens plaatselijk gebruik, de nabije buren.
Het was goed, alles was goed.
Ik had de eer Marie, samen met de uitvaartverzorger, vanuit
haar huis naar de lijkauto te mogen dragen. Tot op dat moment
had ik haar na haar sterven niet meer ontmoet. Vreemd, maar als
mensen die me nabij zijn overlijden, komen ze soms onverwachts
bij me terug. Niet dat ik ze zie, maar ik kan ze voelen en dat
is haast reëler voor me dan wanneer ik ze zou kunnen zien.
Zo stond een cliënt van me die zich suïcideerde de
nacht nadat ik hem voor de politie had geïdentificeerd
plotseling aan mijn bed. En mijn moeder trof ik al bij me in de
auto, terwijl haar lichaam in het ziekenhuis nog het laatste
stukje doodsstrijd streed. Van Marie realiseerde ik me
vanmorgen dat ik haar nog niet had gevoeld. Totdat ik na een
kop thee het tehuis waar ze woonde verliet. De lijkwagen bleek
er nog steeds te staan. Plotseling had hij niet meer willen
starten. En hij haperde anders nooit, zo hoorde ik! Een schok
ging door me heen. De onwillige auto was me op hetzelfde moment
geheel in de geest van Marie. Ik realiseerde me dat ze, al kon
ze niet meer leven, niet kon kiezen voor de dood, niet echt.
Wellicht verzette ze zich op datzelfde moment nog
Inderdaad: Marie had altijd al tijd nodig om zich gewonnen te
geven, soms veel tijd. Onverzettelijk kon ze zijn en in die
koppige onbuigzaamheid heb ik in de loop der jaren heel wat
strijd met haar gevoerd. Eigenzinnig als ze was, wist ze
precies wat ze wel en niet wilde en wat ze zich in het hoofd
gezet had, was daar niet uit weg te praten. Maar
eigenzinnigheid was niet het enige gelukkig: Marie was
onbaatzuchtig en vroeg niets voor zichzelf. De hang naar
materieel bezit was haar totaal vreemd. Elk bezit ervoer ze
eerder als last dan als lust. Ze was dankbaar voor alles, maar
dan ook alles wat ze wel accepteren kon en die dankbaarheid
uitte ze ook. En ze was bescheiden, bijna akelig bescheiden.
Vandaag bedacht ik hoe haar twijfel wat het geloof betreft
geduid moet kunnen worden in het licht van deze bescheidenheid.
Marie eigende zich God niet toe, evenmin als ze zich nimmer
tijd, energie of bezit van een medemens toe-eigende. Ze was
'baas van zichzelf' en zichzelf genoeg. Het rijkst is wie het
minst verlangt, zei Seneca. Plotseling kan ik Marie nu als
voorbeeld zien.
5-4-2006
De praktijk is anders dan dat er 'gewoon' een goed gesprek
gevoerd kan worden. Administratieve systemen worden regelmatig
vernieuwd. Codes worden veranderd en diverse combinaties van
codes worden als fout uitgespuwd en keren keer op keer bij
degene die ze aanleverde terug. De computer is hardleers en
zonder begrip. Secretaresses weten er kennelijk geen raad mee
en beloven het uit te zullen zoeken en als dat ook niet lukt,
besluit ik uiteindelijk maar met zo'n cliënt gewoon mijn
werk te doen en houd ik de contactgegevens verder buiten de
administratie. Dat impliceert dat mijn instelling voor deze
contacten niet meer wordt betaald. Dat ikzelf zo doende niet
aan mijn productie kom, godgeklaagd dat ik het zo moet
schrijven, raakt me inmiddels minder. Maar ik verkeer in de
bevoorrechte situatie van afbouwing van mijn werkzaamheden en
voor anderen ligt het niet zo makkelijk. Dat zie ik ook
wel.
