31-7-2006

Homo

Gistermorgen zag ik bij de KRO een herhaling van 'de Wandeling' van Hella van der Wijst met de Brabantse liedjeszanger Gerard van Maasakkers. Hij vertelde over zijn homoseksualiteit en de moeite om zulke gevoelens te accepteren en geaccepteerd te krijgen. In één van z'n liedjes gaat het over Benny. Benny zit met z'n ouders voor de tv en het programma gaat over homoseksualiteit. Maar dat ben ik, denkt Benny. Hij wil, om het bespreekbaar te maken, zeggen: 'Dit gaat over mij', maar hij heeft te veel tijd nodig om moed te verzamelen. Z'n vader is hem voor en zapt naar een andere zender, terwijl hij concludeert dat dit in zijn gezin gelukkig niet voorkomt.

Wat een eenzaamheid was en is er bij veel homoseksuelen. Wat een strijd vaak ook om het meest eigene zelf te accepteren en door anderen geaccepteerd te krijgen. Nooit vergeet ik die ene cliënt, ook zo'n Benny, het moet zeker 25 jaar geleden zijn. Hij kon zichzelf niet accepteren, niet met zichzelf in het reine komen. Langzaam begon het hem te dagen, al durfde hij er niet aan. 'Als dat zo is', zei hij op een keer tegen mij, 'als ik homo ben, dan heb ik toch geen recht van leven meer?' Zo voelde hij het en ten minste één keer heeft hij in zijn acceptatieproces op de grens tussen leven en dood vertoefd met het verlangen te vluchten voor zichzelf en de anderen. Hoeveel homoseksuelen zijn er nog immer die hun geaardheid verbergen voor hun omgeving en zelfs zichzelf, die een heterohuwelijk aangaan in een uiterste poging zichzelf en anderen te overtuigen van iets wat niet waar is? Wat een moeite en pijn geeft het dikwijls juist op het vlak van de seksualiteit om het eigen ik te leren accepteren en waarderen? Hoe velen komen daar in hun hele leven niet aan toe?

Ik weet niet hoe het verder is gegaan tussen Gerard en zijn vader, in hoeverre er toch openheid en acceptatie is gegroeid. Hij vertelt over hoe hij met zichzelf na vaders overlijden in een stroomversnelling kwam. Zijn cd en theaterprogramma 'Achterland' drong zich in die tijd aan hem op. En hij leerde zien dat hij op z'n vader lijkt.

Gerard laat zich zien als een bevrijd mens, in evenwicht met zichzelf en gelukkig met z'n leven. Het is mooi wat hij doet en maakt. Misschien zet het anderen op het spoor uiteindelijk ook de eigen weg te gaan.

25-7-2006

God

Willem Brakenhoff schrijft op de Forumpagina van de Volkskrant de oorlog in het Midden-Oosten toe aan verschillen in geloofsinzichten. Voor een deel zal dat waar zijn, lijkt me. Maar hij gaat verder. Hij noemt gelovigen idioten, behept met een ego dat naar een eigen verkozen godheid leidt. 'Het zich vereenzelvigen met een god leidt slechts tot oorlogen en twisten met lieden die een andere god navolgen, omdat over god niet valt te discussiëren', schrijft hij en 'God kan uit zijn aard geen onderwerp van gesprek of overleg zijn. God wordt slechts aangenomen, in welke tot oorlog of twist leidende vorm ook.' Brakenhoff betoogt dat zijn leeftijdsgroep (35), de nieuwe Europeanen, niet geïnteresseerd is in vergassen en verbranden, maar wel in een leuke Sam en Moos-mop of een lekkere baklava (zoet gebak). Alleen het secularisme kan volgens hem de mens van strijd en twist afhouden.

