25-6-2006

Anne Frank

Vanmiddag zag ik het slot van een Amerikaanse dramafilm over het kampleven van Anne Frank. Of een en ander historisch verantwoord is, betwijfel ik, omdat ik tot nu toe dacht dat daarover nauwelijks iets bekend is. Maar misschien zit ik er naast?

Ik vond de beelden erg indringend. Bergen-Belsen werd uitgebeeld. Ik ben daar als twintigjarige ook zelf geweest, in het herinneringskamp. Het was het eerste concentratiekamp dat ik bezocht en ik kan mijn emoties van toen nog altijd oproepen. De confrontatie met het kwaad in uiterste vorm lijkt me tegelijk met het klimmen der jaren steeds zwaarder te vallen. Het is onvoorstelbaar wat mensen andere mensen aandeden, slachtoffers onderling incluis. Er is geen reden om aan te nemen dat dat soort dingen vandaag niet meer gebeuren, alhoewel ik durf te hopen dat de massaliteit van het kwaad van toen niet kan worden geëvenaard.

Ik zag in de film ook wat voor kansen voor het goede juist in de duisternis van al dat kwaad verborgen liggen. 'Wie één mens redt, redt de hele wereld', is wel eens gezegd. Uit de geschiedenis weten we dat wat er in de kampen gebeurde, meestal achter het prikkeldraad bleef. Maar er waren mensen, ook ín de kampen, die uit waren op het goede, die het kwaad niet de rug toekeerden, maar trachtten van binnenuit bij te sturen of minstens midden in het kwaad goede daden neer te zetten. Juist daar is het kleine altijd groot!

Ik denk dat ze bij elkaar horen, het goed en het kwaad. Zonder het één kan het ander niet overleven. Ze zijn elkaars katalysator. Daarom zullen we uiteindelijk het kwaad als zodanig moeten accepteren, zodat we de ruimte vinden daar een eigen antwoord op te geven. Het goed gedijt in het kwaad, net als andersom. Het is niet anders.

24-6-2006

Mensen om van te houden

Vanmorgen bij 'Arrivals 3' op Schiphol. Ik sta wat achteruit, een beetje tegen het koffietentje. Mijn lengte heeft het voordeel dat ik zo de binnenkomers aardig in de gaten kan houden. We wachten op familie uit Zuid-Afrika. Ik overzie de mensenmassa, zie mensen elkaar weerzien, veel vreugde en soms ook pijn. Twee ouders die zo te zien hun huilende volwassen dochter in de armen sluiten. 'Zo erg ...', hoor ik. En: 'Wees maar blij dat je er nu achter komt en niet pas later.' Flarden communicatie die een wereld aan emotie in zich dragen. Ik zie veel mensen met een donkere huidskleur, soms kleurrijk uitgedost. Een groepje meisjes met identieke gele hoeden, een kind dat niet meer voor- of achteruit wil, een ander kind dat z'n ouders met hun bagagekar dreigt te verliezen door er flink de pas in te zetten. De kar blijft pal voor mij achter als beiden hun kind achterna hollen. En steeds weer het weerzien, de omhelzing, de tranen en de lach.

Inmiddels komt vanonder de luifel van het koffietentje een penetrerende rooklucht en ik moet mijn positie veranderen. Kennelijk hebben ze daar een voor roken aangewezen stuk, zonder dat er deugdelijke afzuiging is. Ik sta nu meer bij de mensen die een onbekend iemand opwachten door een bordje met een naam op te houden.

Het blijft maar doorgaan, het gekrioel van mensen en de vele, vele ontmoetingen. Ik merk dat het me vertedert, ik voel me op een of andere manier geraakt. Allemaal mensen die op andere mensen wachten, die uitzien naar juist díé mensen. En er kan onderling niet uitgewisseld worden. Ik voel m'n ogen vochtig worden. Komt 't nog van de tabaksrook? Ik elk geval niet alleen daarvan. Voor ieder lijken er mensen te zijn om van te houden en tegelijk heeft ieder z'n eigen mensen die van hem (of haar) houden. En we zijn nog niet zover dat we de ruimte hebben om van ál die mensen te kunnen houden, om ze allemaal belangrijk te vinden. Oude banden worden aangehaald en daarmee lijkt de ruimte veelal opgevuld. Ik merk dat ik zoek naar reizigers op wie niemand wacht, of op wachtenden voor wie er niemand schijnt te komen. Ze zijn er wel en je kunt niet zeggen dat zij er ongelukkig uitzien. De reizigers die niemand verwachten, maken zich met voorrang uit de voeten, misschien richting auto, of trein. Hun weerzien wacht nog even. En ieder die een ander zoekt of verwacht, vindt of wordt gevonden, hoe chaotisch de situatie af en toe ook lijkt. Zoveel mensen ... om van te houden!

22b-6-2006

De klompen en de orchideeën

Normaal loopt hij op klompen, zelfs in zijn functie van voorgaand gemeentelid in de PKN-gemeente hier in de wijk. Nu tref ik hem in de avondschemering aan de waterkant, op laarzen. Gehurkt verzamelt hij afgemaaide paarse bloemen, die hij behoedzaam bijeen legt in zijn hand.

Ik had ze vandaag wel gehoord, de mannen die met van die lawaaimachines met aan de voet zo'n snel ronddraaiend nylondraadje het hoge gras in het ringpark hier vlakbij tegen de vlakte legden. Wanneer zal de tijd rijp zijn dat er met de zeis weer de kost kan worden verdiend?

Hij, die ik zo dikwijls speurend, fototoestel op de borst, in de natuur rond zie gaan, blijkt met orchideeën in de hand te staan. Dit hoekje aan het water telde zeker 80 tot 90 plantensoorten, vertelt hij. En nu is alles dus weer weg. Die orchideeën, die hadden niet gemaaid mogen worden. Die zijn beschermd. Hier had daarom pas einde zomer gemaaid mogen worden.

'Ze doen maar', zeg ik, 'ga je er melding van maken?' 'Zeker wel', antwoordt hij. 'Het helpt vaak zo weinig', zeg ik. Hij kijkt me aan. 'Het is onkunde', antwoordt hij, 'er is jaren geleden een plan gemaakt en volgens de regels van toen wordt er gemaaid. Maar er wordt niet gekeken naar hoe zo'n stuk zich door de jaren heen ontwikkelt. Misschien laat ik nog wel proces verbaal opmaken.' Hij kijkt even omhoog. 'In elk geval moeten ze het weten, dan kan het volgend jaar anders gaan. Als ze dan wéér maaien, hebben ze een bekeuring.' Hij is even stil. 'Ik moet er nog een nachtje over slapen', besluit hij dan.

Een vriendelijk mens, wat excentriek, maar door en door echt. Niet haatdragend, wel geduldig, liefdevol, open. Constructief bezig met zijn eigen dingen. Zo'n mens, daar kunnen we er meer van gebruiken ...

22-6-2006

Aandacht geneest

'Aandacht geneest' is de kop van een artikel van Bert van der Kruk in NCRV-gids 25/2006. Het is een artikel over gebedsgenezing en over de Levensstroomgemeente in Leiderdorp en Jan Zijlstra, de gebedsgenezer. Ik vind in het artikel nogal wat uitspraken, o.a. van godsdienstpsychologe dr. Joke van Saane, die aansluiten op hoe ik deze dingen ben gaan zien.

Vroeger, als tiener en eerste helft twintiger, imponeerde het verschijnsel gebedsgenezing ook mij zeer. Van huis uit kreeg ik vooral waarschuwingen mee in verband met het risicovolle aan geloofsrichtingen die gebedsgenezing aanhingen. Ik leerde in die tijd zelf te ervaren dat 'Bid en u zal gegeven worden' niet klopt. Bij mij klopte het niet. Dat hielp mee om gebedsgenezing te kunnen leren laten voor wat het was.

Niet dat ik niet geloof dat het kan, genezen worden door gebed. Dat zal vast en zeker kunnen. Maar ik geloof niet meer dat dit voor iedereen die gelooft is weggelegd. Wat een onrecht zit er overigens in zo'n geloof naar mensen die geen gebedsgenezing krijgen!

Eén op de drie mensen die hoopten op lichamelijke genezing, heeft bijeenkomsten als die van Zijlstra bijgewoond. Een kwart daarvan geeft aan dat ze na het bezoek genezen zijn. Het gaat dan met name om klachten als depressies, burn-out, hoofd- en rugpijnen en de 'onbegrepen ziekten' fibromyalgie en ME. Van Saane leidt daaruit af dat gebedsgenezing vooral een kwestie van psychologie is, vergelijkbaar met het placebo-effect. 'Het feit dat iemand aandacht voor je heeft, dat iemand jou naar voren haalt en je de handen oplegt - dat alleen al werkt genezend.' Het gaat vaak om kwalen bij mensen in een slachtofferrol, mensen die zich volstrekt afhankelijk opstellen en zich helemaal overgeven aan iets van buitenaf, mensen die niet de verantwoordelijkheid voor hun eigen leven nemen. Bij een grote groep keert de ziekte dan ook terug. Het merendeel van de mensen die genezing vonden, ontwijkt daarmee de huisarts, omdat ze denken dat die het toch niet zal geloven.

