23-12-2007

In de mist

Als we ons Arnhemse familiebezoek beëindigd hebben, rijden we naar Enschede. Boven de weilanden hangt mist, plaatselijk schijnt nog de zon. Het is niet druk, deze voorlaatste zondagmiddag van het jaar. We moeten in het verpleeghuis zijn. Hij die we bezoeken is net zo oud als ik ben. Hij was altijd uitvoerder en later aannemer in de bouw, maar hij is inmiddels diep dement. Af en toe zoeken we hem op. Hij heeft geen herkenning meer aan ons, kan nauwelijks nog praten en loopt erg moeilijk. Hij heeft een anti-epilepticum, maar desondanks heeft hij onwillekeurige spiertrekkingen in zijn lichaam.

Vandaag kijken zijn ogen vooral langs ons heen. We nemen hem mee naar de kantine. Hij houdt van een advocaatje met slagroom, weten we. Alleen vloeibare dingen kan hij nog slikken. Wat later brengen we hem terug naar de afdeling. We gaan samen op zijn eigen kamer zitten. Hij heeft hulp nodig om goed in z'n stoel terecht te komen. 'Ik help je wel', zeg ik. En spontaan voeg ik toe: 'Jij hebt mij ook wel geholpen.' Ik moet denken aan een vroegere verhuizing, toen hij een plavuizen vloer voor ons legde en aan later werk aan het huis waar we nu in wonen. We spelen een cd met kerstliederen, maar hij heeft geen idee meer van tijd.

Als hij weer onrustig wordt, brengen we hem naar de woonkamer terug. Een jonge verzorgster daar herkent hij wel. Hij glimlacht. Nog eens vertellen we dat hij eergisteren zijn eerste kleindochter gekregen heeft. Hij is nu driemaal opa. Of er iets tot hem doordringt, kan ik niet peilen.

Dan is het tijd voor afscheid. We lopen terug naar zijn kamer om onze jassen te halen. Daar moet ik ineens huilen, de pijn en het verdriet wringen zich naar buiten. Trix, mijn vrouw, legt haar arm om me heen en ik voel ook haar verdriet. Samen zijn we daar, nog een ogenblik, dicht bij elkaar.

Dan rijden we naar huis terug, zo'n honderd kilometer te gaan. Het is erg gaan misten en we doen er dus een halfuur langer over. Op de radio is een interview met Agnes van Ardenne, politica. In Balkenende II deed ze ontwikkelingssamenwerking. Sinds dit jaar is ze ambassadeur van Nederland bij de Voedsel en Landbouw Organisatie (FAO) van de Verenigde Naties in Rome.

Ik heb in al die mist mijn aandacht bij de weg nodig. Maar wat zich daar doorheen toch aan me opdringt, is haar onomwonden visie dat we, als we dat zouden willen, de honger de wereld uit kunnen helpen. Ik heb dat nooit eerder een politicus zo duidelijk horen zeggen. Zelf heb ik vaker over dit onderwerp geschreven, maar ik had altijd het gevoel er alleen in te staan. 'Als we het zouden willen, zouden we het kunnen', schreef ik, 'daar ben ik van overtuigd. Alleen liggen onze prioriteiten anders.' Maar nu Van Ardenne dus. Volgens haar lijden 850 miljoen mensen honger en zou dat niet nodig zijn als er politieke wil zou zijn daar iets aan te doen.

Het is de boodschap die bij me blijft, ook na deze middag in de mist. Want er zijn dingen die we niet kunnen, maar meer dan we willen weten, kunnen we wel.

25-11-2007

As it is in heaven

Ik zag de film 'As it is in heaven', regie Kay Pollak. Daniel Doréus is een vermaard dirigent met een getraumatiseerd verleden, eenzaam en altijd onderweg. Nadat hij is ingestort, besluit hij terug te keren naar Norrland (Noord-Zweden), waar hij is opgegroeid. Uiteindelijk laat hij zich daar strikken het plaatselijke kerkkoor te dirigeren en dan verandert er van alles in het dorp.

Een aangrijpende en inspirerende film die boeit vanaf de eerste minuut. 'Alles begint met luisteren', stelt Daniel terecht. De film is een ode aan het leven vanuit je gevoel. Hij laat de besmettelijkheid daarvan zien en ook hoe zo'n leven tot zowel eenheid als scheiding leidt. Warm aanbevolen!

20-11-2007

0900, 088 en andere per mobiel: dure hobby!

Eén op de vier tot vijf huishoudens heeft geen vaste aansluiting meer en belt uitsluitend per mobiel. Meestal heeft men dan een abonnement met een vooraf betaalde belbundel waarin men alle vaste en mobiele nummers in Nederland gratis belt. Veel van deze huishoudens bellen geen 0900-nummers, omdat mobiele providers daar veelal een slaatje uit slaan. (Zo'n gesprek kan via een mobiel tot wel 1,30 euro per minuut kosten.) Houders van 0900-nummers zijn zich nog niet altijd bewust van hoeveel gesprekken ze door hun nummerkeuze missen.

Het is niet het enige probleem bij bellen met de mobiel. Een nummer dat met 0800 begint, was in principe gratis, ook per mobiel. Van de Opta begreep ik dat verschillende van deze nummerhouders tegenwoordig een deel van hun kosten bij mobiele bellers buiten de bundel in rekening brengen. Komt er na 0800 als eerste een vier, dan is er kans dat u ook niet gratis belt, ook niet op uw vaste telefoon. Let ook op met nummers die beginnen met 084, 085, 087 en 091. U krijgt geen tariefmelding en de gesprekken worden mogelijk relatief duur buiten uw bundel afgerekend. Een tamelijk nieuwe reeks is de 088. Veel bedrijven, o.a. de ANWB, zijn die inmiddels gaan gebruiken. Let op dat uw mobiele provider die niet, zoals bijvoorbeeld Telfort dat wel doet, tarifeert als 0900-nummers. Nummers ten slotte die beginnen met 066 zijn veelal geen gewone mobiele telefoons. Ga ervan uit dat ze buiten uw bundel vallen en wellicht tot een euro per minuut zullen kosten! (Op deze nummers wordt nogal eens studentenhuisvesting en thuiswerk aangeboden.)

Er komen steeds meer addertjes onder het gras in telecomland en ik ken ze zeker lang niet allemaal.

10-11-2007

Eindeloos leven?

'Aan alles komt geen eind', kopt 'de Volkskrant' vandaag bij het interview met de cardioloog Pim van Lommel, van wie binnenkort het boek 'Eindeloos bewustzijn' verschijnt. Van Lommel is al heel lang bezig met bijnadoodervaringen (BDE's). Hij komt tot diverse conclusies, waarvan ik enkele wil noemen. Volgens hem gaat het bewustzijn door in de dood, het is non-lokaal, dus overal. De hersenen vangen als een radio een deel van het bewustzijn op. Ze produceren het niet, ze faciliteren het. De wet zegt dat hersendood dood is. Van Lommel stelt dat sterven een proces is en dat je pas dood bent als het leven, na twee tot drie dagen, uit het lichaam is. Om die reden kiest hij voor zichzelf niet voor orgaandonatie na zijn hersendood.

Wat ervaren mensen in het afglijden naar de hersendood? Naast de bekende tunnel en het Licht zien ze terug wat ze voor anderen zijn geweest en hoe die anderen dat hebben ervaren. Uit een BDE nemen mensen levenswijsheid mee, het inzicht dat het begint met jezelf lief te hebben zoals je bent. Pas dan kun je iets betekenen voor anderen. Van Lommel vindt dat we moeten erkennen dat de werkelijkheid zoals we die waarnemen, gebaseerd is op ons bewustzijn en dat er dus vele waarheden zijn, terwijl we niet in staat zijn een echte werkelijkheid te meten.

Je kunt niet bewijzen dat er een hiernamaals is, wel dat, als de hersenen niet meer functioneren, mensen een completer bewustzijn hebben en in contact staan met grotere inzichten dan toen ze in hun lichaam waren. Het raadsel van het leven kunnen we volgens Van Lommel niet oplossen. Net als de oorsprong van het bewustzijn en van het universum is het leven niet kenbaar. En als het lichaam sterft, gaat het bewustzijn door.

Zie ook hier.

9-11-2007

Kwaad en verzoening

Vandaag zag ik de film 'Le fils' (de zoon) van Olivier Gourmet, met Jean-Pierre en Luc Dardenne. Een indrukwekkend verhaal over verdriet, woede, wraak en vergeving. De film wordt heel sober en indringend gespeeld. De timmermansleerling ontmoet in zijn leermeester de vader van de jongen die hij vijf jaar eerder, hij was toen nog maar elf jaar oud, vermoordde. De meester is zich de bijzondere relatie van stonden aan bewust, de jongen ontdekt die pas tegen het eind van de film.

Hoe ga je om met iemand die je zo'n groot verlies bezorgde? Geldt dan het 'oog om oog', of is er een andere weg? Als de leermeester de gelegenheid krijgt zijn leerling te wurgen zoals deze zijn zoon wurgde, is het zijn catharsis die hem af doet zien van wraak op de jongen die hem vroeg zijn voogd te worden.