Wat Brakenhoff naar voren brengt is slecht één kant van de zaak. Bij veel gelovigen leidt het geloof in een externe God juist tot het uit de weg gaan van conflicten en tot zelfopoffering. Natuurlijk: het gehalte aan 'mijn waarheid is de enig ware' is in deze groep hoog. Maar geloof op zich hoeft in mijn visie niet tot oorlog en bloedvergieten te leiden, al kan ik niet ontkennen dat dat door de eeuwen heen dikwijls ook wel het geval is geweest. Wat ik veel meer zie gebeuren is dat gelovigen zich afwenden van andersgelovigen, niet alleen discussie of gesprek uit de weg gaan, maar liefst alle contact vermijden. Het ontwijken van elke confrontatie moet te maken hebben met het onvermogen onder ogen te zien dat in wezen elk godsbeeld, elk geloof fictie is. Het is een veiligstellen van het eigen denken en geloven.

Er is een andere manier van geloven. Als de externe God vervangen wordt door de interne goddelijke kern, levend in ieder mens, is van stonde af aan duidelijk dat geen geloof gelijk kan zijn aan dat van een ander. Net zoals ieder mensenkind een unieke oorsprong en historie heeft, is ook ieders geloofservaring oftewel het persoonlijke ervaren aan het goddelijke uniek. Dan past slechts in verwondering naar de ander te luisteren en kan beseft worden hoe veelzijdig en verschillend het goddelijke zich aandient.

Het probleem ligt, lijkt me, in de groepsfixaties van fictieve godsbeelden. Als mensen de eigen ervaring niet aankunnen door een tekort aan ego, is zo'n groepsaansluiting snel gemaakt. Het godsbeeld komt vervolgens ten minste voor een deel buiten de persoonlijke ervaring te liggen en heeft meer te maken met een geleerde les dan met levens- danwel zinsovertuiging vanuit eigen ervaren.

Het is te hopen dat het niet waar wordt dat hele generaties hun zingeving vinden in Sam en Moos-moppen en gebak. Ik waag te betwijfelen dat een op dat soort oppervlakkigheid gebaseerde wereld vrijer, evenwichtiger en vredelievender zal zijn.

23-7-2006

Voeding

Zoals algemeen bekend is de belangrijkste doodsoorzaak de voeding, zowel ondervoeding als overvoeding. Duidelijk is dat onze aarde op zich voldoende kan opbrengen voor iedereen, maar het delen is een te groot probleem. We zijn daar als mensheid nog niet aan toe en vinden dat wie sterven van honger dat aan zichzelf te wijten hebben. En inderdaad, de hongerigen alleen maar voeden, zou een te gemakkelijke oplossing zijn en uiteindelijk alleen maar tot meer narigheid leiden. Mensen zullen moeten veranderen, ze zullen moeten leren het heft van het leven in eigen hand te nemen. Ze zullen hun afhankelijkheid op moeten geven. Dat zoiets niet in één of twee generaties kan, is duidelijk. Zo'n mentaliteitsverandering zal langzaam vanuit de jongste generatie moeten groeien. Daarvoor zijn voeding en goed onderwijs de voorwaarden. Op allerlei plaatsen wordt daaraan gewerkt, maar tegelijk op heel veel plaatsen niet. De prioriteiten in onze westerse wereld liggen daar nu eenmaal niet.

Overvoeding is een ernstig probleem in onze westerse wereld. De jongste generatie doet al mee. Kennelijk kan een mens veel meer aan voedsel verstouwen dan er nodig is voor groei, onderhoud en arbeid. Inderdaad: velen bewegen niet meer. Als je veel te zwaar geworden bent, is het ook een hele klus om je te bewegen. Een auto of bromfiets is dan heel verleidelijk. Onze gezondheidszorg noteert onder andere door toenemend overgewicht een enorme toename aan kosten. Ieder heeft de persoonlijke vrijheid al dan niet gezond of verstandig met het eigen lichaam om te gaan. Bijvoorbeeld financiële consequenties willen we aan die eigen keuze niet verbinden. En er is nog iets. Wat is eigenlijk de achtergrond van vraatzucht, om het beestje eens even gewoon bij de naam te noemen? Zit die achtergrond niet met name in frustraties, emotionele tekorten en stress? Welke keuzes van onze maatschappij zijn het dan en ook welke persoonlijk keuzes die maken dat mensen vluchten in voeding? Elke verslaving biedt troost, helpt tijdelijk vergeten en brengt je vervolgens van de regen in de drup.