Het zou mooi zijn als God, wie of wat dan ook, scheutiger zou zijn met dit soort wonderen. Ikzelf had wel eens contact met een mevrouw die, volgens haar zeggen, door gebedsgenezing complete gouden kronen in de mond gekregen had. Ik heb haar toen gevraagd om haar voor mijn site te mogen interviewen, maar daar wilde ze niet op ingaan. Mijn geloof deugde niet, zoveel begreep ik wel van haar.

Dat aandacht helend werkt, dat is me wel duidelijk. De ruimte vinden om je uit te spreken, een mens die echt in je geïnteresseerd is en die ook nog wat van je begrijpt, die je accepteert zoals je bent en voor wie je deugt, zelfs in je donkere kant, dat is een medicijn bij uitstek. Ik gun elke zieke die genezing zoekt zulke mensen in de nabijheid. Soms gebeuren en dan wonderen.

21-6-2006

Alzheimer

Hij is even oud als ik. Hij kampt al enige jaren met Alzheimer. Zestig is eigenlijk te jong daarvoor, alhoewel ... de ziekte komt wel op nog veel jongere leeftijd voor. Voor een proefperiode is hij momenteel in een verpleegtehuis. Het is duidelijk dat zijn vrouw het thuis niet lang meer vol zal kunnen houden.

Vanmiddag hebben we, mijn vrouw en ik, hem daar bezocht. Een groot tehuis, zo te zien, in een semi-permanent gebouwencomplex. De nieuwbouw er vlak naast, ik nam aan dat het nieuwbouw van het verpleeghuis betreft, nadert zo te zien z'n voltooiing.

De bordjes door de gangen wijzen ons de weg. Eerst volgen we de 'Hoofdweg', daarna houden we de afdeling aan. We zijn niet mans genoeg om te beseffen dat we met het indrukken van de knop van de afdelingsdeur, die we voor een bel aanzien, tegelijk de deur kunnen openen. Vanaf de binnenkant is er een viercijferige pincode nodig - die hebben we meegekregen - om weer naar de vrije wereld te kunnen. Daarmee is Alzheimer meteen duidelijk.

Als we op de afdeling bijna op de plaats van bestemming zijn, kruist hij op de gang letterlijk ons pad. Doelbewust lijkt hij op weg. Ik spreek hem aan. Hij heeft even tijd nodig, dan is er herkenning en lacht hij verrast. Mijn vrouw zoent hem. Even lijkt hij te willen weten hoe wij ... maar hij vindt de woorden niet en geeft het op. Dan heeft hij het over een scheldende oude oma van 80, voor wie hij maar even aan de wandel is gegaan en over geile meiden. Dat hadden we al eerder gemerkt, dat hij de lichamelijke zorg van derden niet altijd goed interpreteert. Een hulpverleenster van de afdeling vraagt of wij zijn bezoek zijn en dan worden we geholpen zijn jas van zijn logeerkamer te halen. Hij is een buitenmens en het weer is goed. Het moet al erg genoeg voor hem zijn binnen opgesloten te zitten. Er zijn zo te zien wel binnenplaatsjes, maar de deuren die wij voelen, zijn op slot.

We lopen de aangrenzende woonwijk, uitbundig oranje versierd, in, op zoek naar ijs, waar hij dol op is. Als ik een jongeman die zijn auto wast, vraag, blijkt er 'hier' niets te zijn. Hij schat een kilometer of drie hiervandaan en hij legt ons uit hoe te rijden. Terug dus maar naar de auto.

Het ijs smaakt hem goed. Ons ook. Het is kennelijk een kwaliteitsijssalon hier. Dan maken we ter plekke nog een wandelingetje. Hij is steeds meer scheef gaan lopen en dat beperkt zijn actieradius sterk. Hij heeft het over Bedum en denkt dat wij daar wonen. Hier wil hij niet zijn, zo maakt hij duidelijk, 'zo midden tussen sommige mensen die aan het gek worden zijn'. Hij wil naar huis. Hij wilde dat hij een fietsje had, maar fietsen is al lang niet meer verantwoord, als hij het al nog zou kunnen. Keer op keer vertellen we hem dat zijn vrouw hem zondag op zal halen en dat hij dan weer naar huis mag. We spreken niet over dat het thuis niet gaat en dat het niet te lang meer mag duren.

Ineens loopt hij met het zakje van zijn mondharmonica in de hand en met z'n portemonnee. De mondharmonica is er niet, die zal hij wel op tafel hebben laten liggen. Totdat hij, een half uur later, hem toch ineens tevoorschijn tovert. Waar hij vandaan gekomen is, weet hij zelf ook niet.

We rijden terug naar het verpleeghuis. 'Kan ik dan ...', begint hij ... 'Ik kan ...' Hij komt er niet uit. 'Ik kan helemaal niet meer praten', zegt-ie dan. Wat kijkt-ie ongelukkig. Ruim en jaar geleden viel elke mogelijkheid om iets te kunnen lezen weg, nu lijkt het praten aan de beurt.

We brengen hem terug, treffen in de hal een hulpverlener die hem aanspreekt, maar die hij niet kent. 'Tot morgenochtend', zegt de man. 'Die ken ik van de bouw', zegt hij die aannemer was, als we doorlopen. We bekijken zijn slaapkamer. Hij prijst zijn bed. 'Ik ben de nachtwaker', zegt-ie dan. Hij lacht er zelf om. We vinden zijn woonkamer. Twee helpsters zijn, zo te zien, bezig met een kar met warme maaltijden. Ze kennen hem wel. We zetten hem op een stoel en vragen hem mondharmonica te spelen. Dat wil-ie wel. Juist een paar weken geleden vroeg ik hem een bepaalde melodie te spelen en die zette hij toen meteen in. 'Hup Majanneke, stroop in 't kanneke', zeg ik. Maar hij ziet het anders. Voorzichtig zet hij in, een treurige melodie, langzaam gespeeld, volgens mijn vrouw iets uit 'Johannes de Heer'. Tijdens het spelen lonkt-ie naar een jongedame aan de etenskar. Nog een tweede melodie volgt, hij kiest zelf vandaag, al even treurig. Of is dat meer mijn stemming?

We moeten gaan. Als ik omkijk, zie ik dat hij niet begrijpt ... Dat doet pijn. We kunnen zonder hulp naar buiten omdat we de code kunnen onthouden: 1937.

19a-6-2006

Als je ongeboren kindje gehandicapt is

'Beslissen over ongeborene is traumatisch', kopt de Volkskrant. En boven het artikel van Ellen de Visser zelf: 'Beëindigen zwangerschap is voor God spelen.'

Verloskundige Marijke Korenromp onderzocht en volgde ouders die een zwangerschap beëindigden vanwege een ernstige afwijking bij het kind. Ze sprak bijna duizend ouders die een zwangerschap hadden laten afbreken nadat prenataal duidelijk was geworden dat het kind een ernstige afwijking had, als het syndroom van Down of een open ruggetje. De verwerking van het zelf gekozen verlies blijkt gecompliceerd te liggen. Het in de beslissing vooral gerekend hebben met het eigen belang, leverde vaak extra schuldgevoel op, als een beletsel om te mogen rouwen.

Negentien procent van de vrouwen en tien procent van de mannen kampt langer dan anderhalf jaar met problemen als depressieve gevoelens, vermijdingsgedrag (kraamvisite) en opkomende beelden van hun overleden kind. Hoe sterker de twijfel was over het besluit de zwangerschap af te breken, hoe moeizamer de verwerking ervan blijkt.

Veel paren zijn zich misschien niet eens bewust hoezeer een zwangerschap hen voor grote beslissingen kan plaatsen. Alleen al de uitslag van prenataal onderzoek te willen kennen, is zo'n beslissing. Alles kan goed zijn, maar ook niet. Als dat het geval is, sta je meteen al voor de volgende beslissing. Er zullen daarbij raadgevers zijn, emotioneel zul je met jezelf in dialoog moeten en het is nog maar de vraag of je daarin tot een weloverwogen beslissing zult kunnen komen waar je ook op termijn achter kunt staan.