Ik las eens het verhaal van een oude stam. Eén van de stamleden was vermoord door een buitenstaander en de dader was gepakt. Hij stond terecht voor de oudsten. 'Hij moet dood!', vonden velen. Maar één van de oudsten dacht daar anders over. 'We moeten hier goed over nadenken', zei hij. 'Krijgen we wie we verloren terug als we de dader doden? Krijgt de dader dan kans om iets goed te maken?' Uiteindelijk werd deze dader de hut en de job toegewezen van zijn slachtoffer. Zo werd hij in de gemeenschap opgenomen. En toen hij na vele jaren stierf, was er geen mens daar die zoveel voor de stam betekend had als hij.

5-11-2007

Dominee zonder God?

'Dominee zonder God' kopt de Volkskrant van vandaag boven het artikel over PKN-predikant Klaas Hendrikse van wie het boek 'Geloven in een God die niet bestaat' dezer dagen uitkwam. Dominee noemt zich atheïst, maar is dat in mijn ogen niet. Hij neemt alleen de traditionele kijk op God, als een persoon buiten het zelf, niet over. Hij ziet het goddelijke wel degelijk, bijvoorbeeld in mensen om zich heen en in zichzelf. Met andere woorden: hij ziet geen mysterie achter ons bestaan, hij ervaart het bestaan op zichzelf als een mysterie.

Veel kerkmensen hebben de angstdemping nodig die de voortdurende herhaling van religieuze teksten en frasen bewerkstelligt. Daar is niets mis mee. Goed dat er daarnaast ook dominees zijn die aan deze mantrabehoefte niet meedoen, maar verkiezen te leven met vragen in plaats van met dogma's. Wat mij betreft schept dat nieuwe kansen voor de kerk.

Zie ook hier.

18-10-2007

Mijn vader en de oogarts

Ik ben op weg naar mijn vader. Hij is 88 en sinds ik meen tweeënhalf jaar zo goed als blind. Het weer is mooi voor oktober, de zon schijnt uitbundig. Ik heb de cd met christelijke gedichten en liederen die hij me vorige week meegaf om ook maar eens te beluisteren aangezet. Teksten van geloofsvertrouwen waaieren om me heen. Ik kan jaloers zijn op hoe eenvoudig hij gelooft in een goddelijke Vader buiten en boven hemzelf. Maar het is jammer dat dat geloof kennelijk moet impliceren dat er voor hem maar één Weg is en dat mijn weg niet deugt. Alhoewel ... We zijn opgehouden over deze dingen te praten. Soms getuigt het meer van liefde het eigen heilige maar achteruit te schuiven en te verbergen en dat van de ander ruimte te bieden en de zinloos gebleken confrontatie te mijden. Wat moet het goed zijn een vader of moeder te hebben die je in je eigenste kern accepteren kan zoals je bent, ook wat betreft het geloof.

Ik heb geen haast, rijd rechts, mee in de stroom van vrachtwagens. Dat irriteert sommigen zodanig dat ze menen mij hun frustraties kenbaar te moeten maken. Ik rijd op cruise control en moet soms even een tandje geven en dan weer nemen. De vrachtwagenchauffeur achter me irriteert er zich kennelijk aan als de afstand tussen mij en mijn voorligger even iets groter wordt, terwijl ik een beetje afstand juist op prijs stel. Het geeft ruimte en uitzicht. Maar hij kruipt me op de bumper en claxonneert. De snelle BMW-rijder links houdt in als hij naast me is, buigt naar me over, maakt uitgebreide draaiende bewegingen met zijn arm. Hij wil dat ik sneller ga dan deze 90 kilometer per uur. Maar waarom wil hij dat? Moet dat niet met zijn eigen frustraties te maken hebben?

Te midden van de christelijke klanken in mijn auto gaan mijn gedachten uit naar mijn dochter en kleindochters. Ik heb ze een paar nachten geleden naar Schiphol gebracht voor een herfstvakantie op Tenerife, of 'de Canarische Eilanden', zoals de meiden van 6 en 4 het noemden. Hoe zouden ze het hebben? Hoe is dat voor mijn dochter, nu bijna een jaar gescheiden? Hoe voor de meiden die toch ook andere vaders aanwezig zien? Hoe voor mijn schoonzoon, ja zo blijf ik hem voorlopig noemen ondanks alles wat passeerde. Hoe is het voor hem: zijn ex en zijn dochters zover van huis? Voor mezelf weet ik hoe ik in gedachten gedurig bij ze ben. Ik kan vaak wat te weinig loslaten en overgeven. Ik neig naar te grote zorgen. Ik weet het, maar daarin veranderen lukt me niet erg.

Dan hebben we de koffie op. De buitentemperatuur is opgelopen en we kunnen naar buiten, op het balkon. Daar koesteren we ons in de zon. Gemeentemannen zijn met van die grasmaaiers met een snel ronddraaiend koordje bezig het gras rond de vijver te maaien en komen langzaam maar zeker dichterbij. Ik kan slecht tegen dat klaaglijke gejank, maar mijn vader lijkt er zich niet aan te storen. Als we even later op het balkon zullen lunchen, leidt het lawaai bij hem slechts tot het voorstel dan maar ieder voor zich zachtjes te bidden. Zo doen we.

'Het is vandaag 75 jaar geleden dat mijn moeder overleed', merkt hij op. Ik weet dat er een wereld achter deze opmerking schuilgaat. Een gezin met tien kinderen verloor die dag z'n moeder. Longontsteking had ze en antibiotica bestonden er nog niet. De tiende dag heette de crisis. Als je die overleefde, had je het gehaald. Mijn oma stierf vlak daarvoor. Mijn vader was toen dertien.

Onlangs is er in een tegelpakhuis een werknemer verongelukt onder inzakkende stellingen. 'In mijn droom was ik op een schip', vertelt mijn vader. 'Beneden was een ruimte waar een vrouw was. Boven was het allemaal rommel, dozen of zo. Op een bepaald moment ging het mis. De boel ging schuiven en de vrouw raakte bedolven. Ik werkte en werkte om haar te bevrijden ... Nat van het zweten werd ik wakker. Het moet met dat ongeluk te maken hebben. Als je niet meer kunt zien, ga je je het voorstellen hoe zoiets is.'

Ik herinner me een andere droom van mijn vader. Ik meen een jongere zus was onder een vallende boom gekomen en hij tilde wat hij tillen kon! Ik weet niet of het lukte. Waarschijnlijk is hij voor die tijd wakker geworden. Hoe vaak heeft hij in zijn leven eigenlijk voor onmogelijke taken gestaan?

Op zijn dertiende verloor mijn vader zijn moeder. Was er plaats voor emotie? Ruimte voor zijn verdriet? Ik heb de indruk van niet. Wat betekent het om op je dertiende je moeder te verliezen? Ik krijg er niet veel zicht op als het gaat om het emotionele stuk.

Dan maken we ons op om naar de oogarts te gaan, in het ziekenhuis 25 kilometer verderop. Na een halfjaar gaat hij voor controle. Het zou erg zijn als hij de schimmen die hij nog zien kan ook nog zou moeten missen. Maar in het ziekenhuis loopt het niet goed. Gaande alles wat er fout gaat, besluit ik 's avonds een klachtenbrief te zullen schrijven. En als we dan, een uur te laat zonder enig excuus van wie dan ook, aan de beurt zijn, concludeert mijn vader zelf dat het niet nodig is hier nog weer terug te komen. 'Ik heb toch niet zo lang meer te leven', zegt hij. Ik vraag de oogarts om advies en zij stelt voor om dan maar zelf een afspraak te maken, mocht het rechteroog verder achteruitgaan. Dan kan op dat moment bezien worden of het proces te vertragen is. Zo spreken we af.

Terug neem ik de korte route. Mijn vader is benieuwd hoe we zullen rijden als we niet over de autoweg gaan. De route is vijf kilometer korter en voert bij Ingen over de veerpont naar Elst. Verder kent hij de route wel. Wonderlijk is dat, hoe een mens zonder iets te zien betrokken kan zijn bij de route die hij gaat.

Dankbaar is hij, als ik na het eten weer ga vertrekken. Van alles wil hij meegeven. Een worst voor de stamppot en een pak speculaasbrokken. Hij geeft zo graag, mijn vader. En hij lijkt zo te zien klaar om alles te geven.

's Avonds maak ik een klachtenbrief. Het gaat er eigenlijk om dat het baliepersoneel ons niet wenste te zien, maar verkoos door te gaan met andere bezigheden, dat er geen informatie gegeven werd over de vertraging die we zouden oplopen, dat mijn vragen omtrent de vertraging niet correct werden beantwoord, dat de vertraging gewoon normaal gevonden werd en dat de oogarts, toen we een uur te laat aan de beurt waren, op mijn opmerking over de vertraging slechts reageerde met te zeggen nog geen tijd te hebben om naar de wc te kunnen. Met andere woorden: het is daar op de afdeling een gedesorganiseerde boel en de medewerksters doen alles wat ze kunnen om dat probleem te verdoezelen. Ze lijken zich daar dood voor te willen werken. Zoiets doet een afdeling veel kwaad. Medewerkers hebben de taak problemen van de organisatie aan het licht te laten komen, zodat ze aangepakt kunnen worden. Desnoods dienen ze het falende systeem daartoe vast te laten lopen. Met inzet van eigen leven het probleem verdoezelen, moet gezien worden als een ernstig falen.