Ik vraag me af welke de tekorten zijn in opvoeding, onderwijs, werkklimaat en financiën, die maken dat zovelen de troost en vergetelheid van overvoeding nodig hebben. Zijn we ook als westerse mensen te afhankelijk? Nemen ook wij het stuur van het eigen leven niet in handen? Moeten ook wij het, bijvoorbeeld emotioneel en relationeel, van de ander(en) hebben? Durven we elkaar nog aan te spreken als we zien hoe iemand aan overvoeding ten onder gaat? Of is dat misschien te pijnlijk? Voelen we ons dan met z'n allen schuldig?

Wie kan er in onze welvaartsstaat nog gelukkig zijn met niet meer dan het gewone? Waarom eten zovelen geen drie maaltijden meer per dag? Want daar zit een groot probleem: als die regel vervalt, verval je tot eten wanneer je trek hebt, de hele dag en voor sommigen ook de halve nacht door. Kijk maar naar de 'Ster', onze grote opvoeder. Die doet ons geloven dat we daar recht op hebben, dat het lekker is en gezond. En we geloven het nog ook!

Waarvoor leven we eigenlijk? Of zijn we onze doelen kwijt, verloren aan de geldgod? Ligt daarin, in dat we onze ziel uitgeleverd hebben aan deze hoogste autoriteit, misschien een bron van onvrede, frustratie en stress? Missen we dan iets, dat we zoveel ver-vulling nodig hebben?

21-7-2006

Geweld

Oorlog in het Midden-Oosten: Hezbollah en Israël bestoken elkaar over en weer. Godsdienstfanatisme ligt minstens mede aan de wortel van dit kwaad.

Jammer dat er geen dialoog mogelijk is. Overal in de wereld hebben tot op heden velen nooit de mogelijkheid tot dialoog verworven. Dat noemt men tekorten in de opvoeding. Zolang opvoeders zich slechts afwenden van wie andere (geloofs)denkbeelden heeft, is er weinig hoop op een generatie die de dialoog als middel om problemen het hoofd te bieden in z'n pakket zal hebben. Wat blijft er als die optie ontbreekt anders over dan geweld?

Israëls bestaan wordt bedreigd, lees ik. En ook: Israël gebruikt onevenredig zwaar geweld. Het Midden-Oosten is niet vandaag voor het eerst een broeinest van geweld. In onze westerse wereld hebben we het over korte lontjes, maar hier weet men er ook raad mee. Verschrikkelijk voor alle slachtoffers!

In Washington is na 22 uur een avondklok van kracht geworden voor jongeren tot achttien jaar, zo lees ik even later. De maatregel geldt voorlopig voor drie maanden. Hij werd van kracht in een poging van de gemeenteraad om het aantal moordaanslagen te beteugelen.

Ook zo'n maatregel heeft niets in zich van dialoog. Jongeren zullen zich gehoord noch begrepen voelen. De vraag die gesteld moet worden, is wat ze tekortkomen, wat de jeugd zodanig frustreert dat ze gewelddadig wordt. Hoe staat het met de opvoeding en de relatie met de ouders? Hoe met de satisfactie van opleiding en werk? Hoe met het gevoel invloed te kunnen hebben op en nog liever stuur te kunnen geven aan het eigen leven? Hoe met de vlucht in criminaliteit, alcohol en drugs?

