Anne Frank
Mensen om van te houden
De klompen en de orchideeën
Aandacht geneest
Alzheimer
Als je ongeboren kindje gehandicapt is
Zwerfafval
Kort lontje
Declareren in de zorg
Rijksmusea, de Volkskrant en De Telegraaf
Per auto en per trein
Vaderloos
Tranen zuiveren de ziel
Maria Magdalena
Kinderen zonder opvoeders
Te veel gevraagd?
Goed zoals je bent
Pinksteren Het goddelijke
Na een natte en koude periode scheen vandaag geregeld de zon.
Ik voel hem nu, in de avond, nog op m'n gezicht. Ik fietste en
wandelde in Gods vrije natuur, zat op de bank waar ik geregeld
zit in de zon en later ook nog op een kennelijk nieuw
geplaatste bank. De natuur leefde volop, insecten zoemden,
vogels deden de bladeren van de bomen ritselen en floten het
hoogste lied. Ooievaars speelden met de wind. Ik maakte wat
foto's van de kleurrijke velden, vol wilde bloemen. Ik was daar
tamelijk alleen. Slechts een enkele andere rustzoeker kruiste
mijn pad.25-6-2006
Vanmiddag zag ik het slot van een Amerikaanse dramafilm over
het kampleven van Anne Frank. Of een en ander historisch
verantwoord is, betwijfel ik, omdat ik tot nu toe dacht dat
daarover nauwelijks iets bekend is. Maar misschien zit ik er
naast?
Ik vond de beelden erg indringend. Bergen-Belsen werd
uitgebeeld. Ik ben daar als twintigjarige ook zelf geweest, in
het herinneringskamp. Het was het eerste concentratiekamp dat
ik bezocht en ik kan mijn emoties van toen nog altijd oproepen.
De confrontatie met het kwaad in uiterste vorm lijkt me
tegelijk met het klimmen der jaren steeds zwaarder te vallen.
Het is onvoorstelbaar wat mensen andere mensen aandeden,
slachtoffers onderling incluis. Er is geen reden om aan te
nemen dat dat soort dingen vandaag niet meer gebeuren, alhoewel
ik durf te hopen dat de massaliteit van het kwaad van toen niet
kan worden geëvenaard.
Ik zag in de film ook wat voor kansen voor het goede juist in
de duisternis van al dat kwaad verborgen liggen. 'Wie
één mens redt, redt de hele wereld', is wel eens
gezegd. Uit de geschiedenis weten we dat wat er in de kampen
gebeurde, meestal achter het prikkeldraad bleef. Maar er waren
mensen, ook ín de kampen, die uit waren op het goede,
die het kwaad niet de rug toekeerden, maar trachtten van
binnenuit bij te sturen of minstens midden in het kwaad goede
daden neer te zetten. Juist daar is het kleine altijd
groot!
Ik denk dat ze bij elkaar horen, het goed en het kwaad. Zonder
het één kan het ander niet overleven. Ze zijn
elkaars katalysator. Daarom zullen we uiteindelijk het kwaad
als zodanig moeten accepteren, zodat we de ruimte vinden daar
een eigen antwoord op te geven. Het goed gedijt in het kwaad,
net als andersom. Het is niet anders.
24-6-2006
Vanmorgen bij
Inmiddels komt vanonder de luifel van het koffietentje een
penetrerende rooklucht en ik moet mijn positie veranderen.
Kennelijk hebben ze daar een voor roken aangewezen stuk, zonder
dat er deugdelijke afzuiging is. Ik sta nu meer bij de mensen
die een onbekend iemand opwachten door een bordje met een naam
op te houden.
Het blijft maar doorgaan, het gekrioel van mensen en de vele,
vele ontmoetingen. Ik merk dat het me vertedert, ik voel me op
een of andere manier geraakt. Allemaal mensen die op andere
mensen wachten, die uitzien naar juist díé
mensen. En er kan onderling niet uitgewisseld worden. Ik voel
m'n ogen vochtig worden. Komt 't nog van de tabaksrook? Ik elk
geval niet alleen daarvan. Voor ieder lijken er mensen te zijn
om van te houden en tegelijk heeft ieder z'n eigen mensen die
van hem (of haar) houden. En we zijn nog niet zover dat we de
ruimte hebben om van ál die mensen te kunnen houden, om ze
allemaal belangrijk te vinden. Oude banden worden aangehaald en
daarmee lijkt de ruimte veelal opgevuld. Ik merk dat ik zoek
naar reizigers op wie niemand wacht, of op wachtenden voor wie
er niemand schijnt te komen. Ze zijn er wel en je kunt niet
zeggen dat zij er ongelukkig uitzien. De reizigers die niemand
verwachten, maken zich met voorrang uit de voeten, misschien
richting auto, of trein. Hun weerzien wacht nog even. En ieder die een ander zoekt of
verwacht, vindt of wordt gevonden, hoe chaotisch de situatie af
en toe ook lijkt. Zoveel 22b-6-2006
Normaal loopt hij op klompen, zelfs in zijn functie van
voorgaand gemeentelid in de PKN-gemeente hier in de wijk. Nu
tref ik hem in de avondschemering aan de waterkant, op laarzen.
Gehurkt verzamelt hij afgemaaide paarse bloemen, die hij
behoedzaam bijeen legt in zijn hand.
Ik had ze vandaag wel gehoord, de mannen die met van die
lawaaimachines met aan de voet zo'n snel ronddraaiend
nylondraadje het hoge gras in het ringpark hier vlakbij tegen
de vlakte legden. Wanneer zal de tijd rijp zijn dat er met de
zeis weer de kost kan worden verdiend?
Hij, die ik zo dikwijls speurend, fototoestel op de borst, in
de natuur rond zie gaan, blijkt met orchideeën in de hand
te staan. Dit hoekje aan het water telde zeker 80 tot 90
plantensoorten, vertelt hij. En nu is alles dus weer weg. Die
orchideeën, die hadden niet gemaaid mogen worden. Die zijn
beschermd. Hier had daarom pas einde zomer gemaaid mogen
worden.
'Ze doen maar', zeg ik, 'ga je er melding van maken?' 'Zeker
wel', antwoordt hij. 'Het helpt vaak zo weinig', zeg ik. Hij kijkt
me aan. 'Het is onkunde', antwoordt hij, 'er is jaren geleden
een plan gemaakt en volgens de regels van toen wordt er
gemaaid. Maar er wordt niet gekeken naar hoe zo'n stuk zich
door de jaren heen ontwikkelt. Misschien laat ik nog wel proces
verbaal opmaken.' Hij kijkt even omhoog. 'In elk geval moeten
ze het weten, dan kan het volgend jaar anders gaan. Als ze dan
wéér maaien, hebben ze een bekeuring.' Hij is
even stil. 'Ik moet er nog een nachtje over slapen', besluit
hij dan.
Een vriendelijk mens, wat excentriek, maar door en door echt.