Inmiddels heb ik ook al reactie van de klachtenfunctionaris, die me belde en met wie ik een open gesprek had. Ze had het over een spiegel die ik de afdeling met mijn brief en ons telefoontje had voorgehouden en ze wilde beide graag mogen gebruiken om het functioneren van de afdeling aan de orde te stellen.

En al die andere cliënten die moeten wachten? Waarom trekt niemand aan de bel en accepteert ieder gelaten zijn of haar lot? Ook zij proberen een falend systeem in stand te houden. Ook zij bewerkstelligen hun eigen oponthoud. Toen ik de baliemedewerkster voor de vierde keer aansprak en zij niet ter zake doende smoezen aanvoerde die zouden leiden tot de vertraging, heb ik haar gezegd dat het niet daarom ging, maar dat het in mijn ogen de gedesorganiseerde bende was waar we het probleem moesten zoeken. Even deinsde ze achteruit, vervolgens ging voor het eerst in ons contact haar gezicht open, heel even aarzelde ze, voordat ze zei: 'U hebt gelijk. Er zijn hier veel meer klachten.' En toen ik aangaf contact met de klachtenfunctionaris op te zullen nemen: 'Dat moet u zeker doen. Misschien dat er hier dan eens wat kan veranderen.'

Blijft natuurlijk dat mensen zich in zo'n falend systeem letterlijk dood kunnen werken. Je zult er maar met z'n allen in zitten en slechts één doel zien, namelijk het tot het uiterste pogen je systeem te redden. Dan werk je met oogkleppen op en zie je niet meer wat er naast je daardoor beperkte gezichtsveld gebeurt. Dan verlies je belangen van anderen, van cliënten, uit het oog. Je put jezelf uit, verliest je levensvreugde en je ziet er net zo afgeleefd uit als de baliemedewerkster en de oogarts deden.

Ik ken het uit eigen ervaring, overigens ook in de gezondheidszorg. Maar er waren gelukkig collega's die zagen wat er gebeurde. Toen een afspraak bij mij niet door bleek te gaan, wipte een collega binnen. Hij keek me aan en merkte op dat ik waarschijnlijk net als hij een calvinistische achtergrond had. Toen ik hem niet begreep, vervolgde hij dat ik het vast wel kende: 'Heb uw naasten lief als uzelf.' Inderdaad, dat kende ik. Maar nog begreep ik niet waar hij heen wilde. Hij wachtte even, keek me opnieuw aan. Toen zei hij: 'Dan hebben ze van jou niet veel te verwachten, vriend!' Kijk, zoiets kan een keerpunt worden in je leven.

26-9-2007

Kinderlokkers en kinderdoders

Gisteravond na het eten was ik nog even met mijn kleindochters naar de speeltuin om de hoek. Naomi, van vier, had het plotseling over een kinderlokker die bij haar in de straat zou wonen. Niemand wist hoe hij heet. Er was alleen bekend dat hij een busje had, groen, maar even later was het wit, met een rood kruis op allebei de zijkanten. Ach ja, een kind van vier ... Even later vertelde ze dat ze nooit met een kinderlokker mee zou gaan, ook niet als hij snoepjes beloofde. Alleen met een bekende zou ze meegaan, zoals met Elora, haar vriendinnetje. En ze vertelde dat ze mocht gillen en trappen en bijten als een kinderlokker haar mee wilde nemen. Ik vroeg haar hoe ze kon zien dat iemand kinderlokker was, maar daar had ze geen antwoord op.

Het meeste seksuele geweld naar kinderen vindt plaats binnen het eigen gezin of binnen de eigen familie. Dat is al heel lang bekend. Daar ligt de grote risicofactor en die ligt dus niet op straat!

Vandaag stond in de Volkskrant boven het interview met Toon Verheugt, zojuist gepromoveerd op een proefschrift over moord-ouders, een grote kleurenfoto van een gesloten spoorwegovergang met op de voorgrond twee lijkauto's. Het betrof de overgang bij Haarlemmerliede waar, een half jaar geleden, een vader zich met zijn twee kinderen voor de trein ombracht. 'Wat is er hier gebeurd?', vroeg mijn kleindochter van zes. Ze kan nog net niet lezen, maar al over een halfjaar kan dat een heel ander verhaal zijn. Toen ze niet snel genoeg antwoord kreeg, concludeerde ze dat die twee zwarte auto's 'gebotst waren' en wij lieten het daar maar bij.

Vijfentachtig procent van de kinderen die door geweld om het leven komen, worden gedood door hun vader of moeder. In Nederland komen jaarlijks tien tot vijftien gevallen aan het licht, waarvan er hooguit één of twee vermoord worden door de spreekwoordelijke griezel uit de bosjes. Daarbij moet aangetekend worden dat de meeste kinderdodingen nooit aan het licht komen. Uit buitenlands onderzoek blijkt dat het werkelijke aantal kinderdodingen drie tot zeven keer hoger ligt dan uit de officiële statistieken blijkt.

Kinderdoders zijn meestal in hun eigen jeugd mishandeld, hadden een slechte emotionele band met de eigen ouders of ze hebben op jonge leeftijd dierbare naasten verloren. Het zijn kwetsbare mensen die veel narigheid hebben meegemaakt en beschadigd zijn geraakt. Een nieuw verlies, scheiding of sterfgeval, is vaak het laatste zetje om tot een wanhoopsdaad te komen, ook om hun kinderen al die narigheid niet te laten ondergaan.

11-9-2007

Cirkelgang van alle leven

Nu de bladeren beginnen te vallen, de dagen korten en de zon steeds lager aan de hemel klimt, sta ik onwillekeurig stil bij de cirkelgang van het leven. Ik kan niet geloven dat onze menselijke dood dood is, in de zin van afgelopen, terwijl de hele natuur om mij heen is onderworpen aan een schijnbaar eeuwige cirkelgang. De lucht neemt het water uit zeeën en oceanen en als regen valt het terug in de bergen om langs lange wegen terug te vloeien naar de zee. Nog maar net zullen de bomen kaal zijn en je kunt aan hun takken al zien hoe ze zich opmaken voor een nieuwe ronde. Wij allen weten dat als vanavond de zon in het westen onderging, dat hij morgenochtend in het oosten opnieuw aan de horizon zal oplichten. Zo geloof ik dat wij als mensen ook eeuwig zijn, dat we niet verdwijnen, maar in altijd nieuwe gestaltes onze rentree maken op deze aarde (en wie weet op welke planeten meer). Ik geloof daarbij dat elk leven geleefd wordt met het doel een paar levenslessen te leren en dat de dood er zal zijn als dat pad is doorlopen. Wie weet schrijven we zelf, ieder voor zich, na de dood het script voor een volgend leven met weer nieuwe lessen, lessen die ten doel zullen hebben steeds meer één te worden met Al.

Vanavond moet ik terugdenken aan dat kind in Apeldoorn. Spelend was het onder de trein gekomen, net voordat ik zou passeren. Ik zag het verscheurde leven. Ik zag het radeloze verdriet van de familie. Ik zag de verslagen machinist. Dat alles is nu zo'n 42 jaar geleden, en kennelijk laat het me niet meer los. Welke lessen werden hier geleerd? En wie leerden er lessen door de dood van dit kind? Kan het zo zijn dat sommige mensenkinderen een leven leven met als hoogste doel één of een paar volwassenen een les te helpen leren? Natuurlijk heb ik geen definitieve antwoorden, daarvoor is het mysterie me ook te lief. Maar ik kan er niet omheen. Dat gaat niet meer, als je, al is het maar een enkele keer, ervaren hebt hoe een overledene hier terugkeerde in een nieuw mensenkind.

Deze zomer sprak ik op 'Zorgvlied' in Amsterdam op het graf van haar verdronken zoontje van vijf met de moeder, die na jaren nog immer bezig was met haar schuldgevoelens. Misschien was het goed dat iemand in haar eenzaamheid naar haar luisterde? Voorzichtig probeerde ik haar ook iets van mijn beleving van de dood in overweging te geven, maar die bleek, althans op dat moment, voor haar een brug te ver. Ik kan ook wel aanvoelen hoe onverdraaglijk de dood van een kind kan zijn. Niemand moet er dan ook iets met mijn visie, als hij of zij die niet tot eenheid kan brengen met zichzelf.

Ik moet denken aan het verhaal 'De engel' van Hans Christian Andersen in 'Sprookjes en verhalen'. U vindt dat verhaal hier.

25-8-2007

Zwijgen over het geloof?