Het is goed dat (aanstaande) ouders zich bewust zijn van voor welke dilemma's de medische wetenschap hen al tijdens de zwangerschap kan plaatsen. En dan nog: gaat het niet om in al hun menselijkheid onmenselijke beslissingen?

Elk jaar laten in Nederland meer dan vijfhonderd ouderparen vanwege zo'n afwijking een zwangerschap beëindigen en het aantal neemt toe. Veel ouders laten onderzoek doen ter geruststelling en staan misschien soms te weinig stil bij de mogelijkheid van een negatieve uitslag. Als één ding duidelijk is: voor en in een zwangerschap is wijsheid nodig en evenwicht.

19-6-2006

Zwerfafval

Staatssecretaris Van Geel van Milieu heeft een overeenkomst met de gemeenten gesloten om zwerfafval het hoofd te bieden door controles en boetes van wellicht zo'n 50 euro. Het gaat dan om het op straat gooien van frietbakjes, papiertjes en blikjes.

Gisteren fietste ik de Punthorstroute, een route die voor een belangrijk deel de gemeente Staphorst doorkruist. De zondag is een goede dag voor deze route. Op doordeweekse dagen wordt de fietsvreugde ter plekke vaak nogal verstoord door snel en onbehoorlijk rijgedrag. Soms denk ik, op het verkeer afgaande, dat in deze gemeente een mentaliteit heerst die uit de band springen noodzakelijk maakt. Kortom: op een doordeweekse dag zou ik het fietsen van zo'n route als extra risicovol hebben ingeschat.

Zo niet gisteren. Het is daar, in alle rust, een mooi en afwisselend gebied. Eén ding valt echter de laatste jaren toenemend op: het in de bermen van de wegen gedeponeerde huisvuil. Ook gisteren sprong dat onaangenaam uit. Kennelijk wordt buitenaf of in het bos de auto gestopt om een paar zakken afval of andere zaken gewoonweg in de berm te lozen. Het verschijnsel doet zich overigens niet alleen in Staphorst voor. Ook bijvoorbeeld in grote delen Limburg loop je er niet omheen.

Natuurlijk heb ik een vermoeden over wat hier aan de hand is. Wellicht wordt het huisvuil ter plekke gewogen en is de enige motivatie om het in de natuur te lozen een financiële. Optreden tegen deze vorm van vervuiling vind ik in het artikeltje in 'Trouw' van vandaag niet terug. Misschien moet je ook wel fietser zijn om deze trend waar te kunnen nemen. Ik nodig de staatssecretaris uit deze route ook eens te fietsen. Daarbij ga ik ervan uit dat mijn mailtje van vanmorgen aan de gemeente niet direct een opruimactie tot gevolg zal hebben.

18-6-2006

Kort lontje

Onder de titel 'Meppen op de hulpverlener' doen in de Volkskrantbijlage van gisteren een brandweerman, een verpleegkundige van de afdeling spoedeisende hulp en een ambulanceverpleegkundige hun verhaal over de agressie die zij in hun werk tegenkomen.

Inderdaad lijkt de agressie toe te nemen. Ik heb dat in mijn werk als Riagg-hulpverlener ook gezien. Mensen wensen, meer dan twintig of dertig jaar geleden, op hun wenken bediend te worden en zelf te bepalen welke vorm van hulp er nodig is. Een belangrijk deel van deze problemen doen zich voor bij cliënten met een persoonlijkheidsstoornis, bovendien vaak onder invloed van drank. Ikzelf weigerde, nadat ik acute suïcidaliteit had uitgesloten, met mensen onder invloed te communiceren en nodigde ze voor de volgende morgen half negen uit. Dat is me lang niet altijd in dank afgenomen, maar het heeft me ook nooit echt geschaad. Voor een belangrijk deel is dat ook een kwestie van geluk, denk ik. De ene keer dat ik wel (kort) buiten westen ben geslagen, was buiten, 's nachts en er stonden twee politiemannen achter me. De man was psychotisch en waarschijnlijk daardoor doodangstig. Twee weken naderhand schreef hij me een excuusbriefje vanuit het psychiatrisch ziekenhuis waar hij die nacht was opgenomen.

Zestig procent van de ambulanceverpleegkundigen krijgt te maken met geweld, zo blijkt uit onderzoek. Als gevolg daarvan kan twaalf procent van hen het werk niet meer doen. Volgens Ed Worm, voorzitter van AmbulanceZorg Nederland, wordt het steeds erger met de agressie en doen medewerkers geen aangifte uit angst voor represailles.

Van de brandweerlieden is in de voorbije twaalf maanden achttien procent met fysiek geweld geconfronteerd. Van de psychiatrische hulpverleners liep in 2003 veertien procent lichamelijk letsel op. In 2005 registreerden 29 ziekenhuizen die deelnemen aan het project Veilige zorg 1.560 agressie-incidenten (in 2004 1.145).

Het kan zijn dat een deel van de agressie samenhangt met de onmacht van mensen. Onmacht om invloed te hebben op het beleid. Onmacht als de plaatselijke brandweerkazerne of ambulancepost het veld moet ruimen. Onmacht als medici in ziekenhuizen herhaaldelijk geen tijd hebben om te luisteren of te overleggen. Mensen voelen zich uitgeleverd, missen het gevoel dat ze belangrijk zijn en serieus genomen worden. Wat dat betreft kan er in ambtelijk Nederland nog heel wat verbeteren. Want, al lees ik daarover niets, het zou me niet verbazen als er samenhang is tussen het korte lontje bij veel mensen en de houding die onze overheden en instellingen tegen hen aannemen. Ik hoorde een buurman ooit verbijsterd zeggen: 'De gemeente, die is er toch voor ons?' Het antwoord is vaak helaas 'nee'. De gemeente is slaaf van de eigen regeltjes en is verleerd haar mensen zelfs maar te zien. Daardoor worden mensen gefrustreerd en als er daarvan genoeg elkaar steeds maar opvolgt, wordt het lontje vanzelf korter. Ik pleit ervoor meer oor en minder mond (of brief) te zijn, mensen meer te betrekken en meer invloed te geven.

16a-6-2006

Declareren in de zorg

Vandaag in het nieuws: Vorig jaar declareerden met name medisch specialisten voor een half miljard euro te veel bij de zorgverzekeraars. Het NOS-journaal (tv) van 11 uur vanmorgen heeft het over één à twee miljard euro. Uit de berichten begrijp ik dat al 566 miljoen euro hiervan is aangetoond en ook teruggevorderd zal worden. Het betreft dan zo'n 35 euro per Nederlander.

De brancheorganisatie Zorgverzekeraars Nederland gaat niet uit van fraude, zo begrijp ik. Het vorig jaar vernieuwde en te ingewikkelde declaratiesysteem met maar liefst 30.000 tarieven zou de oorzaak zijn. Het controlesysteem van ziekenhuizen zou volgens ZN compleet lek zijn.

Af en toe kwam ik het als verzekerde ook zelf tegen, niet kloppende declaraties. Eén voorbeeld zal ik hier geven, maar het is zeker niet het enige dat ik uit eigen ervaring heb: Het zal bijna dertig jaar geleden zijn dat mijn zoon in het plaatselijke ziekenhuis werd geopereerd. Op vrijdagmorgen werd hij naar huis ontslagen. De rekening die ik als particulier verzekerde zelf ontving, stelde de ontslagdatum op de maandag erna! Ik nam daarover contact op met mijn verzekeraar die de rekening zou vergoeden, maar daar was men niet geïnteresseerd en noemde men dit gebruikelijk.

Ik weet niet of er sindsdien meer interesse is gekomen voor foutieve rekeningen, want ik zie het bovenstaande voorbeeld wel als fraude. Wel weet ik vanuit mijn eigen vroegere werk als Riagg-hulpverlener hoe gevoelig declaratiesystemen zijn en met name hoe verleidelijk het kan zijn creatief te declareren. Ik verbeeld me niet dat dat in mijn instelling niet gebeurde en gebeurt.

Ik vraag me nog immer af of in de zorg een verrichtingensysteem echt beter is dan vaste salarissen voor alle hulpverleners, medisch specialisten in het bijzonder, en zorg op maat. Als dan ook nog kritisch gekeken wordt naar de noodzakelijkheid zowel als de wenselijkheid van vervolgconsulten - ik denk ook aan universitaire ziekenhuizen - zouden we een stuk verder zijn. Geef de zorgverzekeraar een ruime mogelijkheid om betreffende de rekening navraag te doen bij zowel de patiënt als de arts of hulpverlener en er is, financieel gezien, geen basishouding van wantrouwen, waaraan gekoppeld een tot in details geregelde verantwoordingsplicht meer nodig.