Geweld is van alle tijden. Evenzo van alle tijden is onze verantwoordelijkheid te werken aan dialoog, te luisteren naar wie zich tekortgedaan voelt en met diegene samen te zoeken naar verandering daarin of naar nieuwe inzichten. De vraag is, lijkt me, hoever we daarin gevorderd zijn.

19-7-2006

In de tredmolen

Ik sprak vandaag met iemand die zich niet gelovig noemt, maar dat in mijn ogen wel is. Zij heeft niets meer met de kerk en wil niet meer in, wat zij noemt, de tredmolen lopen. Later in het gesprek had ze het over de leiband van de kerk. Ik begreep dat ze aan de kerk geleden heeft, dat ze zich in haar persoonlijke vrijheid ingeperkt heeft gevoeld en dat het geloof van de kerk haar steeds meer is gaan tegenstaan. Onpasselijk werd ze er op het laatst van, zo vertelde ze me. Ik vroeg wat door op die tredmolen en toen had ze het over paarden die hun rondje lopen en over dat zo'n vast rondje je rustig maakt en je helpt je angsten te overwinnen. 'In de kerk', zei ze, 'is het precies hetzelfde: dezelfde rituelen worden altijd maar herhaald.' Ze keek me aan. 'Alsof je je daarmee God eigen zou kunnen maken', zei ze toen. Ze vond, net als ik, dat God niet anders gekend kan worden dan in wat je in je persoonlijk leven aan het goddelijke ervaren kunt. 'Al het meerdere', zei ze, 'is God voor je eigen karretje spannen.' Ik vroeg haar naar wat ze zelf aan het goddelijke ervoer. 'Dat wisselt', zei ze, 'maar dat zal altijd wel zo zijn. Soms is Het dichtbij, soms weer verder af. En dat verder af is dan weer nodig om Het weer ruimte te kunnen bieden dichterbij te komen. Als ik stil word', zei ze, 'als ik tot rust kom, mezelf rust gun, bij mezelf uitkom in al mijn blijdschap en verdriet, in al mijn hoop en angst, dan is God allang in me, dan is het goddelijke erbij, dan ben ik niet meer alleen, maar opgenomen in het grote goddelijke geheel.'

'En jij wilt zeggen', zei ik, 'dat je niet gelovig bent?'
'Ik wil geen misverstand wekken', zei ze, 'ik wil eerlijk zijn, vooral tegenover mezelf. En dat maakt dat veel mensen die geloven, zich van me afkeren. Mijn ideeën boezemen te veel angst in, bedreigen te zeer de rustgevende tredmolens van kerkdiensten, gebeden, meditaties of wat voor andere rituelen dan ook. Dan laten ze me los, komt het alleen nog van mijn kant en na een poosje stopt het vanzelf.' Ze bleef even stil. 'Dat maakt me eenzaam', vervolgde ze toen. 'Maar toch kies ik ervoor. Ik wil mezelf recht in de ogen kunnen kijken, ik wil ruimte bieden aan het goddelijke. Zo zie ik dat.' Ze glimlachte. 'Dus niet gelovig', herhaalde ze toen nog eens.

16-7-2006

Ziektekosten

Het wordt voor illegaal niet-verzekerden steeds moeilijker om de noodzakelijke medische zorg te krijgen, zo lees ik in de kranten. Werd met name door allochtone onverzekerden vroeger gemakkelijk de zorgpas van een wel verzekerd familielid gebruikt, nu is dat door de identificatieplicht in ziekenhuizen praktisch niet meer mogelijk. Veel onwettig niet-verzekerden zijn tevens illegaal, zonder verblijfsvergunning. Al die mensen worden als zij een beroep op de hulpverlening doen steeds meer al aan de balie geweerd en dus niet door een zorgverlener gezien. Regels zijn regels, nietwaar?

Het gaat echter niet om de regels, maar om het geld. Als onverzekerden hulp wordt geboden, geeft het een uitgebreide administratieve rompslomp om daarvoor althans nog enige vergoeding te krijgen. Want er zijn wel fondsen voor.