Fouad Laroui stelt in de (Volks)krant van vandaag opnieuw voor om te zwijgen over identiteit en vooral over geloof. Als dat zou lukken, denkt hij dat de wereld een vrediger oord zou zijn dan zij is. Fouad gaat ervan uit dat geloof (een paar vage ideeën over God) per definitie iets absoluuts is, waarover geen vergelijk met anderen mogelijk is. Op dat punt verschil ik met hem van mening. Als het inderdaad zo absoluut zou zijn, ben ik het met hem eens: laten we zwijgen over wat we aan het goddelijke ervaren en daar van daaruit over denken en geloven. Een andere weg lijkt mij echter te beseffen dat de goddelijke Grootheid ons kleine mensjes verre overstijgt en juist in onze onderlinge verschillen van identiteit en geloven tot uitdrukking komt. Op deze weg zullen de verschillen slechts verrijkend uitwerken en zullen we dus juist wél uitwisselen en spreken over, maar vanzelfsprekend met respect en eerbied voor al het andere.

Zie ook hier en hier!

23-8-2007

Stervende stilte en oordopjes

De (Volks)krant van vandaag: Steeds meer concertbezoekers, volgens een poll 45 procent, dragen oordopjes ter bescherming van hun gehoor, dit tot vreugde van audioloog Jan de Laat van de Nationale Hoorstichting. Voor mij de waanzin gekroond: met oordoppen in naar een concert. Hier ter plaatse hebben we net zes zomerdonderdagavonden t.b.v. handel en horeca achter de rug, waarbij de mij op dat uur ongewenste openluchtconcerten tot 01 uur doorgaan op een volume waar ik op hemelsbreed minstens een kilometer afstand niet van slapen kan zonder de ramen te sluiten en oordoppen in te doen. Ik heb een heel ander idee: zorg voor een normaler volume. Dan hoeven bezoekers, noch anderen, die gewoon 's nachts willen slapen, die oordoppen helemaal niet meer in te doen. Of is mijn idee wellicht technisch onmogelijk?

Zie ook Stervende stilte.

5-8-2007 (2)

Altijd weer: Gij moet wederomgeboren worden

Veel christenen hebben moeite met de confrontatie met het geloof van andersdenkenden. Ik ben langzaam gaan beseffen zo'n andersgelovige te zijn en ik noem me dan ook geen christen meer, ook al om vruchteloze discussies te voorkomen. Voor mij is het wat geloven betreft niet of of, maar en en. Ik geloof dat ieders weg van God kwam en uiteindelijk, vroeger of later, tot God, wie of wat dan ook, terugkeert. Ik geloof dat mensen niet onttrokken zijn aan de kringloop waaraan de gehele waarneembare natuur rondom ons onderworpen is. We kennen seizoenen, zonsopkomst en zonsondergang, de cirkelgang van de planeten, van het water, dat verdampt en als regen opnieuw tot ons komt. Het blad dat van de bomen valt en daaraan terugkeert, altijd opnieuw, evenals het zaad dat zich op de aardbodem verspreidt om op steeds nieuwe plaatsen te ontkiemen, te groeien en te bloeien om opnieuw af te sterven om zaad te geven dat verspreid wordt op de wind, of door vogels of zelfs door menselijk toedoen. Ik geloof zo dat we als mensen wedergeboren worden, steeds opnieuw nadat we gestorven zijn. Een enkele keer kan ik het zien, hoe een overledene ineens is teruggekeerd in de gedaante van een nieuw mensenkind en ik kan er niet omheen.

Voorbije dinsdag werd ik op twee momenten bepaald bij dat wedergeboren worden. Tweemaal merkte iemand op dat ikzelf wedergeboren moet worden. Beiden bedoelden wat ze me zeiden in andere zin dan ik hierboven aanhaalde. Het was mooi weer die dag. Ik maakte een fietstocht in de buurt van Giethoorn en Dwarsgracht toen ik op een bankje op een stille plaats aan het water Lisanne en Kees ontmoette. Ze kwamen uit het zuiden van ons land en hielden hier vakantie. Net als ik hielden ze van fietsen in Gods vrije natuur. We kwamen aan de praat over de dingen van het leven. Zij waren wel christen, zo begreep ik en ze namen de dingen van het geloof heel serieus. Ik zag dat ze, net als ikzelf, op de weg waren naar God terug. Ook ik vertelde van mijn geloof, niet om ze te bekeren of zo, want ik geloof dus dat ook hun weg naar het goddelijke terugvoert en als zij zich goed voelen op die weg, moeten ze die vooral blijven volgen. Zij echter vonden wat ik over mijn geloven vertelde vreemd, beangstigend misschien. Ze vonden dat ik op een dwaalweg zat en dat zeiden ze me ook. Voor hen was er maar één weg; zij konden mijn weg niet als een legitiem alternatief zien. 'U moet nog wedergeboren worden', zei Lisanne op een bepaald moment. En Kees gaf met zijn vingers de ruimte aan die er was tussen twee planken van de picknicktafel waaraan we zaten: 'U moet nog zó'n kleine stap nemen', zei hij, 'u bent er bijna!' Het speet me dat ze me niet voor vol konden aanzien en kennelijk met me te doen hadden, waar in mijn ogen geen enkele aanleiding toe was. In Dwarsgracht zag ik ze even later terug en ze vroegen me of er een restaurant was, wat ik ze wijzen kon.

Dezelfde avond was ik bij mijn jongste broer op verjaarsvisite. Ik zat naast een buurvrouw van mijn broer en wederom raakten we in gesprek over het geloof. Ik ben altijd enthousiast om over zo'n onderwerp te praten en uit te wisselen, want mijn geloof is een belangrijk iets in mijn leven en ik ga er vanuit dat het anderen net zo vergaat. Opnieuw kwam mijn gespreksgenote tot de uitgesproken conclusie dat ik nog wederomgeboren moet worden. Ik was dat met haar eens, want ik ga ervan uit dat ik na dit leven zeker in een volgend zal terugkeren. Om haar niet te kwetsen, hield ik dat in dit verband maar voor me.

Het deed me denken aan een voorval in Staphorst, alweer vele jaren geleden. Ik had daar als Riagg-hulpverlener contact met een doodzieke cliënt en kreeg steeds sterker het gevoel dat mijn contact met hem en het contact dat zijn dominee met hem onderhield zich strijdig tot elkaar verhielden. Omdat dat niet in het belang van mijn cliënt kon zijn, maakte ik een afspraak met de dominee in een uiteindelijk vergeefse poging samen wel op dezelfde lijn te komen. Op een morgen om negen uur stapte ik zo de pastorie tegenover de hervormde kerk binnen en kreeg ik een stoel gewezen in de ruime studeerkamer rechts naast de voordeur. Toen dominee tegenover me kwam zitten, er was op dat moment nog nauwelijks iets gezegd, zei hij mij om te beginnen: 'Gij moet wederomgeboren worden.' Ik voelde op hetzelfde moment de adrenaline in m'n aderen en het lag me voor in de mond om te reageren met: 'Gij evenzo en elke dag opnieuw!' Gelukkig besefte ik op tijd niet gekomen te zijn voor een theologische discussie en lukte het me het belang van mijn cliënt niet uit het oog te verliezen.

Het deed me ook denken aan mijn vijftigste verjaardag. Mijn moeder leefde toen nog en zij roerde in gesprekken graag zaken van geloof en leven aan. Zo ook toen. Alhoewel ik tegenover haar geleerd had te zwijgen over deze dingen als ik er omheen kon, moest ik nu toch iets betreffende mijn ervaren en beleven loslaten. 'Jij', zei mijn moeder op een bepaald moment, 'jij moet oppassen dat je niet met een ingebeelde hemel ter helle vaart!'

Ten slotte: Ik heb niets tegen het christendom, ook al heb ik langzaam maar zeker begrepen dat ik erbuiten ben komen te vallen. Ik geloof dat het christendom een weg naar God terug is, zoals ik geloof dat er ontelbare wegen zijn. Op veel christenen heb ik slechts tegen dat zij menen dat hun weg de enige zou zijn en dat zij van daaruit geen respect kunnen opbrengen voor andere wegen, zoals de mijne, sterker nog: dat zij een onbedwingbare bekeringsdrang ten toon spreiden waarin ik het gevoel krijg niet te deugen zoals ik ben. Ik hoop dan ook dat ik in mijn geloofsgesprekken de ander meer serieus kan nemen dan ik mezelf door christenen dikwijls genomen voel.

5-8-2007

Falende gezondheidszorg

De Nederlandse gezondheidszorg faalt naar het me lijkt steeds meer. Voorbije week sprak ik een relatief gezond levende en zeer slanke zestiger die angsten had gekend en wellicht af en toe nog wel kent voor hartfalen. Duidelijk was dat er in elk geval sprake was van een neiging tot hyperventilatie met de bijbehorende paniekaanvallen. Hij kende die aanvallen vooral van in de auto en dan met name op de autoweg. Het was voorgekomen dat hij niet meer verder durfde rijden. Er was ook sprake van vermijdingsgedrag. De man bleek eerder dit jaar zijn auto zelfs verkocht te hebben, alle beperkingen die dit hem en zijn gezin oplegde ten spijt. Achterliggend bleken er relationele problemen te zijn, waarin hij af en toe geen uitweg zag.