15a-6-2006

Rijksmusea, de Volkskrant en De Telegraaf

De Tweede Kamer blijft erbij dat de rijksmusea gratis toegankelijk moeten worden voor Nederlanders die een belastingaangifte moeten invullen, zo begrijp ik uit 'de Volkskrant' van gisteren. Staatssecretaris Van der Laan van Cultuur ligt dwars, vindt dat de verschillende behandeling van Nederlanders en buitenlanders die dan ontstaat, discriminatie is en wijst erop dat de Europese rechter bepaalde dat Italië om die reden Italianen niet gratis toe mag laten in musea. Van der Laan zal de motie van de Kamer dus voorleggen aan het kabinet.

Het bericht is duidelijk: een verschil van inzicht en een rechterlijke uitspraak maken dat de zaak nog niet is uitgevochten en nog (lang) niet duidelijk is.

Gisteren reisde ik met de trein. Ik had daardoor de gelegenheid hetzelfde bericht ook te lezen in 'De Telegraaf' en de 'Spits'.
De Telegraaf meldt simpelweg dat de rijksmusea gratis toegankelijk worden en dat Van der Laan gedwongen is de deuren wagenwijd open te zetten. Spits meldt dat de vaste collecties van de rijksmusea voortaan gratis toegankelijk zijn en dat buitenlanders, die in een museum als Van Gogh 80 procent van het aantal bezoekers uitmaken, gewoon moeten blijven betalen. De partijen lijken het volgens deze bladen dus met elkaar eens en er ligt kennelijk ook al geen uitspraak van de Europese rechter.

Oordeelt u zelf wat het echte nieuws is.

15-6-2006

Per auto en per trein

Gisteren ben ik voor het eerst per trein naar mijn vader gereisd. Ik kom daar, sinds hij vrijwel blind werd, minstens één dag per twee weken. Ik heb de rit heel wat keertjes per auto gemaakt, het voorbije jaar. Eenmaal trof ik driemaal een file en deed ik twee volle uren over de 120 kilometer, maar meestal was ik in zo'n vijf kwartier of ietsje meer van deur tot deur. Tegenwoordig rijd ik een Prius. Dat schijnt zo'n beetje de minst milieuschadelijke auto te zijn. De elektronica van die auto geeft zo exact het verbruik en de fluctuaties daarin van de laatste dertig minuten weer dat ik snel merkte dat ik op de autoweg niet graag meer 120 rijdt, maar het met wat minder doe. In reistijd blijkt het slechts enkele minuten te schelen. Ik heb het voorrecht me op de weg niet te hoeven haasten, omdat ik op tijd op pad kan gaan.

Nu had ik verschillende keren gehoord dat de trein het tegenwoordig veel beter doet dan in voorgaande jaren. Gisteren dus met de trein. Van station tot station zou ik er, zo had ik op de reisplanner gezien, bijna twee uur over doen, inclusief tweemaal overstappen. Aan deze en gene zijde samen zouden daar dan 20 loopminuten, goed voor de gezondheid, bijkomen. De bijna twee uur werden er op de heenreis echter bijna drie. Ik belde onderweg driemaal met mijn vader over de oplopende vertragingen en ik kon een leeftijdgenoot van mijn vader met mijn telefoon helpen, zodat ook hij zijn afhaler kon informeren. Soms lijkt reizen met de trein goed voor de telecomproviders.

Op het station van vertrek hoorde ik van een mevrouw dat er rond Utrecht storing was. Maar voor ik daar aan zou komen, zouden we ruim vijf kwartier verder zijn, rekende ik uit. De NS zelf meldde niets over de storing, ook niet in mijn tweede trein, van Amersfoort naar Utrecht. Deze begon al ver voor Utrecht steeds opnieuw midden in de wereld te stoppen en kwam af en toe slechts stapvoets vooruit. Sommige medereizigers wisten, misschien door het bellen met familie of collega's, van een stroomstoring. Te laat voor mijn aansluiting kwamen we in Utrecht aan. Daar was het aardig druk. Mijn derde trein was er niet meer, maar zou, volgens de gele dienstregelingborden, na een halfuur vanaf een ander perron opnieuw vertrekken. Op dat perron werd echter een heel andere trein aangegeven, zodat ik, als relatief onervaren treinreiziger, poolshoogte ging nemen in de centrale hal. Ik trof een mevrouw van NS met een reflecterend jack met daarop het woord 'info'. Ze keek enigszins verwilderd om zich heen. Toen ik haar vroeg naar mijn trein, reageerde ze met zich af te wenden en niet meer bij mij terug te komen. Toen werd ik aangesproken door een man met een microfoon, waaraan een man met een camera. Hij vroeg of hij mij wat mocht vragen. Waarvoor het was, vroeg ik. Het was voor rtl-nieuws. Hij mocht wat vragen van me. Ik was toch even mijn richting kwijt ... Hij vroeg verschillende dingen en leek ook te proberen mij andere dingen te laten zeggen. Ik kreeg het idee dat het beter was geweest als ik me zwaar gedupeerd zou hebben gevoeld en me erg ontevreden zou uiten over de service van NS. Dat deed ik dus niet. Ik zei maar dat ik lang niet met de trein gereisd had en dat ik na één misser nog geen oordeel kon hebben. Enfin, het duo ging maar snel op zoek, waarschijnlijk naar meer aangebrande types dan ik kennelijk was. Ik bleef nog even staan kijken om te zien hoe zo'n item voor het journaal tot stand komt. Ik had er geen goed gevoel over, maar dat heb ik al wel vaker bij de omroep zo gehad.

En toen zag ik hoog boven me het grote overzichtsbord van de dienstregeling dat ik eerder over het hoofd gezien moest hebben. Alles op dat bord leek in beweging en ik begreep dat er alles aan gedaan werd om mij en de anderen verder te helpen. Even later stond mijn trein er duidelijk tussen op dat bord, inderdaad op het perron waar een heel andere bestemming aangegeven werd. Maar ik wilde nog even naar het toilet. Dat kost ter plekke 50 cent. Ineens herinnerde ik me de berichten over te veel poep op de rails en daardoor slippende treinen. Overigens, later in de trein was de wc bepaald niet schoon en er was geen water, niet om door te spoelen en niet om handen te wassen. Dat gaf me over die hele trein geen fris gevoel.

Op het perron trof ik een bekende van de leeftijd van mijn vader. Hij wachtte op dezelfde trein, die inmiddels ook ter plekke stond aangegeven en weldra binnenrolde. Na even met de man gesproken te hebben, wist ik ineens dat deze hele chaos ten minste het doel had gediend mij met hem in contact te brengen. Hij was bezig met de dingen van zijn leven, de schaduwkanten, alles wat hij had meegemaakt. Hij zocht doel en samenhang en hij leek het allemaal even wat kwijt te zijn. Al gauw vertelde hij me dat hij het in zijn leven vaker had gehad dat, als hij het even niet meer zag, er iets gebeurde of er iemand op zijn weg verscheen, waardoor hij zich gesterkt voelde en toch weer verder kon.

Samen met velen gingen we de inmiddels binnengekomen trein in. Die was meteen goed bezet. Even later werd in de trein omgeroepen dat hij niet, zoals op het perron stond aangeven, naar onze respectievelijke reisdoelen zou rijden, maar naar het spoorwegmuseum. Toen stapte iedereen weer uit. Maar na een minuut of vijf was hij er dan toch, onze trein.

Mijn vader stond al aan het aanrecht om mij een kom koffie te maken, toen ik aan zijn voordeur verscheen. Haastig deed hij me open. De net te lang ingehouden verhalen kwamen meteen los. De stoelen stonden klaar op zijn terras. De hitte van de dagen ervoor was geweken. In zijn grote plantenbak, een paar meter van ons vandaan, waren juist gisteren drie of vier jonge eendjes uitgekomen. Er lagen ook nog een paar eieren en hij vroeg zich af of en wanneer hij die uit het nest zou moeten halen. Een half uur later, bij de boterham, kreeg de moedereend een half plakje bruinbrood en een bakje water.

Mijn terugreis, aangevangen kort na 18 uur, verliep volgens het boekje. Toen herinnerde ik me dat ik pas twee maanden geleden nog een keer met de trein van Schiphol naar huis ben gereisd en dat die reis ook volgens het boekje was gegaan. Nee, een echt slecht gevoel hield ik aan deze treindag nog niet over. In één van de treinen van de terugreis werd zelfs mijn kaartje nog gecontroleerd, een conducteursscore voor deze dag dus van zestien procent.

14a-6-2006

Vaderloos

Vandaag een dagje bij mijn (bijna blinde) vader en met hem samen onder andere naar zijn stokdove schoonzus, die onlangs 88 jaar geworden is. Ze is de enige nog in leven zijnde zus van mijn moeder. Mijn moeder heeft haar vader nooit gekend. Hij verongelukte toen mijn oma van mijn moeder in verwachting was.