Al schrijvend voel ik mijn agressie naar dit alles. Maar ja, ik
ben iemand die, als ik op het moment van een afspraak met een
cliënt het gebouw van mijn instelling binnenkom en dan
nóg een extra cliënt tref die op mij wacht en die
vooraf met de administratie belde om te vragen hoe laat ik
aanwezig zou zijn, beseft dat er iets dringends aan de hand
moet zijn, waarvoor ik ruimte moet maken, of dat nu uitkomt of
niet. Als het er op aankomt, moeten 'mijn mensen' op me kunnen
rekenen. Is dat ouderwets? Of is dat alleen maar zoals het
moet? Ik heb er moeite mee dat ik, naast mijn werk zoals ik dat
zie, informatie die in het dossier is opgetekend keer op keer
moet overschrijven op daarvoor geëigende formulieren. Maar
ik mag niet klagen. Mijn ingesproken brieven worden nog immer
door de secretaresse getypt. Dat is een soort verworven recht,
omdat dat vroeger nu eenmaal zo ging. De jongere generatie
heeft dat recht niet meer en mijn collega's besteden dus nog
meer van hun uren aan het eigenhandig voeden van het
administratieve oppersysteem. Nee, ik mag niet klagen. En toch
bekruipt me nog immer het gevoel dat er iets niet klopt, dat
het beter zou moeten kunnen. Het systeem naar menselijke maat
te smeden: dat zou ik als een uitdaging kunnen zien. Ik verlang maar één ding:
terug naar de ziel van de zorg en weg met alles wat dat in de weg staat.
4-4-2006
Toch, hoe zal ik haar eenzaamheid peilen? Wellicht door haar
psychiatrische ziekte is zij nooit getrouwd. Ze was goed in het
zich terugtrekken in zichzelf. Eenmaal trof ik haar op een druk
kruispunt in haar woonplaats, fiets aan de hand, volledig
catatoon. Ik kwam in de file die ze veroorzaakte. Iedereen
wurmde zich voorzichtig langs haar heen. Toen ik haar zag,
stapte ik uit en liep naar haar toe. Toen ik haar aanraakte,
zei ze: 'O, ben-ie 't.' Ik geleidde haar naar het trottoir,
waarna het verkeer z'n loop hernam. Misschien was ik de enige
mens die dat zo kon doen. Hoe ongelooflijk veel heeft ze in
haar catatonie niet naar de einder gestaard, waarschijnlijk
zonder iets daarvan te zien?
Marie was en is ook een vrouw die vooral weet wat ze (niet)
wil. Ze is 'baas over zichzelf'. Zo was ze in haar leven, zo is
ze in haar sterven. In die nacht bedacht ik dat we haar
wellicht iets moesten aanbieden als morfinepleisters of iets
anders, zodat ze rustiger zou worden en misschien wat eerder
zou kunnen sterven. Ik wilde van haar horen of ze dat zou
willen, maar eigenlijk kende ik haar antwoord al bij voorbaat:
'Nee!' Ik kon weer slapen nadat ik het met haar besproken had.
Doorwaakte uren leveren altijd iets op. Ik was dat extra uur
dicht bij Marie en ik zag dat het goed voor haar was. Mijn
tranen maakten zich van me los en ik kon weer door. Terwijl we
zo samen waren, hoorden we de geluiden van het huis en de
medebewoners. 'Het leven gaat gewoon door, Marie', zei ik. 'Dat
is goed', reageerde ze.
Opnieuw vroeg ik haar of ze nog iets aan me kwijt wilde. 'Nee,
het is goed.' Toen was het ook goed en kon ik op pad om
voorafspraken te maken voor haar begrafenis. Ik weet niet meer
zo of ik bidden mag dat deze dagen voor Marie mogen worden
bekort. Voor mij zijn het in elk geval leerzame dagen.
Dat uur aan het bed bij Marie bracht me achteraf terug op de
interne afdeling van het ziekenhuis waar heb gewerkt in de
eerste helft van de zeventiger jaren. Twee zaaltjes met elk zes
of acht patiënten, dat was mijn werkplek op die dag.