Niemand van de behandelaars, huisarts en cardioloog, had de moeite genomen het verhaal wat uit te vragen. Niemand had nagevraagd of de klachten in rust of ook bij lichamelijke inspanning optraden. Dat laatste deden ze namelijk nooit en dat wist de man heel precies. Niemand had aan hyperventilatie gedacht. Daar was dus ook niet met hem over gesproken. Wel had de huisarts op een bepaald moment verwezen naar de cardioloog en deze had een heel onderzoeksrepertoire afgewerkt en hem ten slotte slechts verzekerd dat hij maar één ding kon zeggen, namelijk dat hij het niet, zoals hij dus vreesde, aan zijn hart had. Niemand had gevraagd naar spanningen of psychosociale problemen, die naar mijn weten toch zeker de helft van alle gezondheidsklachten voor hun rekening nemen.

Het is maar een enkel voorbeeldje uit een scheefgegroeide gezondheidscultuur, waarin het de verrichtingen, dus de euro's, zijn die tellen. Er is nog heel wat werk te doen in onze gezondheidszorg. Alleen liggen de taken misschien anders dan veel gezondheidswerkers denken.

4-8-2007

Laten we maar niks zeggen

We fietsen de Zandenbosroute op de Veluwe. In de bossen bij Vierhouten vinden we het onderduikerskamp, waar in 1943-1944 zo'n honderd joden en neergeschoten geallieerde piloten een onderkomen vonden, daarbij met voedsel en zorg geholpen door mensen uit de naburige dorpen. Op een vroege morgen vond een SS'er op zoek naar wild de onderkomens. De meeste bewoners wisten op tijd te vluchten, acht werden er ingerekend en wat verderop geëxecuteerd, waaronder een kind van zes.

Bij één van de holen treffen we een vader met twee kinderen in de basisschoolleeftijd. 'Hoe kan zoiets gebeuren', mijmer ik. Hij heeft een antwoord klaar. 'Het gebeurt omdat mensen uit zijn op macht en bezit', zo meent hij.

Als we zonder woorden op de vermoedelijke plaats van de executie staan en de namen en leeftijden lezen, komen een moeder en twee kinderen, net wat ouder dan zes, bij ons staan. Ik kijk naar ze. Ook zij laten de namen op zich inwerken. Ik kijk naar de kinderen en krijg een brok in m'n keel. 'Laten we maar niks zeggen', breng ik uit. Daarmee ben ik de enige die in deze ogenblikken woorden gebruikt. Zij zeggen niets.

12-7-2007

Ver van de ander en ver van onszelf verwijderd

Het gebeurde deze week, in het centrum van Hoogeveen. Naomi van vierenhalf is met haar twee jaar oudere zusje en haar moeder op vakantie in die regio en die dag zijn ze in het centrum van Hoogeveen. Dan, plotseling, zijn ze elkaar in de drukte uit het oog verloren. Moeder realiseert zich heel snel dat Naomi een armbandje om heeft met het mobiele nummer dat zijzelf bij zich heeft. Ineens lijkt de telefoon goud waard! Maar: er is ook iemand nodig die het nummer belt.

Naomi is gelukkig niet snel in paniek. Ze realiseert zich dat nu gebeurt waar mama al vaker met haar over heeft gepraat. Ook zij wordt zich bewust dat ze het armbandje om heeft met het telefoonnummer van haar mama. Ze begint met mensen aan te spreken. Achteraf vertelt ze dat ze een aantal mensen gevraagd heeft: 'Weet u waar mijn mama is?' Maar de mensen zeggen dat ze het niet weten en sommigen luisteren zelfs helemaal niet. En iedereen loopt gewoon verder. Dan ziet ze een moeder met twee kinderen en ze denkt: die mama zal mij toch wel helpen? Maar ook deze mama komt niet verder dan: 'Nee, dat weet ik niet.' Ook deze mama loopt gewoon door.

Moeder is met haar dochter van zes aan 't zoeken. Ze roept vooral heel hard: 'Naomi!' En eindelijk, na tien minuten, hoort ze in de verte: 'Mama!' En dan zijn ze herenigd, een illusie armer. Zo'n armbandje met een telefoonnummer werkt gewoon niet als niemand aandacht heeft voor een kind van vier dat haar moeder kwijt is.

Die tien minuten uit dit waargebeurde verhaal moeten heel lang geduurd hebben. Ik weet niet of het ging om tien gevoelsminuten of tien klokminuten. Ik herinner me wel van zeer nabij twee situaties van ademstilstand bij jonge kinderen, waarbij in mijn gevoel elke seconde wel minstens vijf secondes duurde.

Ik vertel het verhaal aan een collega die me helpt een afdakje in de tuin te bouwen. Dan vertelt hij het verhaal van de mongool die zonder dat de ouders ervan wisten met verlof uit het tehuis naar het ouderlijk huis kwam en op het station dus niemand aantrof om hem op te halen. Hij stond daar en mijn collega zag dat hij nodig moest plassen. Maar toen mijn collega opnieuw langs het station kwam, stond hij er nog steeds en nog steeds met hoge nood. Mijn collega is toen uitgestapt en naar de jongen toegegaan. Hij heeft hem in de struiken laten plassen. Daarna heeft hij de jongen gevraagd of hij een telefoonnummer had, waarop meteen een kaartje uit de binnenzak tevoorschijn kwam. Hij heeft het nummer van de moeder gebeld en toen begrepen dat er een communicatiestoring moest zijn geweest. Enfin, één telefoontje loste het probleem op.

Wat is het dat we de medemens naast ons niet meer zien? Zijn we misschien teveel bezig met onze mobiel? Te verdiept in onszelf? Willen we niet gestoord worden? Willen we erbuiten blijven, er niets mee te maken hebben? Als dat zo zou zijn, zijn we ver van de ander en daarmee ver van onszelf verwijderd.

28-6-2007

We komen overal, behalve bij onszelf?

Hoe leefbaar is onze wereld nog en hoe laten we haar onze kinderen en kleinkinderen na? De vraag kwam bij me op op onze trip naar de weekmarkt van Luino. Het stadje ligt aan de oostelijke oever van het Lago Maggiore en heeft sedert eeuwen op woensdag haar weekmarkt. Langs het meer en in de stad: overal vind je de kraampjes. Op zich een gezellige boel, ware het niet dat er zo ongelooflijk veel mensen op afkomen. Als, zoals langs het meer, de paden tussen de rijen kraampjes te smal zijn voor de toegestroomde menigte, krijgt het geheel al snel iets benauwends. En door de voortdurende stroom auto's wordt het soms letterlijk benauwd.

Het stadje heeft op woensdag kennelijk een tekort aan parkeerplaatsen en dat leidt dan tot voortdurend circulerend verkeer, veelal op zoek naar een plekje. Natuurlijk: ik doe daar ook aan mee. Alhoewel, de situatie in ogenschouw nemend, koos ik ervoor een kilometertje omhoog te rijden, waar in het volgende dorp ineens gewoon weer gemakkelijk een plaats te vinden bleek te zijn. Dat verkeer, de gassen en het lawaai, het maakt je allemaal snel moe en het kan voor mijn gevoel niet goed zijn voor de gezondheid. Ik behoor nog tot de twijfelaars, die er nog niet van overtuigd zijn dat meer CO2 het milieu alleen maar ten goede komt. Ik koos een auto die qua uitstoot goed scoort. Maar dan nog: ook ik rijd van Nederland naar Italië, ook ik rijd hier rond en ook mijn auto produceert uiteindelijk niet veel goeds. In en rond dit stadje ervoer ik het verkeer als een erg negatieve energie. Ik probeerde me de weekmarkt van honderd jaar geleden voor te stellen en in mijn beeld week alle negativiteit abrupt. Hoezo vooruitgang?

Verkeer helpt je je weg te vinden, je te ontplooien, wat van de wereld te zien. En tegelijk bederft hetzelfde verkeer je levensvreugde door vuiligheid en lawaai, perkt het je in je vrijheid in en ontneemt het je dikwijls de ruimte die nodig is om de schoonheid van de natuur in ogenschouw te kunnen nemen. Voort moet je immers, niet dralen, maar mee in de gehaaste stroom. Ook hier in Zwitserland en Italië vind ik ruimtegevers en ruimtenemers en ook hier betrap ik er mezelf soms op ook deel van de laatste groep te zijn. 'Reisen statt rasen' was in vroeger jaren een aan de Duitse autobanen terug te vinden spreuk, maar wie van ons gunt zich nog tijd om te reizen? Soms denk ik dat we met z'n allen, of bijna met z'n allen, te veel uit het leven willen halen, te hoge eisen stellen en daarmee uiteindelijk onszelf en elk-ander tekortdoen. Wat willen we? Een wereld waarin we tot rust kunnen komen of toch maar de waanzin van altijd verder en altijd meer? Is het niet die waanzin die ons overal brengen kan, behalve bij onszelf?