Niet haatdragend, wel geduldig, liefdevol, open. Constructief
bezig met zijn eigen dingen. Zo'n mens, daar kunnen we er meer van
22-6-2006
'Aandacht geneest' is de kop van een artikel van Bert van der
Kruk in NCRV-gids 25/2006. Het is een artikel over
gebedsgenezing en over de Levensstroomgemeente in Leiderdorp en
Jan Zijlstra, de gebedsgenezer. Ik vind in het artikel nogal
wat uitspraken, o.a. van godsdienstpsychologe dr. Joke van
Saane, die aansluiten op hoe ik deze dingen ben gaan zien.
Vroeger, als tiener en eerste helft twintiger, imponeerde het
verschijnsel gebedsgenezing ook mij zeer. Van huis uit kreeg ik
vooral waarschuwingen mee in verband met het risicovolle aan
geloofsrichtingen die gebedsgenezing aanhingen. Ik leerde in
die tijd zelf te ervaren dat 'Bid en u zal gegeven worden' niet
klopt. Bij mij klopte het niet. Dat hielp mee om gebedsgenezing
te kunnen leren laten voor wat het was.
Niet dat ik niet geloof dat het kan, genezen worden door gebed.
Dat zal vast en zeker kunnen. Maar ik geloof niet meer dat dit
voor iedereen die gelooft is weggelegd. Wat een onrecht zit er
overigens in zo'n geloof naar mensen die geen gebedsgenezing
krijgen!
Eén op de drie mensen die hoopten op lichamelijke
genezing, heeft bijeenkomsten als die van Zijlstra bijgewoond.
Een kwart daarvan geeft aan dat ze na het bezoek genezen zijn.
Het gaat dan met name om klachten als depressies, burn-out,
hoofd- en rugpijnen en de 'onbegrepen ziekten' fibromyalgie en
ME. Van Saane leidt daaruit af dat gebedsgenezing vooral een
kwestie van psychologie is, vergelijkbaar met het
placebo-effect. 'Het feit dat iemand aandacht voor je heeft,
dat iemand jou naar voren haalt en je de handen oplegt
- dat alleen al werkt genezend.' Het gaat vaak om kwalen
bij mensen in een slachtofferrol, mensen die zich volstrekt
afhankelijk opstellen en zich helemaal overgeven aan iets van
buitenaf, mensen die niet de verantwoordelijkheid voor hun
eigen leven nemen. Bij een grote groep keert de ziekte dan ook
terug. Het merendeel van de mensen die genezing vonden,
ontwijkt daarmee de huisarts, omdat ze denken dat die het toch
niet zal geloven.
Het zou mooi zijn als God, wie of wat dan ook, scheutiger zou
zijn met dit soort wonderen. Ikzelf had wel eens contact met
een mevrouw die, volgens haar zeggen, door gebedsgenezing
complete gouden kronen in de mond gekregen had. Ik heb haar
toen gevraagd om haar voor mijn site te mogen interviewen, maar
daar wilde ze niet op ingaan. Mijn geloof deugde niet, zoveel
begreep ik wel van haar.
Dat aandacht helend werkt, dat is me wel duidelijk. De ruimte
vinden om je uit te spreken, een mens die echt in je
geïnteresseerd is en die ook nog wat van je begrijpt, die
je accepteert zoals je bent en voor wie je deugt, zelfs in je
donkere kant, dat is een medicijn bij uitstek. Ik gun elke
zieke die genezing zoekt zulke mensen in de nabijheid. Soms
gebeuren en dan wonderen.
21-6-2006
Hij is even oud als ik. Hij kampt al enige jaren
met Alzheimer. Zestig is eigenlijk te jong daarvoor,
Vanmiddag hebben we, mijn vrouw en ik, hem daar bezocht. Een
groot tehuis, zo te zien, in een semi-permanent
gebouwencomplex. De nieuwbouw er vlak naast, ik nam aan dat het
nieuwbouw van het verpleeghuis betreft, nadert zo te zien z'n
voltooiing.
De bordjes door de gangen wijzen ons de weg. Eerst volgen we de
'Hoofdweg', daarna houden we de afdeling aan. We zijn niet mans
genoeg om te beseffen dat we met het indrukken van de knop van
de afdelingsdeur, die we voor een bel aanzien, tegelijk de deur
kunnen openen. Vanaf de binnenkant is er een viercijferige
pincode nodig
Als we op de afdeling bijna op de plaats van bestemming zijn,
kruist hij op de gang letterlijk ons pad. Doelbewust lijkt hij
op weg. Ik spreek hem aan. Hij heeft even tijd nodig, dan is er
herkenning en lacht hij verrast. Mijn vrouw zoent hem.
Even lijkt hij te willen weten hoe
We lopen de aangrenzende woonwijk, uitbundig oranje versierd,
in, op zoek naar ijs, waar hij dol op is. Als ik een jongeman
die zijn auto wast, vraag, blijkt er 'hier' niets te zijn. Hij
schat een kilometer of drie hiervandaan en hij legt ons uit hoe
te rijden. Terug dus maar naar de auto.
Het ijs smaakt hem goed. Ons ook. Het is kennelijk een
kwaliteitsijssalon hier. Dan maken we ter plekke nog een
wandelingetje. Hij is steeds meer scheef gaan lopen en dat
beperkt zijn actieradius sterk. Hij heeft het over Bedum en
denkt dat wij daar wonen. Hier wil hij niet zijn, zo maakt hij
duidelijk, 'zo midden tussen sommige mensen die aan het gek
worden zijn'. Hij wil naar huis. Hij wilde dat hij een fietsje
had, maar fietsen is al lang niet meer verantwoord, als hij het
al nog zou kunnen. Keer op keer vertellen we hem dat zijn vrouw
hem zondag op zal halen en dat hij dan weer naar huis mag. We
spreken niet over dat het thuis niet gaat en dat het niet te
lang meer mag duren.
Ineens loopt hij met het zakje van zijn mondharmonica in de
hand en met z'n portemonnee. De mondharmonica is er niet, die
zal hij wel op tafel hebben laten liggen. Totdat hij, een half
uur later, hem toch ineens tevoorschijn tovert. Waar hij
vandaan gekomen is, weet hij zelf ook niet.
We rijden terug naar het verpleeghuis. 'Kan ik
We brengen hem terug, treffen in de hal een hulpverlener die
hem aanspreekt, maar die hij niet kent. 'Tot morgenochtend',
zegt de man. 'Die ken ik van de bouw', zegt hij die aannemer
was, als we doorlopen. We bekijken zijn slaapkamer. Hij prijst
zijn bed. 'Ik ben de nachtwaker', zegt-ie dan. Hij lacht er
zelf om. We vinden zijn woonkamer. Twee helpsters zijn, zo te
zien, bezig met een kar met warme maaltijden. Ze kennen hem
wel. We zetten hem op een stoel en vragen hem mondharmonica te
spelen. Dat wil-ie wel. Juist een paar weken geleden vroeg ik
hem een bepaalde melodie te spelen en die zette hij toen meteen
in. 'Hup Majanneke, stroop in 't kanneke', zeg ik. Maar hij
ziet het anders. Voorzichtig zet hij in, een treurige melodie,
langzaam gespeeld, volgens mijn vrouw iets uit 'Johannes de
Heer'. Tijdens het spelen lonkt-ie naar een jongedame aan de
etenskar. Nog een tweede melodie volgt, hij kiest zelf vandaag,
al even treurig. Of is dat meer mijn stemming?