Hoe het erop kwam, staat me niet eens meer bij, maar ineens begon mijn tante over haar vader. Ze was drie toen hij overleed. Ik vroeg haar naar eventuele herinneringen aan hem. Toen vertelde ze over hoe ze zich herinnert bij hem voorop op de stang van de fiets te zitten en dat ze van een heuveltje naar beneden reden en dat ze het best eng vond. En over zijn sterven, dat ze die dagen wel hoorde dat het steeds over haar vader ging, maar dat ze het niet begreep. Dat ze op de begrafenis vroeg haar vader nog te mogen zien en dat toen de deksel van de kist nog voor haar is opengemaakt. Dat ze vaders handen niet zag, omdat die kennelijk onder het laken lagen en dat ze toen begreep dat hij dood was omdat zijn handen eraf waren. Ze glimlachte om zichzelf toen ze het vertelde. 'Toen kon ik het begrijpen', herhaalde ze nog eens.

En ik, ik die altijd moeite met mijn moeder heb gehad en allerlei dingen nooit met haar uit heb kunnen praten, ik besefte dat ik deze dingen nooit gehoord zou hebben als mijn vader niet blind geworden was en zich nog altijd goed zelf zou weten te vermaken. Ik had, misschien ook omdat ikzelf nu een kleindochter van drie heb, dit 85 jaar oude ontroerende verhaal niet willen missen.

10a-6-2006

Tranen zuiveren de ziel

N.a.v. 'de Volkskrant' 10-6-2006

Nieuws uit Tokio: Voorheen beschouwden Japanners het tonen van emoties als een nationale schande, tegenwoordig wordt een flinke huilbui gepromoot, vooral onder mannen. Volgens wetenschappers is het opkroppen van emoties slecht voor de gezondheid. Het stresshormoon cortisol (een bijnierschorsproduct) zou zich dan ophopen in het lichaam en dat zou kunnen leiden tot geheugenverlies, dichtslibben van aderen en impotentie. Volgens arts en hoogleraar Kimihiro Yoneyama zijn ingehouden tranen bij mannen van middelbare leeftijd de belangrijkste oorzaak van ernstige depressies. (Het aantal zelfdodingen in Japan liep in 2005 op tot 32.552, waarvan 18.000 mannen van 50 jaar en ouder waren. Het betrof dan met name mannen met verantwoordelijke functies, vaak in reorganisaties, op wie de eigen ouders meer een beroep begonnen te doen terwijl hun studerende kinderen handenvol geld kostten.)

'Tranen zuiveren de ziel, nietwaar?' Dat heb ik menig cliënt zo gezegd in mijn rol als Riagg-hulpverlener. Hoe belangrijk is het iemand te hebben met wie je je angsten, je zorgen, je verdriet en je levenspijn kunt delen en natuurlijk evenzeer je vreugde! Hoezeer ontberen velen zo'n vriend of vriendin. Hulpverleners vervullen wat dat betreft vaak de rol van 'betaalde vriendschap'. Als de cliënt niemand vindt om mee te delen, komt hij of zij in Nederland vroeger of later vanzelf in de hulpverlening terecht. En neem gerust van mij aan dat het er heel wat zijn, die niemand hebben om mee te delen. Misschien ontbreekt het vooral henzelf aan de vaardigheden die nodig zijn om zich goed te kunnen uiten en hebben ze daar gewoon een beetje hulp bij nodig. De mensen in hun omgeving vinden hen misschien wat vreemd en durven de confrontatie met de emotionaliteit van zo iemand wellicht niet aan. Laten we eerlijk zijn: hoe zul de confrontatie met gevoelens van de ander aangaan als je die van jezelf gewend bent uit de weg te gaan?

10-6-2006

Maria Magdalena

N.a.v. 'Hoer, heldin of heilige?', door Gert J. Peelen, 'de Volkskrant' 9-6-2006

In 2003 verscheen Dan Browns 'De Da Vinci Code', een boek dat een bestseller zou worden. Het Vaticaan distantieerde zich van Browns ideeën. Wat betreft Jezus' huwelijk met Maria Magdalena bracht Brown echter geen nieuws.

In 1896 werden in een winkeltje in Caïro flarden van een document uit de tweede eeuw gevonden. Het bleken delen uit het Evangelie van Maria Magdalena te zijn.

In 1945 werd bij Nag Hammadi (Midden-Egypte) een kruik met 52 documenten gevonden. Een van die teksten, het Evangelie van Philippus, vermeldde de relatie tussen Jezus en Maria Magdalena en zij werd daarin zijn 'metgezellin' genoemd. Het oorspronkelijk Griekse woord 'koinonos' betekent zoveel als liefdespartner. De Koptische vertaler bleek dit woord onvertaald te hebben gelaten.

Peelen vraagt zich in zijn artikel af of het stilzwijgen van de kerk totdat Brown met zijn Da Vinci Code kwam, het gevolg is geweest van een complot tegen het gnosticisme en haar ketterse visie op Jezus als een wijze, maar voorts gewone man van vlees en bloed. Was het voor de kerk tot voor kort te bizar voor woorden dat er ergens op de wereld nog altijd nazaten van de Van Nazaretjes zouden kunnen rondlopen?

Slavenburg, historicus, publiceerde in 1995 het Evangelie van Maria Magdalena. Hij ziet Jezus niet als de bleke halfgod die de kerk van hem maakte, maar als een gewone Galileër van eenvoudige komaf, die op zijn zeventiende trouwt met Maria uit Magdala, een gelukkig gezinsleven leidt en mogelijk een of meer kinderen krijgt, tot hij zich door Johannes de Doper tot leider en leraar laat uitroepen. De bruiloft in Kana, waar Jezus water in wijn veranderde, zou zijn eigen huwelijksfeest zijn geweest.

Ik herken de vragen. Ook ik heb me afgevraagd hoe Jezus zo goddelijk kon worden. Mijn voorlopige antwoord is dat dat kon omdat de mens de binding met het eigen innerlijke goddelijke geleidelijkaan was kwijtgeraakt en nu het gemis kon projecteren op deze ene mens. Wellicht was dat veiliger dan te pogen dichter bij de eigen kern terug te komen. Theologie is de wetenschap van het goddelijke. Als echter één ding niet thuishoort in de wetenschap, is dat mijns inziens de kennis aan God. Theologie heeft dan ook immer gepoogd het goddelijke te fixeren. Het vastleggen van het ongrijpbare, het onkenbare, is in mijn ogen niets anders dan fictie.

9-6-2006

Kinderen zonder opvoeders

Een probleem apart vormen de kinderen die geen echte opvoeder hebben of hadden. Dat komt in onze carrièregerichte wereld veel voor. Bij velen is de tijd voorbij dat de moeder, nadat een kind geboren is, jarenlang zorgt voor de opvang en begeleiding. Van een taakverdeling tussen man en vrouw wat betreft de opvoeding van de kinderen komt dikwijls ook niet te veel terecht. Het lijkt wel steeds meer gewoon dat er in een gezin twee carrièremakers zijn en het kind wordt het kind van de oppasrekening. Er zullen oppassen zijn die de ouderrol voldoende overnemen, natuurlijk, maar het risico is groot dat de aandacht voor het kind uiteindelijk toch tekort gaat schieten. Het kind raakt dan op zichzelf aangewezen, leert het van zichzelf te moeten hebben en vindt wellicht geen uitlaatklep meer voor wat hem of haar bezighoudt. Dat lijkt me niet goed. Ik maak me sterk dat uit zo'n situatie te gemakkelijk omgang met verkeerde vrienden, liederlijkheid, drugsgebruik en (kleine) criminaliteit voortkomt. Vroeger was het geschetste beeld vooral een probleem bij zakenmensen, wanneer zowel vader als moeder hun aandeel moesten leveren in de eigen zaak, vandaag kiezen heel veel paren vrijwillig voor hetzelfde patroon. Als ze er dan ten minste maar gelukkig van werden, maar dat worden velen van hen ook al niet. Hoeveel jonge moeders heb ik in mijn vroegere werk niet gesproken die verzuchtten dat ze zich het huwelijk en het gezinnetje toch wel anders hadden voorgesteld dan die werkelijk geworden waren? Vooral jonge vrouwen brengen het, in mijn ervaring, dikwijls moeilijk op om soms vele jaren lang te moeten wachten op kinderen omdat anders de hypotheek niet kan worden opgebracht. Ik weet het wel: De huizenprijs is in ons land zodanig dat één inkomen bij zeer velen niet meer voldoet om de hypotheek op te kunnen brengen. De maatschappelijke druk forceert min of meer mee te doen in de hang naar materieel bezit. Toch denk ik geregeld terug aan dat jonge gezinnetje dat ik in mijn werk ooit thuis bezocht. Ze leefden van één enkel bescheiden inkomen, huurden een deel van een huis, gebruikten sinaasappelkistjes in hun meubilair, zonder dat verlangen naar meer of beter de overhand kreeg en ze waren met hun materiële wereldje net als met elkaar volmaakt tevreden en gelukkig. De kinderen daar waren nummer één, pas heel veel later volgde de rest. Juist dat is in onze tijd zo anders: het materiële lijkt nummer één, met pas op grote afstand de opvoeding van de kinderen. We klagen dan soms wat te gemakkelijk over onze jeugd van tegenwoordig: die jeugd is door onszelf gekneed.