Als Riagg-hulpverlener ben ik het zelf ook tegengekomen, al vijfentwintig jaar geleden. Het ging om een jonge moeder met kleine kinderen, die zodanig verward en radeloos was dat ik vond dat ik haar op moest laten nemen. Als kleine zelfstandige had haar man echter gekozen voor opzegging van de verzekering en dat leverde hier dus direct een levensgroot probleem. Zoals wel vaker ben ik ook in dit geval wat verder gegaan dan mijn formele verantwoordelijkheid reikte en heb ik haar na vele eindeloze en doorgaans teleurstellende telefoongesprekken uiteindelijk toch voor een korte opname kunnen plaatsen in een kliniek buiten de regio die bereid was de kosten voor eigen rekening te nemen. Die paar dagen waren echter niet voldoende en ik zag hoe de kindertjes de dupe werden van het tekort aan zorg voor hun moeder. Als ambulant hulpverlener heb ik vervolgens zeer geruime tijd het uiterste gedaan om deze cliënte zoveel als mogelijk te stabiliseren. Die zorg leverde me overigens een telefonische doodsbedreiging door haar ouders op, omdat ik achter zaken begon te komen die zij verborgen wilden houden. 'We komen nu naar je toe en we schieten je hartstikke dood!' Na al die tijd kan ik de woorden nog letterlijk reproduceren. Ik had die dag een erg volle agenda en ik heb er nauwelijks aandacht aan gegeven. Ze zijn overigens ook niet gekomen. Vandaag de dag zal een hulpverlener die met zo'n telefoontje wordt geconfronteerd wel aangifte moeten gaan doen. In die tijd hadden we van die poespas nog geen last.

Als er geen zorg verleend wordt, treft dat vaak niet alleen degene die de zorg behoeft. Het risico is groot dat zo'n weigering een heel gezin, misschien zelfs een hele familie treft. Het moeilijkst voor mij is het te zien hoe kleine kinderen gedupeerd worden. Ik vond toen dat dat niet kon en dus pakte ik het probleem aan. Ik zou opnieuw vinden dat dat niet kan. Anders dus dan de hulpverleners en hun baliepersoneel van nu.

14-7-2006

Lied

Met Pasen waren we, mijn vrouw en ik, op Tenerife. We hadden er een auto bij en zo trokken we veelvuldig het binnenland in. Op paasmorgen reden we door een bergdorpje toen we tegen de berg een kruiswegstatie zagen. We stopten en klommen het pad omhoog. Steeds meer uitzicht kregen we over het dorp en z'n omgeving. We vonden de kerk, zagen dat de deuren open stonden.

Na een hele klim waren we uiteindelijk boven, de laatste statie. Er was een soort kapelletje in de rots uitgehouwen. Met bloemen en planten was er van alles gedaan om de plek aantrekkelijk te maken. Er hing een kerkklok, die geluid kon worden. Even dacht ik de klok driemaal te willen luiden, vader, zoon en heilige geest, maar die driesplitsing past niet meer zo bij me. Toen luidde ik de klok, eenmaal voor Trix, mijn vrouw, eenmaal voor mezelf. Wij hadden de statie gedaan, de berg beklommen en vooralsnog waren we de enigen.

De klok weergalmde over het dorp. Het geluid kwam naar ons terug. En terwijl het nog niet weggestorven was, werd in de kerk een paaslied ingezet, alsof ons luiden van de klok beantwoord werd: Christus is opgestanden ... Het gezang klom tegen de berg omhoog. Stil zaten we daar en luisterden. Pasen ...