We moeten gaan. Als ik omkijk, zie ik dat hij niet
19a-6-2006
'Beslissen over ongeborene is traumatisch', kopt de Volkskrant.
En boven het artikel van Ellen de Visser zelf: 'Beëindigen
zwangerschap is voor God spelen.'
Verloskundige Marijke Korenromp onderzocht en volgde ouders die
een zwangerschap beëindigden vanwege een ernstige
afwijking bij het kind. Ze sprak bijna duizend ouders die een
zwangerschap hadden laten afbreken nadat prenataal duidelijk
was geworden dat het kind een ernstige afwijking had, als het
syndroom van Down of een open ruggetje. De verwerking van het
zelf gekozen verlies blijkt gecompliceerd te liggen. Het in de
beslissing vooral gerekend hebben met het eigen belang, leverde
vaak extra schuldgevoel op, als een beletsel om te mogen
rouwen.
Negentien procent van de vrouwen en tien procent van de mannen
kampt langer dan anderhalf jaar met problemen als depressieve
gevoelens, vermijdingsgedrag (kraamvisite) en opkomende beelden
van hun overleden kind. Hoe sterker de twijfel was over het
besluit de zwangerschap af te breken, hoe moeizamer de
verwerking ervan blijkt.
Veel paren zijn zich misschien niet eens bewust hoezeer een
zwangerschap hen voor grote beslissingen kan plaatsen. Alleen
al de uitslag van prenataal onderzoek te willen kennen, is zo'n
beslissing. Alles kan goed zijn, maar ook
Het is goed dat (aanstaande) ouders zich bewust zijn van voor
welke dilemma's de medische wetenschap hen al tijdens de
zwangerschap kan plaatsen. En dan nog: gaat het niet om in al
hun menselijkheid onmenselijke beslissingen?
Elk jaar laten in Nederland meer dan vijfhonderd ouderparen
vanwege zo'n afwijking een zwangerschap beëindigen en het
aantal neemt toe. Veel ouders laten onderzoek doen ter
geruststelling en staan misschien soms te weinig stil bij de
mogelijkheid van een negatieve uitslag. Als één
ding duidelijk is: voor en in een zwangerschap is wijsheid
nodig en evenwicht.
19-6-2006
Staatssecretaris Van Geel van Milieu heeft een overeenkomst met
de gemeenten gesloten om zwerfafval het hoofd te bieden door
controles en boetes van wellicht zo'n 50 euro. Het gaat dan om
het op straat gooien van frietbakjes, papiertjes en
blikjes.
Gisteren fietste ik de Punthorstroute, een route die voor een
belangrijk deel de gemeente Staphorst doorkruist. De zondag is
een goede dag voor deze route. Op doordeweekse dagen wordt de
fietsvreugde ter plekke vaak nogal verstoord door snel en
onbehoorlijk rijgedrag. Soms denk ik, op het verkeer afgaande,
dat in deze gemeente een mentaliteit heerst die uit de band
springen noodzakelijk maakt. Kortom: op een doordeweekse dag
zou ik het fietsen van zo'n route als extra risicovol hebben
ingeschat.
Zo niet gisteren. Het is daar, in alle rust, een mooi en
afwisselend gebied. Eén ding valt echter de laatste
jaren toenemend op: het in de bermen van de wegen gedeponeerde
huisvuil. Ook gisteren sprong dat onaangenaam uit. Kennelijk
wordt buitenaf of in het bos de auto gestopt om een paar zakken
afval of andere zaken gewoonweg in de berm te lozen. Het
verschijnsel doet zich overigens niet alleen in Staphorst voor.
Ook bijvoorbeeld in grote delen Limburg loop je er niet
omheen.
Natuurlijk heb ik een vermoeden over wat hier aan de hand is.
Wellicht wordt het huisvuil ter plekke gewogen en is de enige
motivatie om het in de natuur te lozen een financiële.
Optreden tegen deze vorm van vervuiling vind ik in het
artikeltje in 'Trouw' van vandaag niet terug. Misschien moet je
ook wel fietser zijn om deze trend waar te kunnen nemen. Ik
nodig de staatssecretaris uit deze route ook eens te fietsen.
Daarbij ga ik ervan uit dat mijn mailtje van vanmorgen aan de
gemeente niet direct een opruimactie tot gevolg zal hebben.
18-6-2006
Onder de titel 'Meppen op de hulpverlener' doen in de
Volkskrantbijlage van gisteren een brandweerman, een
verpleegkundige van de afdeling spoedeisende hulp en een
ambulanceverpleegkundige hun verhaal over de agressie die zij
in hun werk tegenkomen.
Inderdaad lijkt de agressie toe te nemen. Ik heb dat in mijn
werk als Riagg-hulpverlener ook gezien. Mensen wensen, meer dan
twintig of dertig jaar geleden, op hun wenken bediend te worden
en zelf te bepalen welke vorm van hulp er nodig is. Een
belangrijk deel van deze problemen doen zich voor bij
cliënten met een persoonlijkheidsstoornis, bovendien vaak
onder invloed van drank. Ikzelf weigerde, nadat ik acute
suïcidaliteit had uitgesloten, met mensen onder invloed te
communiceren en nodigde ze voor de volgende morgen half negen
uit. Dat is me lang niet altijd in dank afgenomen, maar het
heeft me ook nooit echt geschaad. Voor een belangrijk deel is
dat ook een kwestie van geluk, denk ik. De ene keer dat ik wel
(kort) buiten westen ben geslagen, was buiten, 's nachts
en er stonden twee politiemannen achter me. De man was
psychotisch en waarschijnlijk daardoor doodangstig. Twee weken
naderhand schreef hij me een excuusbriefje vanuit het
psychiatrisch ziekenhuis waar hij die nacht was opgenomen.
Zestig procent van de ambulanceverpleegkundigen krijgt te maken
met geweld, zo blijkt uit onderzoek. Als gevolg daarvan kan twaalf
procent van hen het werk niet meer doen. Volgens Ed Worm,
voorzitter van AmbulanceZorg Nederland, wordt het steeds erger
met de agressie en doen medewerkers geen aangifte uit angst
voor represailles.
Van de brandweerlieden is in de voorbije twaalf maanden
achttien procent met fysiek geweld geconfronteerd. Van de
psychiatrische hulpverleners liep in 2003 veertien procent
lichamelijk letsel op. In 2005 registreerden 29 ziekenhuizen
die deelnemen aan het project Veilige zorg 1.560
agressie-incidenten (in 2004 1.145).
Het kan zijn dat een deel van de agressie samenhangt met de
onmacht van mensen. Onmacht om invloed te hebben op het beleid.
Onmacht als de plaatselijke brandweerkazerne of ambulancepost
het veld moet ruimen. Onmacht als medici in ziekenhuizen
herhaaldelijk geen tijd hebben om te luisteren of te
overleggen. Mensen voelen zich uitgeleverd, missen het gevoel
dat ze belangrijk zijn en serieus genomen worden. Wat dat
betreft kan er in ambtelijk Nederland nog heel wat verbeteren.