Toch is het niet altijd zo negatief. Ik hoorde het verhaal van een man die in een winkelstraat een nieuwe portemonnee kocht en deze meteen in gebruik nam. De oude was daarmee leeg. Hij nam de proef op de som door de oude portemonnee driemaal in die winkelstraat te 'verliezen'. Een metgezel observeerde wat er gebeuren zou. Wel, tweemaal werd de portemonnee opgeraapt door een jeugdig iemand, eerst een jongen, toen een meisje. Beiden holden achter de 'verliezer' aan en gaven de portemonnee terug. De derde keer werd hij opgeraapt door een middelbare dame. Zij stak hem zonder aarzelen in haar tas.

Juist dezer dagen las ik in de krant over schooljongeren en vermoeidheid. Zelfs jongeren, vooral meisjes, ontbreekt het kennelijk aan energie. Zelfs jongeren zijn angstig en raken in depressie. Onze jongeren leven in de door ons gebouwde wereld, waarin veelal het materiële prevaleert. Dat past niet iedereen. Als je in je opvoeding nu net onvoldoende 'pit' meekreeg om in de wereld je eigen spoor te durven trekken, los van wat de meerderheid als belangrijk ziet, dan wordt het moeilijk je te onderscheiden, te kiezen voor jezelf, af te wijken van het grote gemiddelde. Dan kun je zomaar in een patroon verstrikt raken waaruit je geen uitweg meer vindt. De onderzoekster, Maike ter Wolbeek, vraagt zich af of jongeren die tussen 12 en 18 jaar te moe zijn, op latere leeftijd wellicht sneller ziek worden. Ze zou dat verder uit willen zoeken. Chronisch vermoeide kinderen hebben dikwijls moeders met dezelfde klachten, zo blijkt uit een ander onderzoek, van kinderarts Elise van de Putte. Er speelt dus meer mee. Erfelijke factoren en imitatie misschien? Ooit las ik van een onderzoek over premenstruele problemen. Er werd één samenhang gevonden: vrouwen die veel problemen aangaven, hadden moeders met dezelfde problemen. Maar ach, zo eenvoudig zal het allemaal vast niet zijn. Wetenschap wil orde en duidelijkheid scheppen, of althans blootleggen. In het alledaagse leven is de onvoorspelbaarheid, het 'toeval', een gegeven dat ik niet graag zou uitsluiten.

6-6-2006

Te veel gevraagd?

Wat in onze cultuur veel voorkomt, is dat mensen zichzelf overvragen. Ze willen meer of beter van zichzelf dan goed voor hen is. We zijn gericht op uiterste prestaties. Als dat zou zijn voor een korte tijd, zouden velen het wel op kunnen brengen. Dat is echter niet zo: de maatschappij zet aan tot chronisch toppresteren. Er zijn mensen die het leven onder de druk die dat met zich meebrengt, relatief lang weten vol te houden. Anderen echter voelen er zich van stonden aan niet wel bij. Uiteindelijk worden velen de dupe van de jacht op geldelijk gewin, voor zichzelf of voor hun baas.

Ik heb het zelf gekend, in mijn werk als hulpverlener. Aan het werk op zich kwam geen einde en zou ook nooit een einde komen. 'Je kunt je hier wel doodwerken', verzuchtte ik wel eens. Het probleem was dat een volle agenda niet genoeg was, dat er altijd meer bij moest, dikwijls te beginnen bij binnenkomst op aanvang werktijd. Als je dan een structuur hebt, die regelmatig rust en inkeer van je vraagt, word je zo maar de dupe van zo'n systeem. Maar er is meer: Het is natuurlijk niet alleen de baas of de organisatie die je overvraagt. Je bent het ook en misschien vooral zelf. Als je geen eigen grenzen stelt, is de kans heel klein dat een ander dat voor je zal doen. Daar ligt dus het eerste manco: het zelf kiezen voor een te uitgebreid takenpakket of dat accepteren, terwijl je voorziet of ervaart dat het zo niet gaat. Mensen zien de eigen grenzen dikwijls niet in een hang naar erkenning en belangrijkheid. Natuurlijk: die komt voort uit tekort aan zelfvertrouwen, angst niet mee te zullen tellen en voor afwijzing (of ontslag).

In mijn vroegere werk heb ik mensen dikwijls gezegd dat ze hun grens voorbij zijn als er na afloop van het werk geen energie meer is voor iets anders, voor zichzelf, voor hun relatie of gezin. Je bent je grens zeker voorbij als het een patroon wordt dat je je 's morgens niet uitgerust voelt. Ik heb daar in vroegere jaren zelf te veel ervaring mee opgedaan. Achteraf denk ik dat mijn forse allergische problemen jarenlang ook gerelateerd moeten zijn geweest aan een relatieve overbelasting. De antihistaminica die ik in steeds hogere doseringen kreeg - de gezondheidszorg doet dikwijls gewoon mee in de maatschappelijke prestatiedwang - in een poging het probleem de kop in te drukken, versterkten natuurlijk alleen maar de gevoelens van niet meer uitgerust te raken. Zo ontstaat gemakkelijk een vicieuze cirkel waar zonder hulp van buiten voor velen niet meer uit te komen is.

Mensen doen het ook zelf, waar de hele wereld rondom hen aanzet tot groter en meer. Er zijn mensen die er twee banen op na houden, die zomaar zestig of zeventig uur werken om een huis of een auto te kunnen financieren. Er zijn zowel slachtoffers als partners die pas tevreden over hun inkomen zijn, als dat ervoor zorgt dat het gezin zich minstens iets meer kan permitteren dan dat van een familielid of buur. En nogmaals: het begin van de ellende is gelegen in de structuur van het slachtoffer zelf, in het niet aangeven van duidelijke grenzen, in de neiging de ander (de ouder?) te behagen en daarmee goedkeuring te verwerven die kennelijk broodnodig is.

Aan het begin ligt dus de persoonlijke taak jezelf niet uit te schakelen, zeker niet zodra en wanneer het gevoel van overbelasting ontstaat. Als je niet de structuur hebt om veel dingen te kunnen doen die je vervolgens gewoon weer los kunt laten zonder er verder nog door belast te worden, zul je je moeten beperken. Op veel werkplekken wordt tegenwoordig zoveel van de werknemers verwacht, dat het zomaar persoonlijk niet haalbaar kan blijken om fulltime te werken, gewoon omdat het te veel energie vraagt. Als je een mens bent die leeft voor z'n werk, dan zal er nog wel een mouw aan te passen zijn, maar degenen die eigenlijk willen leven voor iets anders, zichzelf, hun kinderen, voor hun gezin, zouden er in veel gevallen goed aan doen materiële belangen niet langer te late prevaleren boven die van het hart, de ziel, de kern van het eigen bestaan, waar uiteindelijk toch heel duidelijk is of iets goed is of niet.

Wat ik veel gehoord heb als mensen hun werk eigenlijk niet aankonden, is: 'Als eerst maar ...' Als bijvoorbeeld eerst die reorganisatie maar achter de rug is ... Als eerst die grote order maar weg is ... Als eerst die opleiding maar afgerond is ... Ik geloof niet in zulk soort argumenten. Als ... dan zal er zeker weer iets anders zijn dat aangegrepen kan worden als excuus. Als het vandaag niet lukt om te functioneren zoals je dat graag wilt, is er geen reden om aan te nemen dat dat morgen wel lukken zal.

5a-6-2006

Goed zoals je bent

Is dat voor velen niet juist het probleem: je goed te weten en te kunnen voelen zoals je bent? Zonder innerlijke harmonie ben je misschien juist meer ontevreden over jezelf en dan ontbreekt het gewoon, het jezelf Go(e)d te weten. Ik zet de 'e' hier bewust tussen haakjes: goed en God hebben een samenhang. God is het goede en het kwade en juist dit krachtenspel ontwikkelt de energie in zich om ver boven het goede alleen uit te kunnen stijgen. En jij en ik, wij zijn naar Gods beeld en daarom herkennen we iets van hetzelfde krachtenveld in onszelf. We deugen en soms even deugen we niet. Soms even doen we het precies verkeerd, doen we de ander en dus onszelf tekort. Als we maar blijven beseffen dat dit een vaste routine is in het goddelijke beeld dat we in ons dragen.