25-6-2007

Der Täter und das Tatort

Op zijn balkon met uitzicht over dal en meer sprak ik met de heer N. Het gesprek kwam van de politiek op geloof. N. vertelde niet zo in de kerk te komen, maar wel gelovig te zijn. Wat hij geloofde, wist hij niet precies, vond hij ook niet belangrijk. Voor hem was het besef van de aanwezigheid van meer dan het tastbare voldoende.

Ik vertelde ook wat over mijn geloof, over de kringloop van levens. Hij was geïnteresseerd. Op een gegeven moment verzuchtte hij dat we maar zo ontzettend weinig weten. Ik was dat met hem eens. Ook mijn geloof is slechts vermoeden.

Even later ging het over onze trips in deze omgeving, Bellinzona en Lugano. Hij vroeg zich af wat we daar te zoeken hadden. Ik vertelde hoe we daar ook geweest waren in het eerste jaar van ons huwelijk. Toen glimlachte hij. 'Der Täter kommt immer noch einmal an dem Tatort zurück', grapte hij.

De dagen na dit gesprek bleef die dader en zijn plaats delict in mijn gedachten. Ik vermoed dat wij niet slechts op de plaatsen waar we in dit leven iets misdeden terugkeren, maar evenzo op die plaatsen uit vorige levens. Ik geloof dat wij mensen die we iets misdeden opnieuw ontmoeten, net zo goed als we degenen die ons onrecht deden op ons pad zullen terugvinden. Altijd opnieuw, door meerdere levens heen, krijgen we nieuwe kansen om met elk-ander in het reine te komen, schuld vereffend te krijgen of te vereffenen. De kringloop van ons menselijke bestaan zal niet eindigen voordat alles is geneutraliseerd en tot eenheid geraakt.

We picknickten in een dorpje vlak voor Sonogno. Aan een speeltuintje zaten we op een bank, met zicht op het plaatselijke centrum, waarin een winkel, een brievenbus en een bankgebouw met geldautomaat. Hier hoort zoiets nog thuis in een dorp met minder dan honderd huizen. Toen we vertrokken, liet ik m'n bril en koker op de bank achter. Niet slim, maar het gebeurt me nu eenmaal vaker. Daarom heb ik een plakker met naam, adres en telefoonnummer in de koker aangebracht en tot nu toe is hij altijd weer teruggekomen. Ik had hem al gezien, de man die wat op zijn balkon stond uit te kijken. Ik had nog gezegd: 'Als ik hem was, zou ik mooi een stoel buiten in de zon zetten.' Deze man was het die me, toen we nog even op het kerkhof keken, mijn bril nabracht. Of we uit Nederland kwamen, zo vroeg hij zich af. We raakten in gesprek en hij vertelde dat hij door een moeilijke tijd ging en ook zijn geloof wat was kwijtgeraakt. Hij had nogal wat mensen rondom verloren, onder andere één van zijn twee zoons. Hij begreep het allemaal niet meer. De vrouw van zijn overgebleven zoon wilde afstand bewaren en zijn zoon ging daarin mee. Toen was hij maar verhuisd naar zo'n beetje het eind van de wereld. 'Als we God willen kennen', zei de man, 'dan moeten we naar de natuur en naar de dieren kijken. Niet naar de mensen. Mensen maken alles kapot. De hele natuur gaat er door de mensen aan, alle rust en reinheid.' Hij had zich op zichzelf teruggetrokken, verlangde niet veel meer van het leven. Of hij alleen was, vroeg ik. Dat was hij niet, maar eigenlijk ook wel. Hij had een vriendin, maar het zat in de relatie niet goed. En dat was niet makkelijk voor hem.

Ik voerde aan dat er in de mens kwaad zit, maar ook goed en dat we toch leven om met onze gaven wat goeds te doen. 'Er zijn er maar weinig', verzuchtte hij, 'die daar zo over denken. De mensen versmeren alles!' 'En toch valt het u op dat ik mijn bril laat liggen en u komt naar beneden en naar buiten, haalt mijn bril op en brengt hem mij na', zei ik. Zoiets kleins ...', smaalde hij. Hij kwam het kerkhof op, zuchtte niet begrijpend om al die doden. 'Veel van deze mensen zijn volgens mij allang weer als nieuwe mensen onder ons', zei ik. Hij keek me aan. 'Dat kan ik niet geloven', reageerde hij. En ik vertelde hem hoe immers alles in de natuur, waarin hij zei God wel te kunnen zien, cyclisch is, een eeuwige kringloop. Hij luisterde, vulde me aan met nieuwe voorbeelden.

Toen we wegreden stond hij daar en keek ons na. Het was gemeend toen ik hem een goed leven verder wenste. En hij wenste ons een mooie vakantie.

22-6-2007

Wisselvallig leven

Wisselvallig noemen we het als opklaringen en buien elkaar afwisselen. In Zuid-Zwitserland verblijvend krijgen we momenteel de nodige wisselvalligheid te verwerken. Wat kan het regenen hier! En wat klinkt de donder in de bergen! Vanaf de berghelling is ons uitzicht over snel opgroeiend groen gericht op andere bergen en tussenin het dal, waar naast grote tomatenkassen een klein vliegveld is voor helikopters van het Rode Kruis en vliegtuigjes die bij mooi weer opstijgen om op hoogte sporters aan hun parachutes uit te laten. Als ik opsta waar ik zit te schrijven, kan ik over de palmboom, die op twee meter afstand staat, heenkijken en zie ik het noordelijkste deel van het Lago Maggiore met wat dorpjes en stadjes. In de wisselvalligheid van dit moment verandert het zicht voortdurend. Het ene moment is alles weg en zitten we in een wolk en even later verschijnt er weer licht aan de hemel, zien we de wolk zich breken en naar boven wegtrekken of naar beneden wegzakken en even plotseling als zij verdween, verschijnt de zon ook weer. Het is als een levend schilderij dat in voortdurende afwisseling de bergtoppen hier tegenover zowel als het leven en het meer beneden zich laat blootgeven dan wel verhullen. En zodra de lucht even breekt, laten altijd weer vogels zich horen.

Hoezeer lijkt de wisselvalligheid van de natuur rondom op het leven van ons mensen. Ook wij kennen periodes van leven in het zonlicht en tijden van duisternis en grauwheid. Bij de ene mens wisselt het sneller en gemakkelijker, bij de ander gaat het meer om episodes. De een is ook meer stabiel dan de ander bij wie het gemoed gemakkelijker van kleur verschiet. Zoals in mijn uitzicht geen moment gelijk is aan het vorige, zoals ieder ogenblik daar uniek en eenmalig is, zo is het in ons leven ook. En steeds trekt na somberheid of duisternis de hemel open, verschijnt er licht. Altijd opnieuw ontworstelt zich in ons de vrije roep van de vogel. Want vrij zijn we, uiteindelijk, en uniek. Natuurlijk: vanuit onze angsten binden we ons aan allerlei zaken en ondermijnen daarmee onze vrijheid, maar het wezen van die vrijheid is nooit onderuit te halen. Zodra we onszelf en ons leven voldoende vertrouwen, zijn we vrij. Zo werkt dat nu eenmaal. En zodra we weer van alles moeten, zijn we onze vrijheid kwijt en krijgt onze angst de overhand.

Kleine mensjes zijn we in het grote goddelijke rondom. We kunnen ons heel wat verbeelden, maar uiteindelijk zijn we overgeleverd aan iets buiten onszelf, iets wat ik het goddelijke noem, of het mysterie. En het mooie is dat we zelf, ieder voor zich, daarvan deel uitmaken. Onze eigen menselijke kern heeft in beginsel misschien wel alles in zich van het goddelijke geheel, maar het probleem is dat we zoveel daarvan niet (h)erkennen en dus evenmin aanspreken. Ik geloof dat we, zodra we in onze vrijheid durven staan, goddelijke mogelijkheden in onszelf ontdekken zullen. En dan nog: het zal alles zijn in wisselvalligheid, zoals het goddelijke nu eenmaal wisselvallig is. Het is een levenskunst de wolken, de depressies en de buien die daarvan deel uitmaken als eigen te kunnen accepteren. Die kunst schept volop ruimte voor de zon.

19-6-2007

Open kerk

In Zwitserland zijn de kerken nog open. Waarom het daar wel kan en bij ons niet, is me niet duidelijk. Ik vind het mooi als kerken gewoon open zijn. Een open kerk is cultuur, brengt een mens bij zichzelf en dus bij het goddelijke.

Ik zag mensen die binnenkwamen om alleen maar even stil te zitten. Er waren er die de kerk bezichtigden. Sommigen kwamen om een kaarsje, waxinelichtjes zijn dat tegenwoordig, te branden. En ieder was stil, keerde zich naar binnen, vond een ogenblik van rust.