Want, al lees ik daarover niets, het zou me niet verbazen als
er samenhang is tussen het korte lontje bij veel mensen en de
houding die onze overheden en instellingen tegen hen aannemen.
Ik hoorde een buurman ooit verbijsterd zeggen: 'De gemeente,
die is er toch voor ons?' Het antwoord is vaak helaas 'nee'. De
gemeente is slaaf van de eigen regeltjes en is verleerd haar
mensen zelfs maar te zien. Daardoor worden mensen gefrustreerd
en als er daarvan genoeg elkaar steeds maar opvolgt, wordt het
lontje vanzelf korter. Ik pleit ervoor meer oor en minder mond
(of brief) te zijn, mensen meer te betrekken en meer invloed te
geven.
16a-6-2006
Vandaag in het nieuws: Vorig jaar declareerden met name medisch
specialisten voor een half miljard euro te veel bij de
zorgverzekeraars. Het NOS-journaal (tv) van 11 uur vanmorgen
heeft het over één à twee miljard euro.
Uit de berichten begrijp ik dat al 566 miljoen euro
hiervan is aangetoond en ook teruggevorderd zal worden. Het
betreft dan zo'n 35 euro per Nederlander.
De brancheorganisatie Zorgverzekeraars Nederland gaat niet uit
van fraude, zo begrijp ik. Het vorig jaar vernieuwde en te
ingewikkelde declaratiesysteem met maar liefst 30.000 tarieven
zou de oorzaak zijn. Het controlesysteem van ziekenhuizen zou
volgens ZN compleet lek zijn.
Af en toe kwam ik het als verzekerde ook zelf tegen, niet
kloppende declaraties. Eén voorbeeld zal ik hier geven,
maar het is zeker niet het enige dat ik uit eigen ervaring heb:
Het zal bijna dertig jaar geleden zijn dat mijn zoon in het
plaatselijke ziekenhuis werd geopereerd. Op vrijdagmorgen werd
hij naar huis ontslagen. De rekening die ik als particulier
verzekerde zelf ontving, stelde de ontslagdatum op de maandag
erna! Ik nam daarover contact op met mijn verzekeraar die de
rekening zou vergoeden, maar daar was men niet
geïnteresseerd en noemde men dit gebruikelijk.
Ik weet niet of er sindsdien meer interesse is gekomen voor
foutieve rekeningen, want ik zie het bovenstaande
voorbeeld wel als fraude. Wel weet ik vanuit mijn eigen
vroegere werk als Riagg-hulpverlener hoe gevoelig
declaratiesystemen zijn en met name hoe verleidelijk het kan
zijn creatief te declareren. Ik verbeeld me niet dat dat in
mijn instelling niet gebeurde en gebeurt.
Ik vraag me nog immer af of in de zorg een verrichtingensysteem
echt beter is dan vaste salarissen voor alle hulpverleners,
medisch specialisten in het bijzonder, en zorg op maat. Als dan
ook nog kritisch gekeken wordt naar de noodzakelijkheid zowel
als de wenselijkheid van vervolgconsulten 15a-6-2006
De Tweede Kamer blijft erbij dat de rijksmusea gratis
toegankelijk moeten worden voor Nederlanders die een
belastingaangifte moeten invullen, zo begrijp ik uit 'de
Volkskrant' van gisteren. Staatssecretaris Van der Laan van
Cultuur ligt dwars, vindt dat de verschillende behandeling van
Nederlanders en buitenlanders die dan ontstaat, discriminatie
is en wijst erop dat de Europese rechter bepaalde dat
Italië om die reden Italianen niet gratis toe mag laten in
musea. Van der Laan zal de motie van de Kamer dus voorleggen
aan het kabinet.
Het bericht is duidelijk: een verschil van inzicht en een
rechterlijke uitspraak maken dat de zaak nog niet is
uitgevochten en nog (lang) niet duidelijk is.
Gisteren reisde ik met de trein. Ik had daardoor de gelegenheid
hetzelfde bericht ook te lezen in 'De Telegraaf' en de
'Spits'.
De Telegraaf meldt simpelweg dat de rijksmusea gratis
toegankelijk worden en dat Van der Laan gedwongen is de deuren
wagenwijd open te zetten. Spits meldt dat de vaste collecties
van de rijksmusea voortaan gratis toegankelijk zijn en dat
buitenlanders, die in een museum als Van Gogh 80 procent van
het aantal bezoekers uitmaken, gewoon moeten blijven betalen.
De partijen lijken het volgens deze bladen dus met elkaar eens
en er ligt kennelijk ook al geen uitspraak van de Europese
rechter.
Oordeelt u zelf wat het echte nieuws is.
15-6-2006
Gisteren ben ik voor het eerst per trein naar mijn vader
gereisd. Ik kom daar, sinds hij vrijwel blind werd, minstens
één dag per twee weken. Ik heb de rit heel wat
keertjes per auto gemaakt, het voorbije jaar. Eenmaal trof ik
driemaal een file en deed ik twee volle uren over de 120
kilometer, maar meestal was ik in zo'n vijf kwartier of ietsje
meer van deur tot deur. Tegenwoordig rijd ik een Prius. Dat
schijnt zo'n beetje de minst milieuschadelijke auto te zijn. De
elektronica van die auto geeft zo exact het verbruik en de
fluctuaties daarin van de laatste dertig minuten weer dat ik
snel merkte dat ik op de autoweg niet graag meer 120 rijdt,
maar het met wat minder doe. In reistijd blijkt het slechts
enkele minuten te schelen. Ik heb het voorrecht me op de weg
niet te hoeven haasten, omdat ik op tijd op pad kan gaan.
Nu had ik verschillende keren gehoord dat de trein het
tegenwoordig veel beter doet dan in voorgaande jaren. Gisteren
dus met de trein. Van station tot station zou ik er, zo had ik
op de reisplanner gezien, bijna twee uur over doen, inclusief
tweemaal overstappen. Aan deze en gene zijde samen zouden daar
dan 20 loopminuten, goed voor de gezondheid, bijkomen. De bijna
twee uur werden er op de heenreis echter bijna drie. Ik belde
onderweg driemaal met mijn vader over de oplopende vertragingen
en ik kon een leeftijdgenoot van mijn vader met mijn telefoon
helpen, zodat ook hij zijn afhaler kon informeren. Soms lijkt
reizen met de trein goed voor de telecomproviders.