Het bracht me terug in het Franse stadje Aigre, waar een jaar of tien geleden de kerkklokken voor ons werden geluid. Het stadje binnen fietsend hadden we hem al gezien, de Parkinsonpatiënt met z'n draagbare radio. Hij was het die ons even later de kerk binnenvoerde. Zijn ziekte maakte dat hij zich niet meer verstaanbaar kon maken, al begreep ik uit zijn verhaal nog wel dat zijn ouders hier in de kerk kosters waren geweest. Deze stakker luidde de kerkklokken van Aigre voor ons en voerde ons vervolgens verder de kerk binnen. Mijn schoondochter, zangeres, was erbij. Ze droeg een strohoed tegen de zon. Voor in de kerk vroeg ik haar of ze voor onze gids iets zou willen zingen en, na een aarzeling, zetten het Ave Maria in. Ze zong het hele lied, terwijl het doodstil was geworden in de kerk. Een paar plaatselijke tieners, die met ons mee naar binnen gekomen waren, hielden met ons bijna de adem in. En toen was het lied uit. Die man, die bevende handen, die prevelende mond en vooral dat bijna onmogelijk stralende gezicht: hoe ontroerend om zijn applaus te zien.

We waren in Aigre, het kan bijna niemand ontgaan zijn. Hoe klein, en tegelijk: hoe groot! Wat mooi als de plaatselijke kerk zomaar open is, dat je terecht kunt, stilte vinden kunt, een oude stakker treffen kunt, een lied kunt zingen. Eén van de jongeren, een jongen, kwam naar me toe. Met een gebaar naar onze gids excuseerde hij als het ware zijn stad. 'Maladie de Parkinson', zei hij. Dat hadden we gezien.

13-7-2006

Kinderen, school en ouders

Eén keer in de vier weken breng ik donderdags mijn kleindochter van vijf naar school en haal ik haar ook op. Ze zit in zo'n noodgebouw, tegen de eigenlijke school aangezet en in deze dagen behoorlijk warm. Voor zaken als een ventilator of een airco is de school afhankelijk van eventuele gulle ouders, net zoals ze voor het periodieke schoonmaakwerk een beroep op hen doet. We hebben in Nederland vooral niet te veel voor ons onderwijs over. Ze kunnen daar les geven, maar daar heb je het dan ook wel mee gezegd.

Mijn kleindochter klaagt meestal niet zo over die warmte, maar vandaag komt ze toch te verhit en half huilend naar buiten. 'Ik ben zo moe!', klaagt ze. En 'Ik voel me niet goed.' Ik kijk naar haar droge lippen en vraag of ze wel gedronken heeft. Dat heeft ze niet. Dus ga ik met haar terug de klas in, zodat ze bij de kraan wat kan drinken. Een leeftijdgenootje doet mee. 'Ik kan hier niet weg', zegt ze, 'mijn moeder staat in de file, bij Zwolle.' Ik begrijp dat ze maar op school moet afwachten tot de file is opgelost. Ze lijkt er weinig moeite mee te hebben.

Dan wandelen we naar huis terug. Mijn kleindochter moet nog wat bijkomen. Misschien is ze ook wel aan vakantie toe. Het voetpad is op dit uur erg gevaarlijk. Ik heb er al vaker dan eens ongelukjes zien gebeuren. Met name kleine jongetjes scheuren er aan alle kanten op hun fietsjes om je heen. Ook nu zijn er drie in aantocht. Ik schat ze een jaar of zes, zeven. Ze gaan nogal tekeer met hun fietsbellen, lijken ons van het voetpad te willen verjagen. Als ze passeren probeer ik: 'Dit is een voetpad. Daar hoor je voetgangers niet vanaf te bellen.' 'Ja maar', neemt een van de jongetjes nog net de moeite, 'dat moet van mijn moeder.' Dan zijn ze al te ver weg om ze nog te kunnen bereiken. Ik druk mijn kleindochter op het hart hier vooral in rechte lijn te lopen en liefst helemaal aan de kant. Wie niet van het fietspad gebruik wil of mag maken, heeft dan voldoende ruimte.