Toch is er een probleem als je je niet goed weet te voelen, als je je niet accepteert als wie je bent. Misschien komt je onvrede uit jezelf voort, misschien is die in je verleden - dat je met je meedraagt - door anderen in je gelegd. Als bijvoorbeeld je ouders niet tevreden over je waren of zijn, zoals je bent, leer je je gemakkelijk aan dat zelf ook niet te zijn. Voor sommigen is dat vervolgens moeilijk af te leren. Daar zit je dan dus mee, met het gevoel niet te deugen. Als dat gevoel overheerst, zul je nooit tot je recht kunnen komen en dat kan gewoon de bedoeling van je leven niet zijn! Misschien kun je je oefenen minder streng (dan je ouders?) voor jezelf te worden, te glimlachen om de minnetjes die je met je meedraagt. Als je ophoudt jezelf te veroordelen, als je jezelf kunt zien met niet alleen de plusjes, maar evenzeer de minnetjes, dan kan het makkelijker worden tevreden met jezelf te zijn. Natuurlijk: sommige minnetjes kun je veranderen. Het is dan ook goed daaraan te werken. Maar vroeger of later zul je tegen dingen oplopen, karaktertrekken bijvoorbeeld, die niet of nauwelijks te veranderen zijn. Oefen je die onder ogen te zien en weet dat er dingen in ieder leven zijn die meer tijd nodig hebben dan je zelf wellicht zou wensen. Er zijn van die dingen, onhebbelijkheden, die gewoon uit moeten woeden. Te proberen ze te smoren is dan juist olie op het vuur. Alles wat je in jezelf probeert de nek om te draaien, zal zich tegen je keren, onherroepelijk, en je bereikt er precies niet mee wat je zoekt. Als iets tijd nodig heeft, geef het die tijd. En mocht je met je onhebbelijkheid gemakkelijk een ander tekortdoen of schaden, probeer een weg te vinden die ruimte biedt aan wat ruimte in je opeist, zonder die ander(en) tekort te doen. Agressieve impulsen bijvoorbeeld kun je leren ruimte te gunnen in je fantasie zonder daarin het doel van je agressie te raken. Fantasie is een goddelijke gave die je kan helpen op den duur met je verwrongen gevoelens in het reine te komen door er juist ruimte aan te bieden. Besef daarbij wel dat het belangrijk is de ander die jou tekortdoet, daarop te wijzen, bij herhaling, en daarmee recht te vragen voor jezelf. En soms is er meer liefde nodig om iets maar te laten zijn, dan om het altijd opnieuw aan de orde te blijven stellen, terwijl je weet dat de ander er nu eenmaal niets mee kan. Ook de ander, ook je ouder heeft de eigen beperkingen, de eigen strijd.

5-6-2006

Pinksteren

Zulke dagen kunnen tegenvallen, zo'n lang weekend als met Pinksteren. Je hebt je erop verheugd, ernaar toegeleefd, je hebt er al gauw te veel van verwacht. Dan wil de zon niet schijnen, valt het weer tegen, of er is onenigheid met je vriend(in) of partner. Diens verwachtingen blijken wellicht heel anders te liggen dan die van jezelf. Of je treft een rumoerige omgeving, waarin het je niet lukt om los te laten en tot rust te komen.

Vanuit mijn vroegere werk ken ik de verhalen van verwachting en teleurstelling en het lijkt daarbij soms zo dat naarmate verwachtingen hoger liggen, de desillusie al op de loer ligt om toe te slaan bij de allereerste gelegenheid. Mensen verlangen dikwijls ook het onmogelijke van hun weekendje weg. Als de relatie niet loopt, als er spanningen zijn en onvredes, dan werkt het niet om er samen op uit te gaan. Dan blijkt al snel dat alle opgebouwde onvredes alleen maar versterkt voor het voetlicht komen.

Ligt niet de bron van waaruit zulke dagen tegenvallen gewoon in jezelf? Vaak is dat zo. Als je niet in evenwicht bent met jezelf, ontwikkel je nu eenmaal gemakkelijk spanningen in je relaties. Wie niet in vrede weet te leven met zichzelf, doet dat evenmin gemakkelijk met de ander. Wie niet stevig op de benen staat, laat zich gemakkelijk van de wijs brengen door de conflicten van wie dan ook in de nabije omgeving.

Ik kom erop omdat ik het zo dikwijls voorzag: hoog gestelde verwachtingen waarbij het falen al leek ingebouwd. Mensen komen soms met verbeten of verdrietige gezichten vervroegd naar hun huis terug om de noodzakelijk op te lossen innerlijke onvredes of relationele spanningen alsnog onder ogen te moeten zien en tot klaarheid te brengen.

Is niet het belangrijkste in dit alles om in harmonie te zijn met jezelf? Als je dat bent, straal je iets uit, word je niet gemakkelijk onaangenaam geraakt, draag je een stuk gevoel over op ieder in je nabijheid en draag je daarin bij aan het welslagen van zulke dagen voor zelfs een hele groep.

Hoe bereik je dat, harmonie in jezelf? Verwacht niet te veel. Al die verlangens pinnen je vast en bezorgen je het gevoel te falen als de stroom van je leven anders blijkt te gaan. Praat over wat je bezighoudt, wat echt belangrijk voor je is. Praat daar net zo vaak over tot het je naaste(n) duidelijk is. Dan heb je inmiddels wellicht ook voor jezelf een beter beeld gekregen over je verlangens. En moeilijker: luister naar de ander en naar diens verlangens. Vraag niet van een ander anders te zijn dan hij of zij is: ieder mag zijn en worden zoals het leven het beste past. Vraag gerust iets voor jezelf, niet geformuleerd als beschuldiging of verwijt, maar liever als wens, verlangen. Maar stel geen eisen, niet aan jezelf en niet aan wie anders dan ook. Oefen je in het accepteren van hoe je leven komt en in het proberen daar hier aan daar een gewenste wending aan te geven.

Het belangrijkste lijkt te zijn het besef dat je je eigen leven niet in de hand hebt, dat er altijd nieuwe en onverwachte gebeurtenissen en ontwikkelingen zullen zijn en dat die er zijn om je levenslessen te leren die de bedoeling hebben meer bij jezelf te komen, meer jezelf te worden. Je bent van goddelijke komaf. Dat impliceert dat je er mag zijn, dat je belangrijk bent en dat je goed bent zoals je bent. Dan kun je je nog altijd ook wel ongelukkig voelen. Accepteer die gevoelens, bied ze de ruimte. Ruimte helpt altijd de gevoelsstroom door te laten gaan. Je zult merken dat, misschien eerst heel voorzichtig, je gevoel van ongeluk plaats zal maken voor tevredenheid, blijdschap en geluk. Geniet van die gevoelens, want ook zij gaan voorbij. De ware levenskunst is slechts de gevoelsstroom, waarin gevoelens in al hun tegenstrijdigheid passen, op gang te krijgen en houden. Geluk zal er niet zijn zonder momenten van ongeluk, innerlijk vrede niet zonder verdeeldheid en strijd, relationeel evenwicht niet zonder strijdigheid van belangen. Je mag er zijn. Je mag werken aan te worden die je bent. Maar soms vind je beperkende voorwaarden op je pad en misschien zelfs zul je ontdekken dat juist die je helpen om jezelf te vinden.

2-6-2006

Het goddelijke

Na een natte en koude periode scheen vandaag geregeld de zon. Ik voel hem nu, in de avond, nog op m'n gezicht. Ik fietste en wandelde in Gods vrije natuur, zat op de bank waar ik geregeld zit in de zon en later ook nog op een kennelijk nieuw geplaatste bank. De natuur leefde volop, insecten zoemden, vogels deden de bladeren van de bomen ritselen en floten het hoogste lied. Ooievaars speelden met de wind. Ik maakte wat foto's van de kleurrijke velden, vol wilde bloemen. Ik was daar tamelijk alleen. Slechts een enkele andere rustzoeker kruiste mijn pad.