Op het station van vertrek hoorde ik van een mevrouw dat er
rond Utrecht storing was. Maar voor ik daar aan zou komen,
zouden we ruim vijf kwartier verder zijn, rekende ik uit. De NS
zelf meldde niets over de storing, ook niet in mijn tweede
trein, van Amersfoort naar Utrecht. Deze begon al ver voor
Utrecht steeds opnieuw midden in de wereld te stoppen en kwam
af en toe slechts stapvoets vooruit. Sommige medereizigers
wisten, misschien door het bellen met familie of collega's, van
een stroomstoring. Te laat voor mijn aansluiting kwamen we in
Utrecht aan. Daar was het aardig druk. Mijn derde trein was er
niet meer, maar zou, volgens de gele dienstregelingborden, na
een halfuur vanaf een ander perron opnieuw vertrekken. Op dat
perron werd echter een heel andere trein aangegeven, zodat ik,
als relatief onervaren treinreiziger, poolshoogte ging nemen in
de centrale hal. Ik trof een mevrouw van NS met een
reflecterend jack met daarop het woord 'info'. Ze keek
enigszins verwilderd om zich heen. Toen ik haar vroeg naar mijn
trein, reageerde ze met zich af te wenden en niet meer bij mij
terug te komen. Toen werd ik aangesproken door een man met een
microfoon, waaraan een man met een camera. Hij vroeg of hij mij
wat mocht vragen. Waarvoor het was, vroeg ik. Het was voor
rtl-nieuws. Hij mocht wat vragen van me. Ik was toch even mijn
richting
En toen zag ik hoog boven me het grote overzichtsbord van de
dienstregeling dat ik eerder over het hoofd gezien moest
hebben. Alles op dat bord leek in beweging en ik begreep dat er
alles aan gedaan werd om mij en de anderen verder te helpen.
Even later stond mijn trein er duidelijk tussen op dat bord,
inderdaad op het perron waar een heel andere bestemming
aangegeven werd. Maar ik wilde nog even naar het toilet. Dat
kost ter plekke 50 cent. Ineens herinnerde ik me de berichten
over te veel poep op de rails en daardoor slippende treinen.
Overigens, later in de trein was de wc bepaald niet schoon en
er was geen water, niet om door te spoelen en niet om handen te
wassen. Dat gaf me over die hele trein geen fris gevoel.
Op het perron trof ik een bekende van de leeftijd van mijn
vader. Hij wachtte op dezelfde trein, die inmiddels ook ter
plekke stond aangegeven en weldra binnenrolde. Na even met de
man gesproken te hebben, wist ik ineens dat deze hele chaos ten
minste het doel had gediend mij met hem in contact te brengen.
Hij was bezig met de dingen van zijn leven, de schaduwkanten,
alles wat hij had meegemaakt. Hij zocht doel en samenhang en
hij leek het allemaal even wat kwijt te zijn. Al gauw vertelde
hij me dat hij het in zijn leven vaker had gehad dat, als hij
het even niet meer zag, er iets gebeurde of er iemand op zijn
weg verscheen, waardoor hij zich gesterkt voelde en toch weer
verder kon.
Samen met velen gingen we de inmiddels binnengekomen trein in.
Die was meteen goed bezet. Even later werd in de trein
omgeroepen dat hij niet, zoals op het perron stond aangeven,
naar onze respectievelijke reisdoelen zou rijden, maar naar het
spoorwegmuseum. Toen stapte iedereen weer uit. Maar na een
minuut of vijf was hij er dan toch, onze trein.
Mijn vader stond al aan het aanrecht om mij een kom koffie te
maken, toen ik aan zijn voordeur verscheen. Haastig deed hij me
open. De net te lang ingehouden verhalen kwamen meteen los. De
stoelen stonden klaar op zijn terras. De hitte van de dagen
ervoor was geweken. In zijn grote plantenbak, een paar meter
van ons vandaan, waren juist gisteren drie of vier jonge
eendjes uitgekomen. Er lagen ook nog een paar eieren en hij
vroeg zich af of en wanneer hij die uit het nest zou moeten
halen. Een half uur later, bij de boterham, kreeg de moedereend
een half plakje bruinbrood en een bakje water.
Mijn terugreis, aangevangen kort na 18 uur, verliep volgens het
boekje. Toen herinnerde ik me dat ik pas twee maanden geleden
nog een keer met de trein van Schiphol naar huis ben gereisd en
dat die reis ook volgens het boekje was gegaan. Nee, een echt
slecht gevoel hield ik aan deze treindag nog niet over. In
één van de treinen van de terugreis werd zelfs
mijn kaartje nog gecontroleerd, een conducteursscore voor deze
dag dus van zestien procent.
14a-6-2006
Vandaag een dagje bij mijn (bijna blinde) vader en met hem
samen onder andere naar zijn stokdove schoonzus, die onlangs 88
jaar geworden is. Ze is de enige nog in leven zijnde zus van
mijn moeder. Mijn moeder heeft haar vader nooit gekend. Hij
verongelukte toen mijn oma van mijn moeder in verwachting
was.
Hoe het erop kwam, staat me niet eens meer bij, maar ineens
begon mijn tante over haar vader. Ze was drie toen hij
overleed. Ik vroeg haar naar eventuele herinneringen aan hem.
Toen vertelde ze over hoe ze zich herinnert bij hem voorop op
de stang van de fiets te zitten en dat ze van een heuveltje
naar beneden reden en dat ze het best eng vond. En over zijn
sterven, dat ze die dagen wel hoorde dat het steeds over haar
vader ging, maar dat ze het niet begreep. Dat ze op de
begrafenis vroeg haar vader nog te mogen zien en dat toen de
deksel van de kist nog voor haar is opengemaakt. Dat ze vaders
handen niet zag, omdat die kennelijk onder het laken lagen en
dat ze toen begreep dat hij dood was omdat zijn handen eraf
waren. Ze glimlachte om zichzelf toen ze het vertelde. 'Toen
kon ik het begrijpen', herhaalde ze nog eens.
En ik, ik die altijd moeite met mijn moeder heb gehad en
allerlei dingen nooit met haar uit heb kunnen praten, ik
besefte dat ik deze dingen nooit gehoord zou hebben als mijn
vader niet blind geworden was en zich nog altijd goed zelf zou
weten te vermaken. Ik had, misschien ook omdat ikzelf nu een
kleindochter van drie heb, dit 85 jaar oude ontroerende verhaal niet
willen 10a-6-2006
N.a.v. 'de Volkskrant' 10-6-2006
Nieuws uit Tokio: Voorheen beschouwden Japanners het tonen van
emoties als een nationale schande, tegenwoordig wordt een
flinke huilbui gepromoot, vooral onder mannen. Volgens
wetenschappers is het opkroppen van emoties slecht voor de
gezondheid. Het stresshormoon cortisol (een
bijnierschorsproduct) zou zich dan ophopen in het lichaam en
dat zou kunnen leiden tot geheugenverlies, dichtslibben van
aderen en impotentie. Volgens arts en hoogleraar Kimihiro
Yoneyama zijn ingehouden tranen bij mannen van middelbare
leeftijd de belangrijkste oorzaak van ernstige depressies. (Het
aantal zelfdodingen in Japan liep in 2005 op tot 32.552,
waarvan 18.000 mannen van 50 jaar en ouder waren. Het betrof
dan met name mannen met verantwoordelijke functies, vaak in
reorganisaties, op wie de eigen ouders meer een beroep begonnen
te doen terwijl hun studerende kinderen handenvol geld
kostten.)