Eén van die mensen had longkanker, was angstig en
benauwd. Hij had niet lang meer te leven. Net als bij Marie zat
ik aan zijn bed, mijn hand op de zijne. Maar de hoofdzuster zag
mijn taak anders dan ik die zag. In het andere zaaltje vond ze
stuifmeel onder de bloemen op een nachtkastje. Dat kon dus
niet. Ze drukte op de bel en nam op haar horloge op hoeveel
seconden ik erover deed om ter plekke te zijn om haar orders in
ontvangst te nemen. Ik was zeer nalatig geweest, zo werd me zonder ruimte voor discussie te
verstaan gegeven. Ik voel nog hoe mijn bloed kookte, hoe ik
erop had willen timmeren. Ik kon me beheersen. Dat heb ik in
dit leven prima geleerd. Maar of dat gezond is? Ik heb dat
moment nooit verwerkt. Na die week ben ik ook niet meer op die
afdeling terug geweest.
3-4-2006
Ga ik met haar huisarts overleggen om haar een morfinepleister
te geven, zodat ze misschien makkelijker het bewustzijn
verliest? Of doe ik haar daarmee geweld aan? Gek, die pleisters
worden schijnbaar alleen gegeven bij pijn en Marie voelt geen
pijn, zegt ze. Maar wat weten wij van hoe het bij Marie van
binnen is? Wat van wat voor haar pijn is?
Ik moet terugdenken aan die keer toen ik haar nog maar kort
kende: kennelijk wilde ik te veel of te snel of niet op het
juiste moment en voelde ze zich zo bedreigd dat ze een hooivork
greep en dat ik moest lopen voor mijn leven. Pas toen de kust
veilig leek, kon ik terug het erf op om mijn auto te halen. Ik
heb sindsdien begrepen dat het niet normaal is om ondanks
dergelijke risico's mensen toch niet los te laten, maar bij ze
te blijven. Maar normaal is niet voor iedereen hetzelfde.
Gistermorgen zag ik een stukje van KRO's 'De wandeling'. Een
machinist die besloot, nadat hij voor de negende keer iemand
onder zijn trein had zien lopen, om geen machinist meer te
zijn. Ik kon zijn verhaal zo meevoelen: ergens is een grens aan
wat een mens (ver)dragen kan. Ooit sprak ik met zo'n machinist.
Hij had tweemaal een suïcide meegemaakt en was daar zo
kapot van dat hij naar een soort herstellingsoord was gestuurd.
Op de eerste rit die hij na die herstelperiode maakte, liep er
weer iemand voor zijn
Niet dat ik suïcide veroordeel. Ik vind dat ik een ander
niet zo kan kennen dat ik mij over zo'n laatste beslissing een
oordeel zou mogen aanmatigen. Want wat weten we van elkaar? Wat
weten we niet? Als hulpverlener verloor ik door de jaren heen
zo'n twintig cliënten door zelfdoding. Ik ken dat zo, van
die machinisten: wat had ik anders kunnen
De dood alleen kent de genade de chaos op te ruimen die geen
mensenkind meer op orde brengen kan.
1a-4-2006
Vandaag trof ik een fragment van een stuk dat ik schreef als proza.
Het was letterlijk overgenomen, maar omgezet in dichtvorm en
mijn naam stond er netjes onder. Ik vond het mooi en sta er ook
zo helemaal achter. Hieronder neem ik het over, met dank aan http://tafelpraat.web-log.nl/, wie daar ook achter moge zitten.
Het mag geen poging zijn om te ontvangen.
je wereldse beslommeringen
en jezelf open en eerlijk
geven:
aan jezelf,
aan de grotere God en
aan je medemens, die je door God gegeven is.
en soms zijn er helemaal geen woorden nodig.
Toch is dit bidden
het geheim
waarin je jezelf weggeeft
om jezelf terug te vinden.
1-4-2006