In Cugnasco troffen we bij de kerk een speeltuin en een begraafplaats. Later vandaag zag ik dezelfde combinatie bij nog twee kerken. Het lijkt geen toeval. De echte dingen van het leven komen rond de kerk bij elkaar. Daar in de kerk van Cugnasco trof ik plotseling mijn moeder. Ze is al bijna zes jaar dood. Ik geloof zelf dat ze al lang in een nieuw mensenkind onder ons is teruggekeerd. Ik begrijp niet veel van die dingen, van leven en dood en nieuw leven. Het gebeurt ook gewoon maar, als ik haar tref. Ik zag de lichtjes branden, rustig en zonder de minste flakkering. Ik stak een lichtje voor haar op, of voor mezelf, voor m'n stille herinnering. Ik wilde betalen, maar er was niets om m'n geld in te kunnen doen. Er was betaald, zo te zien. Dat voelde goed.

Sommige plaatsen voelen sowieso goed, net zoals sommige mensen. Het is goed om op dit soort gevoelens af te gaan.

18-6-2007

Langer werken

Het is de trend: langer doorwerken. Er is een samenhang met de vergrijzing, het ouder worden ook. Het economisch tij vraagt erom, zo moeten we geloven. Er zijn er die het kunnen en anderen kunnen het niet.

Ik leerde Theo een paar jaar geleden kennen, op fietsvakantie in Oostenrijk. Hij is ruim een jaar jonger dan ik. Hodgkin had hij gehad, maar hij was er bovenop gekomen. Wel had hij er suikerziekte aan overgehouden, een kwaal die hij dikwijls maar met moeite onder controle kon houden. Hij is een doorzetter, een werker. In die tijd reed hij op zo'n vrachtwagen met twee lagen nieuwe auto's erop. Het hele land kwam hij door en dikwijls was hij ook daarbuiten. Hij belde me als hij bij mij in de buurt reed of moest lossen en een paar maal mocht ik een kom koffie voor hem maken en eenmaal zelfs een ei voor hem bakken, als m'n geheugen me niet bedriegt. Een andere keer bezocht hij me op mijn werk, maar dat was omdat hij advies nodig had omdat hij een ander, die in de puree zat, zo graag wilde helpen. Hij was 's morgens vroeg op pad, dikwijls al om een uur of vier of vijf. Hij moest lange dagen maken, voor hem te lang. Ik voelde in ons contact van stonde aan dat hij te veel van zichzelf vroeg. Na een uur of wat gereden te hebben, moest hij de auto soms aan de kant zetten, omdat hij gewoon eerst een uur moest slapen om weer verder te kunnen. Eenmaal heb ik hem aan het werk gezien bij een garage dicht bij mijn huis. Er komt heel wat kijken voor je een paar auto's gelost en afgeleverd hebt. En dan dus door naar de volgende klant, en de daarop volgende. Voor mij hoorde hij minstens voor de helft in de wao, zoals die toen nog heette. Maar hij wilde er niet van horen.

Hij raakte zijn baan kwijt, was niet meer snel genoeg, had een keer een paar auto's beschadigd onder te laag hangende takken. Wellicht was hij, gezien zijn leeftijd, ook te duur, alhoewel hij in mijn ogen niet best betaald werd. Hij zat in de rats, wilde niet in de bijstand komen. Snel vond hij een nieuwe baan, weer op de vrachtwagen: rijden in de randstad, vooral 's nachts. 'Jij moet niet onregelmatig werken', vond ik opnieuw, maar wie was ik? Ik was niet zijn hulpverlener; hij wilde helemaal geen hulpverlener. Toen ging het erop lijken dat hij toch nog met z'n zestigste in de vut zou kunnen. In juli wordt hij 60, per augustus zou hij kunnen stoppen. Dat was het nieuws toen hij me de laatste keer belde, ik meen ter gelegenheid van de geboorte van zijn tweede kleinkind.

Al een week was hij in mijn gedachten, achteraf bezien dus sinds hij in het ziekenhuis beland was. De telefoon werd niet opgenomen en hij belde ook niet terug omdat hij mijn nummer op zijn melder herkend had. Hij bleek op vakantie naar Schotland, samen met zijn vrouw, in een groep, net zoals wij elkaar een paar jaar eerder hadden leren kennen. Maar hij had een herseninfarct gekregen, was rechts verlamd, kon niet praten. Eindelijk kreeg ik zijn zoon aan de telefoon. Die was naar Schotland geweest en weer teruggekomen en had de telefoon in het ouderlijk huis naar zijn eigen nummer doorgeschakeld. Vader lag daar nog in het ziekenhuis, maar het begon wat beter met hem te gaan. Even later had ik het nummer van zijn vrouw en kreeg ik haar aan de lijn. 'Zondagavond mogen we gelukkig vliegen', vertelde ze. En ze vertelde nog meer. De datum van Theo's vut was vijf maanden verlaat, naar 1 januari. En dat was niet goed bij hem, die altijd een doorzetter was geweest, aangekomen. Hij zag er tegenop, zag het niet meer zitten. Zij moest 'm opbeuren: 'Die paar maanden doe je gewoon ook nog even. Het is zo voorbij!' Maar zijn gevoel en doorzettingsvermogen wilden niet meer mee, ditmaal.

'Hij zal wel niet meer aan 't werk komen', concludeerde ik. 'In elk geval niet meer op de vrachtwagen', zei zij. Ze stond op het punt om naar het bezoekuur te gaan en zou hem de groeten doen.

12-6-2007

Anne Frank: niet uit te leggen

Mijn kleindochter van 6 heeft op school het verhaal van Anne Frank gehoord. Ik weet niet of dat is omdat haar school de Anne Frankschool heet, of dat het nog met de herdenkingen van mei te maken heeft. Dagenlang begint ze over Anne: hoe oud ze was, of iemand haar en haar gezin verraden heeft, waarom ze binnen moesten blijven, hoe zo'n kamp dan is, hoe het kwam dat ze is doodgegaan. 'Het is toch niet leuk, als iemand je verraadt!', hoor ik en ze kijkt me met een doordringende afkeuring aan. Dan gaat het over het eten in het kamp en over de kamer daar in Amsterdam en de kamers in het kamp. Ik krijg een brok in m'n keel, steeds als ze erover begint. Ze heeft een foto van Anne en het lijkt wel dat dit meisje haar zal blijven bezighouden, zolang ze die heeft. Ik kan nauwelijks antwoord geven, mijn vrouw doet het meest het woord. Voorzichtig proberen we haar te laten begrijpen dat het in zo'n kamp niet leuk was en dat er weinig eten was en dat het er koud was. Dat de mensen er makkelijk ziek van werden. We vermijden alle moord en doodslag nog maar even. Ze probeert zich in te leven, loopt immer tegen nieuwe vragen aan. Ze kan het niet bevatten! 'Waarom maken mensen dan oorlog? Waarom zeggen ze dan geen sorry? Waarom sluiten ze elkaar dan op? Als er mensen dood van gaan, dan doe je dat toch niet?'

'Groep 7 en 8 gaan ook op kamp', begint ze op een dag. 'Als je in groep 7 of 8 zit, moet je dan mee op kamp? Of mag je ook thuisblijven?' Ze blijkt er tegenop te zien, niet op kamp te willen. 'Je kunt wel doodgaan op kamp!' Maar gelukkig accepteert ze ook weer heel makkelijk dat een schoolkamp iets heel anders is, dat je dan op kamp gaat om samen lol te hebben en nog wat te leren ook.

Aan kinderen is het verhaal niet uit te leggen. Ik kan het al niet vanwege de verstikkende emoties bij al die niet begrijpende vragen, maar daarenboven ís er gewoon geen uitleg die het verhaal van Anne verteerbaar maken kan. Ik merk dat ik me afvraag welke dingen ik mijn kleindochter nog meer niet uit kan leggen. Als het niet uit te leggen is, denk ik dan, kan het het daglicht niet velen en deugt het in principe niet. Misschien moeten we bij onze daden wat meer aan onze kleine kinderen denken, hoe we hen kunnen uitleggen wat we doen en waarom.

8-6-2007

Hoe je CO2-uitstoot te beperken?

De G8 overweegt een halvering van de CO2-uitstoot voor 2050. Dat is veilig ver weg. De meeste deelnemende politici zullen er dan niet meer zijn. Intussen is de toename van de uitstoot groter dan in de somberste scenario's van de Verenigde Naties. De wereldwijde jaarlijkse groei van de uitstoot ligt sinds 2000 op gemiddeld 3,1 procent, terwijl die in het vorige decennium gemiddeld jaarlijks 1,1 procent bedroeg. Steeds meer landen zeggen dat er iets moet gebeuren, maar de uitstoot blijft groeien.

Wat kun je als individu als je gelooft dat CO2 niet goed is voor het milieu? Je kunt minder of niet vliegen, minder benzine verstoken, overstappen op groene stroom en groen gas (greenchoice.nl, met milieucompensatie) om maar iets te noemen. Als collectief zijn we kennelijk niet echt van plan het probleem aan te pakken. We zullen het van individuen moeten hebben. Hopelijk dat die elkaar aan weten te steken.