'Tranen zuiveren de ziel, nietwaar?' Dat heb ik menig
cliënt zo gezegd in mijn rol als Riagg-hulpverlener. Hoe
belangrijk is het iemand te hebben met wie je je angsten, je
zorgen, je verdriet en je levenspijn kunt delen en natuurlijk
evenzeer je vreugde! Hoezeer ontberen velen zo'n vriend of
vriendin. Hulpverleners vervullen wat dat betreft vaak de rol
van 'betaalde vriendschap'. Als de cliënt niemand vindt om
mee te delen, komt hij of zij in Nederland vroeger of later
vanzelf in de hulpverlening terecht. En neem gerust van mij aan
dat het er heel wat zijn, die niemand hebben om mee te delen.
Misschien ontbreekt het vooral henzelf aan de vaardigheden die
nodig zijn om zich goed te kunnen uiten en hebben ze daar
gewoon een beetje hulp bij nodig. De mensen in hun omgeving
vinden hen misschien wat vreemd en durven de confrontatie met
de emotionaliteit van zo iemand wellicht niet aan. Laten we
eerlijk zijn: hoe zul de confrontatie met gevoelens van de
ander aangaan als je die van jezelf gewend bent uit de weg
te gaan?
10-6-2006
N.a.v. 'Hoer, heldin of heilige?', door Gert J. Peelen, 'de
Volkskrant' 9-6-2006
In 2003 verscheen Dan Browns 'De Da Vinci Code', een boek dat
een bestseller zou worden. Het Vaticaan distantieerde zich van
Browns ideeën. Wat betreft Jezus' huwelijk met Maria
Magdalena bracht Brown echter geen nieuws.
In 1896 werden in een winkeltje in Caïro flarden van een
document uit de tweede eeuw gevonden. Het bleken delen uit het
Evangelie van Maria Magdalena te zijn.
In 1945 werd bij Nag Hammadi (Midden-Egypte) een kruik met 52
documenten gevonden. Een van die teksten, het Evangelie van
Philippus, vermeldde de relatie tussen Jezus en Maria Magdalena
en zij werd daarin zijn 'metgezellin' genoemd. Het
oorspronkelijk Griekse woord 'koinonos' betekent zoveel als
liefdespartner. De Koptische vertaler bleek dit woord
onvertaald te hebben gelaten.
Peelen vraagt zich in zijn artikel af of het stilzwijgen van de
kerk totdat Brown met zijn Da Vinci Code kwam, het gevolg is
geweest van een complot tegen het gnosticisme en haar ketterse
visie op Jezus als een wijze, maar voorts gewone man van vlees
en bloed. Was het voor de kerk tot voor kort te bizar voor
woorden dat er ergens op de wereld nog altijd nazaten van de
Van Nazaretjes zouden kunnen rondlopen?
Slavenburg, historicus, publiceerde in 1995 het Evangelie van
Maria Magdalena. Hij ziet Jezus niet als de bleke halfgod die
de kerk van hem maakte, maar als een gewone Galileër van
eenvoudige komaf, die op zijn zeventiende trouwt met Maria uit
Magdala, een gelukkig gezinsleven leidt en mogelijk een of meer
kinderen krijgt, tot hij zich door Johannes de Doper tot leider
en leraar laat uitroepen. De bruiloft in Kana, waar Jezus water
in wijn veranderde, zou zijn eigen huwelijksfeest zijn
geweest.
Ik herken de vragen. Ook ik heb me afgevraagd hoe Jezus zo
goddelijk kon worden. Mijn voorlopige antwoord is dat dat kon
omdat de mens de binding met het eigen innerlijke goddelijke
geleidelijkaan was kwijtgeraakt en nu het gemis kon projecteren
op deze ene mens. Wellicht was dat veiliger dan te pogen
dichter bij de eigen kern terug te komen. Theologie is de
wetenschap van het goddelijke. Als echter één
ding niet thuishoort in de wetenschap, is dat mijns inziens de
kennis aan God. Theologie heeft dan ook immer gepoogd het
goddelijke te fixeren. Het vastleggen van het ongrijpbare, het
onkenbare, is in mijn ogen niets anders dan fictie.
9-6-2006
Een probleem apart vormen de kinderen die geen echte opvoeder
hebben of hadden. Dat komt in onze carrièregerichte
wereld veel voor. Bij velen is de tijd voorbij dat de moeder,
nadat een kind geboren is, jarenlang zorgt voor de opvang en
begeleiding. Van een taakverdeling tussen man en vrouw wat
betreft de opvoeding van de kinderen komt dikwijls ook niet te
veel terecht. Het lijkt wel steeds meer gewoon dat er in een
gezin twee carrièremakers zijn en het kind wordt het
kind van de oppasrekening. Er zullen oppassen zijn die de
ouderrol voldoende overnemen, natuurlijk, maar het risico is
groot dat de aandacht voor het kind uiteindelijk toch tekort
gaat schieten. Het kind raakt dan op zichzelf aangewezen, leert
het van zichzelf te moeten hebben en vindt wellicht geen
uitlaatklep meer voor wat hem of haar bezighoudt. Dat lijkt me
niet goed. Ik maak me sterk dat uit zo'n situatie te
gemakkelijk omgang met verkeerde vrienden, liederlijkheid,
drugsgebruik en (kleine) criminaliteit voortkomt. Vroeger was
het geschetste beeld vooral een probleem bij zakenmensen,
wanneer zowel vader als moeder hun aandeel moesten leveren in
de eigen zaak, vandaag kiezen heel veel paren vrijwillig voor
hetzelfde patroon. Als ze er dan ten minste maar gelukkig van
werden, maar dat worden velen van hen ook al niet. Hoeveel
jonge moeders heb ik in mijn vroegere werk niet gesproken die
verzuchtten dat ze zich het huwelijk en het gezinnetje toch wel
anders hadden voorgesteld dan die werkelijk geworden waren? Vooral
jonge vrouwen brengen het, in mijn ervaring, dikwijls moeilijk
op om soms vele jaren lang te moeten wachten op kinderen omdat
anders de hypotheek niet kan worden opgebracht. Ik weet het
wel: De huizenprijs is in ons land zodanig dat
één inkomen bij zeer velen niet meer voldoet om
de hypotheek op te kunnen brengen. De maatschappelijke druk
forceert min of meer mee te doen in de hang naar materieel
bezit. Toch denk ik geregeld terug aan dat jonge gezinnetje dat
ik in mijn werk ooit thuis bezocht. Ze leefden van
één enkel bescheiden inkomen, huurden een deel
van een huis, gebruikten sinaasappelkistjes in hun meubilair,
zonder dat verlangen naar meer of beter de overhand kreeg en ze
waren met hun materiële wereldje net als met elkaar
volmaakt tevreden en gelukkig. De kinderen daar waren nummer
één, pas heel veel later volgde de rest. Juist
dat is in onze tijd zo anders: het materiële lijkt nummer
één, met pas op grote afstand de opvoeding van de
kinderen. We klagen dan soms wat te gemakkelijk over onze jeugd
van tegenwoordig: die jeugd is door onszelf gekneed.