Mijn gevoelens gingen uit naar God, wie of wat dan ook. Liever spreek ik van 'het goddelijke'. Het goddelijke is voor mij alles wat leeft, goed en kwaad. Ik noem het ook vaak 'het Al'. En ergens achter alle dingen vermoed ik een bron, vanwaar alles komt en waarheen alles terugkeert. Ziedaar de hele schepping, voortvloeiend uit en terugstromend in 'de Bron', de schijnbaar eeuwige kringloop. Ik voelde me deel uitmaken van het geheel. In mijn gevoelen zag ik mijn kinderen, m'n schoonkinderen, m'n kleinkinderen. Ik zag m'n oude vader. Ik zag het komen en het gaan, het vastgrijpen van het leven en daaraan hechten en het geleidelijkaan loslaten om verder mee te drijven in de goddelijke stroom. Alles wat komen kon, was goed, want komend uit die goddelijke bron. Vreugde en verdriet hoorden bij elkaar, vloeiden over in elkaar. Angst en hoop verbleekten. En op slechts één of twee kilometer afstand ruiste de autobaan als een symbool van het menselijke streven. In dit gebied is het de bijna immer aanwezige dissonant in een verder vredige en bijna heilige rust.

In deze ogenblikken voel ik altijd dat het goed is, wat er ook gebeurt, hoe het leven ook lopen zal. Onze invloed is maar klein, het leven is slechts weinig te sturen. We leven onze levens als in een vooropgezet goddelijk plan. We zijn onderweg op de route die we, toen we aan het leven hier begonnen, in ons meedroegen. Wat we doen of niet doen, doet er uiteindelijk niet toe. Want één ding is duidelijk: we keren terug naar vanwaar we kwamen. En dan is alles goed, dan is het altijd goed.

Onze wegen kruisen die van andere mensen. En zie: daar zijn onze keuzes ineens belangrijk, daar komt het erop aan! Bieden we ruimte, bouwen we op? Of eisen we ruimte en breken we af? Lukt het ons het goddelijke in de ander te zien, lukt het daaraan te raken? Of voelen we vooral bedreiging waartegen we ons wapenen? Zijn we vooral mond of zijn we vooral oor? Gaat het om het hebben of gaat het om het geven? Mensen raken aan elkaar, altijd weer. Elke ontmoeting draag ik verder met me mee, net zoals ieder die mijn pad kruiste iets van mij meevoert op de weg. Zie ik die ander wel? En word ik ook gezien? Mag die ander zijn wie hij of zij is? En ik: voel ik in mijn contact met jou dat het goed is, dat er plek voor me is, dat je ruimte biedt?

Dan gaat de telefoon, een anonieme beller. Namens alle banken of zo, over hypotheken en de lage rentestand en dat ik huiseigenaar ben volgens het kadaster en of ik wel naar mijn hypotheek die ik niet heb, heb laten kijken. 'Wie bent u', vraag ik. Dan volgt opnieuw een stuk van hetzelfde verhaal. Ik bedenk dat een aanmelding bij infofilter.nl schijnbaar niets uithaalt, dat het bellen waarvoor ik niet gebeld wil worden gewoon doorgaat. 'Hoe bent u aan mijn nummer gekomen?' vraag ik. Maar deze vragen zijn de bedoeling niet. Het gaat de beller niet om een dialoog. Het gaat alleen om geld, graag zo snel mogelijk. Twee vragen: 'Wie bent u' en 'Hoe bent u aan mijn nummer gekomen' zijn voldoende om het gesprek te stoppen. De beller heeft neergelegd. Tien woorden heeft hij van me gehad. Contact? Nee ... dat niet.

Belijdenis van het geloof. Wat is geloof? Wat is godservaring? Wat doet de kerk daarmee? Hoeveel ruimte voel ik? Of word ik doodgegooid met woorden, vastigheden, een liturgisch harnas? Hoeveel ruimte hebben de mensen die ik daar ontmoet? Ontmoet ik ze? Hoor ik hun verhaal, hoor ik wat zij aan het goddelijke ervaren hebben? Pinksteren: de geest waait en op één of twee kilometer afstand raast het verkeer voort. En toch, hoe heilzaam is die rust.

1-6-2006

Belijdenis

We, mijn vrouw en ik, werden uitgenodigd voor aanstaande zondag, voor de belijdenis van het geloof van een jonge neef van mij, in de christelijke gereformeerde kerk, de kerk waar ik ook zelf ben opgegroeid en waar ik, nog jong, zelf ook belijdenis deed. Bij ons huwelijk, in 1970, kozen we voor de gereformeerde kerk en drie of vier jaar later lieten we ons als kerklid uitschrijven. We wilden niet langer mede-verantwoordelijk zijn voor wat wij op dat moment als dorheid en doodsheid ervoeren. De voorstellen van ons, een hele groep jongeren, hadden in de kerkenraad slechts geleid tot het door de predikant er bij de ouderlingen doordrukken van wat eigen ideeën waar wij ons niet in herkenden. Jong als je bent, verbind je daar consequenties aan.

'Een strikte kledingcode is er bij ons niet echt, al wordt wel verwacht dat de mensen zich enigszins aanpassen aan het feit dat ze in het huis van God te gast zijn', zo schrijft mijn neef. Het huis van God ... Is dat niet de mens? Wordt niet het menselijke lichaam in de bijbel 'tempel van God' genoemd? Ach, natuurlijk is in een kerk, welke dan ook, de rust te vinden die ruimte schept het goddelijke in het eigen zelf te ervaren, maar het gebouw is daar in mijn beleving geen voorwaarde voor, omdat God in de gehele schepping gevoeld en ervaren kan worden. Laat ik helder zijn: toen ik zo oud was als mijn neef nu is, zou ik het op dezelfde manier geschreven kunnen hebben. Er is niets mis mee natuurlijk.

Belijdenis van geloof ... Wat voor geloof? Wat is geloof? Kun je geloof leren of is het over te dragen van ouder op kind? Ik zie dat allemaal niet zo. Geloof is, lijkt mij, het weten dat zich in jezelf ontwikkelt. Daar speelt je komaf een rol in mee en je levenservaringen, maar primair lijkt me toch datgene wat je zelf in je leven aan het goddelijke ervaren hebt. En wat is dat per definitie persoonlijk! Als ik terugdenk aan mijn belijdenis, breng ik waar het toen om leek te gaan niet meer tot eenheid met mezelf. Het was minstens mede een zaak van intellect; we moesten de Heidelbergse Catechismus zo'n beetje uit het hoofd kennen. Niet dat dat niet goed was, dat was het wel. Alleen, het had nooit iets tot uitdrukking kunnen brengen van mijn geloof zoals zich dat later ontwikkeld heeft. En dat moet, ook in die tijd, toch tot beperkende voorwaarden hebben geleid. Maar beperkende voorwaarden zijn er niet bij God, volgens mij.

Geloof is het meest eigene van een mens, zo divers dat het beter is niet te pogen het te rubriceren of in vakjes onder te brengen. Alle geloof komt van God en leidt naar God terug, mits het niet aangeleerd of nageaapt is, maar voortkomt uit de eigen goddelijke kern. God zelf is dus divers. Ieder mens heeft één enkel vonkje in zich van dat goddelijke vuur en geen vonkje is gelijk aan een ander. Of we willen of niet: alle wegen, voortgekomen uit het goddelijke, leiden onontkoombaar naar God terug.

Het risico van geloven is dat je je een beeld schept van wie of hoe God is. De bijbel kent het beeldverbod al. Ik denk dat uiteindelijk het mentale beeld bedoeld is, dus het antwoord op de vraag wie of wat God nu eigenlijk is. Maar mensen zoeken vastigheid, zekerheid. Naarmate ze leven met een hoger angstniveau, scheppen ze zich exactere beelden van het goddelijke. Dat is, vind ik, tot daar aan toe. Als ze nu maar niet gaan denken dat welk ander mens dan ook hetzelfde beeld moet worden aangepraat. Geloof is niet aan te praten. Zulk geloof noem ik geen geloof. Geloof moet geboren worden, direct ontspruiten aan de eigen goddelijke kern. Ons past dan slechts te luisteren, te pogen het andere van God nabij te komen en misschien daarnaast te delen van het eigene, te delen aan wie er open voor staat, aan wie ontvangen wil. Respect dus versus zendingsdrang.

Belijdenis is, als het halen van een rijbewijs, niet meer dan een toelatingstoets. Alleen: wie zal toetsen? Dat kan alleen degene die zijn of haar geloof belijdt zelf. Elk ander kan zich openstellen, zich verwonderen, ervaren hoe divers en groot onze God is. Het zou mooi zijn als mijn neef bij zijn belijdenis iets van het eigen geloof op dit moment zou kunnen delen, ook en juist het meest eigene daarin. Het zou mooi zijn als er geluisterd zou worden, als men zich zou verwonderen, verwonderen over God. Want zoveel is duidelijk: met mijn enkele goddelijke vonk kan ik God niet kennen. Om God voluit te kennen heb ik alle andere vonken nodig. Dat is gedurende mijn leven hier niet mogelijk.