Zie 'Uitstoot CO2 hoger dan gevreesd', Volkskrant 23 mei jl., bron ANP en 'Laat uw geld rollen voor het milieu', Volkskrant 19 mei jl., door Jeroen Trommelen, onderzoeksverslaggever.

3-6-2007

Herrie van de buren: ik kan niet slapen

Gisteravond begon weer eens zo'n nacht. Nog niet eens in bed, merkte ik het al. Rumoer in de wijk, een feestje waarschijnlijk. Ik ben daar nooit blij mee, want naarmate het later wordt, is er steeds meer drank genuttigd en daaraan evenredig neemt het volume van de overlast toe. Ik heb aan zulke feestjes nooit mee willen doen. Ik ben asociaal, waarschijnlijk.

Ik heb in Den Haag gewoond. In mijn wijk daar werden deze dingen niet getolereerd. Als er al eens iets fout ging, werd massaal de politie gebeld en dan was het gauw gebeurd. Waar ik nu woon is de politie bepaald niet toeschietelijk en ik begrijp uit eigen vroegere ervaringen heel goed dat mensen dat apparaat niet graag benaderen. Maar ze doen er zelf ook niets aan. Ze laten zich alles gewoon maar aanleunen, hebben kennelijk nooit geleerd het heft in eigen hand te nemen. Ik irriteer me daar wel eens aan, omdat het me lijkt dat ik de enige ben die mensen aanspreekt op hun gedrag.

Toen ik een uurtje tevergeefs gepoogd had de slaap te vatten, heb ik me aangekleed om op onderzoek te gaan. Het geluid kwam me van zo'n honderdvijftig meter toegewaaid. In een donkere tuin trof ik een aantal jongelui, jongens en meisjes, ik schat de leeftijd op 17. Er waren geen volwassenen. Omdat het donker was en ik in het duister slecht zie, kwam ik voorzichtig aangeschuifeld. 'Ik zie een gestalte', hoorde ik een meisje roepen. Enfin, het vermoedelijke feestvarken kwam me tegemoet, een walm van drank met zich meedragend. Ik geloof dat hij nattigheid voelde. Vriendelijk vroeg ik hem het geluid daar in de tuin tot fluisterniveau terug te brengen. Het was per slot middernacht geweest en tussen zijn en mijn huis bevonden zich nog minstens een tiental woningen. Twee meisjes bemoeiden zich ermee en ik keek naar ze. 'Hallo', zei de jongen, 'ik handel dit met u af!' Hij zegde toe dat het geluid gematigd zou worden en ik schuifelde weer weg.

Toen hoorde ik dreunmuziek, u weet wel, van die bassen. Het kwam van precies van de andere kant van mijn huis. Tegelijk drongen ook de luide stemmen van die kant tot me door. Nog een adresje, dacht ik. Onderweg werd ik gadegeslagen door een buurtbewoner in ondergoed op zijn balkon. Hij stond daar niet om een sigaretje te roken. Tegenover het huis van de bonkmuziek zag ik een man in kamerjas op de oprit, zo te zien evenmin met een peuk in de hand. Voor de woning van het feestgedruis stond een grote Abraham, zo'n opblaasgeval tot boven de dakgoot. De compressor zoemde voor de voordeur. En toen, terwijl ik op de bel drukte, stopte het gezoem en zakte het hele geval in enkele seconden in elkaar. Omdat dat de bedoeling nou ook weer niet was, drukte ik meteen nog een keer op de bel, maar dat baatte niet. Waarschijnlijk had ik in de duisternis op een snoer getrapt en een verbinding verbroken. De neergekomen Abraham had dan ook meer aandacht van de gastvrouw dan ik. Er klonken commando's om de zaak te onderzoeken. Er liep een snoer vanuit het slaapkamerraam boven en vermoed werd dat daar de stekker losgeschoten moest zijn. Toen kwam ook ik aan de beurt. Ik deed mijn vriendelijke verzoek om het geluidsniveau terug te brengen naar fluisteren en mevrouw repliceerde met dat 'hij' net vandaag jarig was. 'We zijn allemaal op een keer jarig', reageerde ik, waarop ze me vlot verzekerde dat het afgelopen zou zijn.

Thuis kroop ik een halfuurtje achter de computer. De gedachten verzetten, wil bij mij nog wel eens helpen. Opnieuw in bed bleken de jongelui het niveau weliswaar gematigd te hebben, maar nog immer hinderlijk hoorbaar te zijn. Na opnieuw een half uur ging ik op zoek naar mijn oordoppen. Het was de eerste keer dat ik ze deze zomer nodig had.

2-6-2007

Asociaal verkeersgedrag

Ik ben nogal asociaal in het verkeer, zo begrijp ik regelmatig uit reacties van andere weggebruikers. Nog vanmiddag, rijdend vanaf de afrit Zwolle-Zuid in de richting Hattem, werd mij dat duidelijk gemaakt. Op werkdagen zijn hier, op de route naar de oude IJsselbrug, momenteel werkzaamheden, gezien het straatmeubilair. Bovendien ligt er nogal wat split op de weg. Daar hoort dus een snelheidsbeperking bij, van 30 kilometer in dit geval. Ik ga dan, als ik achterliggers heb, tussendoor: ik ga 40 rijden. Ik heb van mede-weggebruikers meer dan genoeg begrepen dat ik een aso ben als ik me aan snelheidsbeperkingen houd, dus probeer ik dat wat te beperken. De Peugeot-bestuurder achter irriteerde ik desondanks kennelijk zozeer dat hij over de doorgetrokken dubbele streep ter plekke heen ging om me in te halen, waarbij ik een regen van steentjes over de auto kreeg. En dan dat schudden met het hoofd van de bestuurder: voor hem ben ik niet slechts asociaal, ik ben gewoon gek. Dit keer was het schudden met het hoofd. Ik ken ook de wijsvinger op het voorhoofd, het claxonneren, het afsnijden en weet ik wat al niet meer. Soms denk ik dat ik te oud ben om een auto te besturen, alhoewel ik in de achterliggende 43 jaar toch zo'n miljoen kilometers gemaakt moet hebben, gelukkig nog zonder schade ook. Ik denk dat ik niet meer meetel, ook al omdat ik nog nimmer een bekeuring voor te snel rijden kreeg. Maar soms vraag ik me nog altijd zomaar ineens wel eens af of ík wel de aso ben, of dat de ander dat misschien is. Onderaan de IJsselbrug stond ik achter de Peugeot voor het stoplicht. Hij ging ook richting Hattem, maar hij zou er zeker eerder zijn dan ik.

Onze minister van Verkeer, Camiel Eurlings, wil een verplichte gedragscursus voor verkeersaso's. Hoor ik daar nu bij, of begrijp ik het allemaal toch nog verkeerd?

31-5-2007

Orgaandonatie en spirituele vragen

De discussie over orgaandonatie is weer opgelaaid. Er zijn te weinig donororganen en velen overleven de wachttijd tot een orgaan beschikbaar komt niet. In de discussie vind ik met name medische en emotionele overwegingen. Voor mij liggen de belangrijkste vragen op het spirituele vlak.

Vooropgesteld: In 1998 heb ik in het donorregister laten aantekenen dat mijn nabestaanden zullen beslissen over eventuele orgaandonatie. Een belangrijk gegeven in zo'n beslissing zal liggen in de bejegening door de betrokken medici. Ik weet niet hoe het gaat rondom donatie, maar over het geheel vind ik onze gezondheidszorg veel te efficiëntie-, productie-, doel- en geldgericht geworden. Ik ken voorbeelden van hoe het ook (nog altijd) geheel anders kan. Belangrijke vragen voor mij zullen zijn of mijn spirituele beelden zullen worden erkend en gerespecteerd, zodat daarmee rekening gehouden wordt.

Bij het sterven gebeurt er in mijn visie meer dan dat de circulatie stopt, de hersendood intreedt en het lichaam geleidelijk afsterft. Als mensen hebben we een ziel, noem het een geest, waarvoor het lichaam slechts een tijdelijk voertuig is. Deze ziel sterft niet, maar keert terug naar haar oorsprong. Bijvoorbeeld bij een plotselinge of anderszins nog niet tot eenheid met het zelf gebrachte dood zou het kunnen dat de ziel nog enige tijd bij of zelfs in het lichaam vertoeft alvorens zich vrij te maken. De vraag is in dat geval wat de ziel ervaart aan het opensnijden van het lichaam en het wegnemen van organen. Werkt lichamelijke pijn door op de ziel?

Mijn nabestaanden zullen deze overwegingen kennen en slechts instemmen met donatie als ze met de medici op één lijn kunnen komen wat betreft het respecteren hiervan. Praktisch gezien zal dit betekenen dat het wegnemen van organen (vrijwel) direct aansluitend op mijn overlijden plaatsvindt, waarbij dit wat mij betreft niet langer mag duren dan strikt noodzakelijk. En als dit al ooit allemaal zo zou lopen, hoop ik dat mijn ziel de vreugde zal ervaren die bij geven hoort.