Toch is het niet altijd zo negatief. Ik hoorde het verhaal van
een man die in een winkelstraat een nieuwe portemonnee kocht en
deze meteen in gebruik nam. De oude was daarmee leeg. Hij nam
de proef op de som door de oude portemonnee driemaal in die
winkelstraat te 'verliezen'. Een metgezel observeerde wat er
gebeuren zou. Wel, tweemaal werd de portemonnee opgeraapt door
een jeugdig iemand, eerst een jongen, toen een meisje. Beiden
holden achter de 'verliezer' aan en gaven de portemonnee terug.
De derde keer werd hij opgeraapt door een middelbare dame. Zij
stak hem zonder aarzelen in haar tas.
Juist dezer dagen las ik in de krant over 6-6-2006
Wat in onze cultuur veel voorkomt, is dat mensen zichzelf
overvragen. Ze willen meer of beter van zichzelf dan goed voor
hen is. We zijn gericht op uiterste prestaties. Als dat zou
zijn voor een korte tijd, zouden velen het wel op kunnen
brengen. Dat is echter niet zo: de maatschappij zet aan tot
chronisch toppresteren. Er zijn mensen die het leven onder de
druk die dat met zich meebrengt, relatief lang weten vol te
houden. Anderen echter voelen er zich van stonden aan niet wel
bij. Uiteindelijk worden velen de dupe van de jacht op
geldelijk gewin, voor zichzelf of voor hun baas.
Ik heb het zelf gekend, in mijn werk als hulpverlener. Aan het
werk op zich kwam geen einde en zou ook nooit een einde komen.
'Je kunt je hier wel doodwerken', verzuchtte ik wel eens. Het
probleem was dat een volle agenda niet genoeg was, dat er
altijd meer bij moest, dikwijls te beginnen bij binnenkomst op
aanvang werktijd. Als je dan een structuur hebt, die regelmatig
rust en inkeer van je vraagt, word je zo maar de dupe van zo'n
systeem. Maar er is meer: Het is natuurlijk niet alleen de baas
of de organisatie die je overvraagt. Je bent het ook en
misschien vooral zelf. Als je geen eigen grenzen stelt, is de
kans heel klein dat een ander dat voor je zal doen. Daar ligt
dus het eerste manco: het zelf kiezen voor een te uitgebreid
takenpakket of dat accepteren, terwijl je voorziet of ervaart
dat het zo niet gaat. Mensen zien de eigen grenzen dikwijls
niet in een hang naar erkenning en belangrijkheid. Natuurlijk:
die komt voort uit tekort aan zelfvertrouwen, angst niet mee te
zullen tellen en voor afwijzing (of ontslag).
In mijn vroegere werk heb ik mensen dikwijls gezegd dat ze hun
grens voorbij zijn als er na afloop van het werk geen energie
meer is voor iets anders, voor zichzelf, voor hun relatie of
gezin. Je bent je grens zeker voorbij als het een patroon wordt
dat je je
Mensen doen het ook zelf, waar de hele wereld rondom hen aanzet
tot groter en meer. Er zijn mensen die er twee banen op na
houden, die zomaar zestig of zeventig uur werken om een huis of
een auto te kunnen financieren. Er zijn zowel slachtoffers als
partners die pas tevreden over hun inkomen zijn, als dat ervoor
zorgt dat het gezin zich minstens iets meer kan permitteren dan
dat van een familielid of buur. En nogmaals: het begin van de
ellende is gelegen in de structuur van het slachtoffer zelf, in
het niet aangeven van duidelijke grenzen, in de neiging de
ander (de ouder?) te behagen en daarmee goedkeuring te
verwerven die kennelijk broodnodig is.
Aan het begin ligt dus de persoonlijke taak jezelf niet uit te
schakelen, zeker niet zodra en wanneer het gevoel van
overbelasting ontstaat. Als je niet de structuur hebt om veel
dingen te kunnen doen die je vervolgens gewoon weer los kunt
laten zonder er verder nog door belast te worden, zul je je
moeten beperken. Op veel werkplekken wordt tegenwoordig zoveel
van de werknemers verwacht, dat het zomaar persoonlijk niet
haalbaar kan blijken om fulltime te werken, gewoon omdat het te
veel energie vraagt. Als je een mens bent die leeft voor z'n
werk, dan zal er nog wel een mouw aan te passen zijn, maar
degenen die eigenlijk willen leven voor iets anders, zichzelf,
hun kinderen, voor hun gezin, zouden er in veel gevallen goed
aan doen materiële belangen niet langer te late prevaleren
boven die van het hart, de ziel, de kern van het eigen bestaan,
waar uiteindelijk toch heel duidelijk is of iets goed is of
niet.
Wat ik veel gehoord heb als mensen hun werk eigenlijk niet
aankonden, is: 'Als eerst 5a-6-2006
Is dat voor velen niet juist het probleem: je goed te weten en
te kunnen voelen zoals je bent? Zonder innerlijke harmonie ben
je misschien juist meer ontevreden over jezelf en dan ontbreekt
het gewoon, het jezelf
Toch is er een probleem als je je niet goed weet te voelen, als
je je niet accepteert als wie je bent. Misschien komt je
onvrede uit jezelf voort, misschien is die in je verleden
5-6-2006
Zulke dagen kunnen tegenvallen, zo'n lang weekend als met
Pinksteren. Je hebt je erop verheugd, ernaar toegeleefd, je
hebt er al gauw te veel van verwacht. Dan wil de zon niet
schijnen, valt het weer tegen, of er is onenigheid met je
vriend(in) of partner. Diens verwachtingen blijken wellicht
heel anders te liggen dan die van jezelf. Of je treft een
rumoerige omgeving, waarin het je niet lukt om los te laten en
tot rust te komen.
Vanuit mijn vroegere werk ken ik de verhalen van verwachting en
teleurstelling en het lijkt daarbij soms zo dat naarmate
verwachtingen hoger liggen, de desillusie al op de loer ligt om
toe te slaan bij de allereerste gelegenheid. Mensen verlangen
dikwijls ook het onmogelijke van hun weekendje weg. Als de
relatie niet loopt, als er spanningen zijn en onvredes, dan
werkt het niet om er samen op uit te gaan. Dan blijkt al snel
dat alle opgebouwde onvredes alleen maar versterkt voor het
voetlicht komen.
Ligt niet de bron van waaruit zulke dagen tegenvallen gewoon in
jezelf? Vaak is dat zo. Als je niet in evenwicht bent met
jezelf, ontwikkel je nu eenmaal gemakkelijk spanningen in je
relaties. Wie niet in vrede weet te leven met zichzelf, doet
dat evenmin gemakkelijk met de ander. Wie niet stevig op de
benen staat, laat zich gemakkelijk van de wijs brengen door de
conflicten van wie dan ook in de nabije omgeving.
Ik kom erop omdat ik het zo dikwijls voorzag: hoog gestelde
verwachtingen waarbij het falen al leek ingebouwd. Mensen komen
soms met verbeten of verdrietige gezichten vervroegd naar hun
huis terug om de noodzakelijk op te lossen innerlijke onvredes
of relationele spanningen alsnog onder ogen te moeten zien en
tot klaarheid te brengen.