12-7-2006

Te duur

Aarzelend stond ze met een bakje kersen in de hand. 'Ze zijn me te duur ook', mompelde ze. En toen ik haar aankeek: 'Ze zien er mooi uit, maar 2,79 is me toch te duur. Dat is meer dan vijfenhalve euro per kilo, dat is dus meer dan twaalf gulden.' Ze zette haar bakje terug. 'Dat kan ik niet betalen', mompelde ze nog. En ik vertelde haar waar ik ze voor een euro minder per bakje had gezien.

Het deed me denken aan misschien wel mijn eerste correspondentievriendje, Robert Lippens (Robert, misschien zou het leuk zijn elkaar alsnog eens te treffen?) uit Gent. Het buitenland boeide me toen ik een jaar of tien, twaalf zal zijn geweest. Uit de 'Donald Duck' had ik een Belgische prijswinnaar geplukt en hem een brief geschreven. Ik denk dat dat soort contacten tegenwoordig gemakkelijker verlopen dan toen. Hij schreef terug en we bleven jaren schrijven met elkaar, zonder dat we elkaar ooit ontmoetten. Ik heb nog een fotootje van hem in mijn fotoalbum. Het liep met die correspondentie niet fout op grond van de angst van mijn moeder dat Robert een rijkeluiszoon zou kunnen zijn, die niet bij ons arbeidersgezin zou kunnen aansluiten. Die angst speelde haar vooral parten toen hij me een zogenaamde 'viewer' voor mijn verjaardag stuurde, compleet met een aantal beelddiscs die zo'n beetje driedimensionaal te bekijken waren. Volgens mijn moeder was dat cadeau veel te duur en zou ik nooit iets vergelijkbaars terug kunnen sturen. Ik weet overigens niet meer of ik wel ooit een cadeautje teruggestuurd heb. Wel dat we postzegels uitwisselden, een heel normale bezigheid voor onze leeftijd in die tijd.

Gek dat zo'n vrouw met zo'n bakje kersen me bij Robert terugbrengt ...

Toen ik een jaar of achttien was, heb ik de correspondentie beëindigd. Hij was katholiek, ik christelijk gereformeerd. In die tijd dacht ik waarachtig dat het belangrijk was anderen van je eigen geloofsvisie te overtuigen. En hij had geen oren naar mijn schrijfsels dienaangaande ...

Het moet aanzienlijk meer dan dertig jaar later zijn geweest toen ik aan het adres in de Lentestraat, dat ik altijd uit mijn hoofd heb gekend, aanbelde. Een paar brieven van mijn kant waren onbeantwoord gebleven. Roberts moeder, moeilijk ter been, deed me na een tijdje wachten open. Ik stelde me voor en zij gaf blijk van herkenning bij mijn samenvatting van mijn verleden met Robert. Ze zei dat ze hem nooit meer zag, dat hij misschien in Amsterdam woonde. Ze had geen adres of telefoonnummer, zei ze. Ze liet me niet binnen, wilde het aan de deur afhandelen. Ik vroeg me af of ze wat dementerende was. De brieven had ze wel ontvangen, zei ze, maar ze wist niet meer waar die waren. Ik stelde voor haar een nieuwe brief te sturen die zij dan kon bewaren voor als Robert toch ooit zijn gezicht nog eens om de deur zou steken. Dat vond ze goed en ik heb die brief ook geschreven, maar er nooit meer iets op gehoord.

De Lentestraat was een stadse straat, zonder groen, een soort van volksbuurt, zo schatte ik in. Het was achteraf nog maar de vraag waar er meer geld had gezeten, daar of in mijn eigen ouderlijk gezin.

Sommige contacten vergeet je niet, ik niet althans. Er hoeft maar weinig te gebeuren of een heel verhaal maakt zich weer even van me meester. Dat is goed. Het is goed te leven met herinneringen ... en met verrassingen.