Is niet het belangrijkste in dit alles om in harmonie te zijn
met jezelf? Als je dat bent, straal je iets uit, word je niet
gemakkelijk onaangenaam geraakt, draag je een stuk gevoel over
op ieder in je nabijheid en draag je daarin bij aan het
welslagen van zulke dagen voor zelfs een hele groep.
Hoe bereik je dat, harmonie in jezelf? Verwacht niet te veel.
Al die verlangens pinnen je vast en bezorgen je het gevoel te
falen als de stroom van je leven anders blijkt te gaan. Praat
over wat je bezighoudt, wat echt belangrijk voor je is. Praat
daar net zo vaak over tot het je naaste(n) duidelijk is. Dan
heb je inmiddels wellicht ook voor jezelf een beter beeld
gekregen over je verlangens. En moeilijker: luister naar de
ander en naar diens verlangens. Vraag niet van een ander anders
te zijn dan hij of zij is: ieder mag zijn en worden zoals het
leven het beste past. Vraag gerust iets voor jezelf, niet
geformuleerd als beschuldiging of verwijt, maar liever als
wens, verlangen. Maar stel geen eisen, niet aan jezelf en niet
aan wie anders dan ook. Oefen je in het accepteren van hoe je
leven komt en in het proberen daar hier aan daar een gewenste
wending aan te geven.
Het belangrijkste lijkt te zijn het besef dat je je eigen leven
niet in de hand hebt, dat er altijd nieuwe en onverwachte
gebeurtenissen en ontwikkelingen zullen zijn en dat die er zijn
om je levenslessen te leren die de bedoeling hebben meer bij
jezelf te komen, meer jezelf te worden. Je bent van goddelijke
komaf. Dat impliceert dat je er mag zijn, dat je belangrijk
bent en dat je goed bent zoals je bent. Dan kun je je nog
altijd ook wel ongelukkig voelen. Accepteer die gevoelens, bied
ze de ruimte. Ruimte helpt altijd de gevoelsstroom door te
laten gaan. Je zult merken dat, misschien eerst heel
voorzichtig, je gevoel van ongeluk plaats zal maken voor
tevredenheid, blijdschap en geluk. Geniet van die gevoelens,
want ook zij gaan voorbij. De ware levenskunst is slechts de
gevoelsstroom, waarin gevoelens in al hun tegenstrijdigheid
passen, op gang te krijgen en houden. Geluk zal er niet zijn
zonder momenten van ongeluk, innerlijk vrede niet zonder
verdeeldheid en strijd, relationeel evenwicht niet zonder
strijdigheid van belangen. Je mag er zijn. Je mag werken aan te
worden die je bent. Maar soms vind je beperkende voorwaarden op
je pad en misschien zelfs zul je ontdekken dat juist die je
helpen om jezelf te vinden.
2-6-2006
Mijn gevoelens gingen uit naar God, wie of wat dan ook. Liever
spreek ik van 'het goddelijke'. Het goddelijke is voor mij
alles wat leeft, goed en kwaad. Ik noem het ook vaak 'het Al'.
En ergens achter alle dingen vermoed ik een bron, vanwaar alles
komt en waarheen alles terugkeert. Ziedaar de hele schepping,
voortvloeiend uit en terugstromend in 'de Bron', de schijnbaar
eeuwige kringloop. Ik voelde me deel uitmaken van het geheel.
In mijn gevoelen zag ik mijn kinderen, m'n schoonkinderen, m'n
kleinkinderen. Ik zag m'n oude vader. Ik zag het komen en het
gaan, het vastgrijpen van het leven en daaraan hechten en het
geleidelijkaan loslaten om verder mee te drijven in de
goddelijke stroom. Alles wat komen kon, was goed, want komend
uit die goddelijke bron. Vreugde en verdriet hoorden bij
elkaar, vloeiden over in elkaar. Angst en hoop verbleekten. En
op slechts één of twee kilometer afstand ruiste
de autobaan als een symbool van het menselijke streven. In dit
gebied is het de bijna immer aanwezige dissonant in een verder
vredige en bijna heilige rust.
In deze ogenblikken voel ik altijd dat het goed is, wat er ook
gebeurt, hoe het leven ook lopen zal. Onze invloed is maar
klein, het leven is slechts weinig te sturen. We leven onze
levens als in een vooropgezet goddelijk plan. We zijn onderweg
op de route die we, toen we aan het leven hier begonnen, in ons
meedroegen. Wat we doen of niet doen, doet er uiteindelijk niet
toe. Want één ding is duidelijk: we keren terug
naar vanwaar we kwamen. En dan is alles goed, dan is het altijd
goed.
Onze wegen kruisen die van andere mensen. En zie: daar zijn
onze keuzes ineens belangrijk, daar komt het erop aan! Bieden
we ruimte, bouwen we op? Of eisen we ruimte en breken we af?
Lukt het ons het goddelijke in de ander te zien, lukt het
daaraan te raken? Of voelen we vooral bedreiging waartegen we
ons wapenen? Zijn we vooral mond of zijn we vooral oor? Gaat
het om het hebben of gaat het om het geven? Mensen raken aan
elkaar, altijd weer. Elke ontmoeting draag ik verder met me
mee, net zoals ieder die mijn pad kruiste iets van mij meevoert
op de weg. Zie ik die ander wel? En word ik ook gezien? Mag die
ander zijn wie hij of zij is? En ik: voel ik in mijn contact
met jou dat het goed is, dat er plek voor me is, dat je ruimte
biedt?
Dan gaat de telefoon, een anonieme beller. Namens alle banken
of zo, over hypotheken en de lage rentestand en dat ik
huiseigenaar ben volgens het kadaster en of ik wel naar mijn
hypotheek die ik niet heb, heb laten kijken. 'Wie bent u',
vraag ik. Dan volgt opnieuw een stuk van hetzelfde verhaal. Ik
bedenk dat een aanmelding bij infofilter.nl schijnbaar niets
uithaalt, dat het bellen waarvoor ik niet gebeld wil worden
gewoon doorgaat. 'Hoe bent u aan mijn nummer gekomen?' vraag
ik. Maar deze vragen zijn de bedoeling niet. Het gaat de beller
niet om een dialoog. Het gaat alleen om geld, graag zo snel
mogelijk. Twee vragen: 'Wie bent u' en 'Hoe bent u aan mijn
nummer gekomen' zijn voldoende om het gesprek te stoppen. De
beller heeft neergelegd. Tien woorden heeft hij van me gehad.
Contact?
Belijdenis van het geloof. Wat is geloof? Wat is godservaring?
Wat doet de kerk daarmee? Hoeveel ruimte voel ik? Of word ik
doodgegooid met woorden, vastigheden, een liturgisch harnas?
Hoeveel ruimte hebben de mensen die ik daar ontmoet? Ontmoet ik
ze? Hoor ik hun verhaal, hoor ik wat zij aan het goddelijke
ervaren hebben? Pinksteren: de geest waait en op
één of twee kilometer afstand raast het verkeer
voort. En toch, hoe heilzaam is die rust.