13-11-2008: Zorg ... onder druk

Zorg ... onder druk. Aan dit stuk, dat ik minstens zes jaar geleden schreef, moest ik denken bij de start van mijn zorglog:

'Ik kan er niet meer tegenop', zegt de jonge vrouw uit de gezondheidszorg. 'Moet je nagaan hoe het zou zijn als je fulltime zou werken. Dat zou al helemaal niet kúnnen. Met drie dagen heb ik steeds weer even tijd om bij te kunnen tanken. Als ik 's avonds thuis ben, heb ik geen fut meer om ook nog maar iets te doen.'

Ze is sedert een week thuis met griep en het herstel vlot niet erg. Maar daarnaast ligt er kennelijk een onoplosbaar probleem in de werksfeer. Ik begrijp dat er voldoende pogingen zijn ondernomen om het management van de te hoge werkdruk te overtuigen en dat steeds duidelijker geworden is dat andere belangen dan die van de werknemers prevaleren. 'Er zou best extra menskracht gevonden kunnen worden, maar dat zit er kennelijk niet in!'

'Je hebt je eigen grenzen toch zelf in de hand?', probeer ik. Uit de felheid van haar reactie maak ik op dat ik haar in haar zwakte heb geraakt. 'Als je bij ons aan jezelf denkt, gaat dat meteen ten koste van anderen', repliceert ze. 'Man, je kunt nog niet eens naar de wc, omdat de collega's dan jouw taak even moeten opvangen, terwijl ze zonder dat ook al dreigen te verzuipen! En koffie drinken: vergeet het maar ... Het kán gewoon niet: ik kán niet in m'n eentje een persoonlijke grens trekken als ik vanaf hetzelfde moment zie gebeuren hoe naaste collega's zich werpen op het opvangen van wat dan allemaal fout dreigt te gaan. Grens trekken: akkoord, maar dán met z'n allen. En ik heb het opgegeven te blijven proberen de anderen daarin mee te krijgen. Als iets gewoon niet lukt, moet je ermee stoppen. Anders word je gek!' Bijna verbluft kijkt ze me aan.

Ik werk zelf mijn hele leven al in de gezondheidszorg en ik ken het probleem wel. Zorgverleners zijn dikwijls mensen die niet goed voor zichzelf zorgen en je moet je afvragen wat hun zorg voor de ander dus wezenlijk waard kan zijn. Kan iemand die zichzelf verwaarloost echt voor een ander zorgen? Er wordt aan de andere kant ook wel gezegd dat je de ander het best kunt onderwijzen in waar je voor jezelf niet goed in bent en ook daarin zit, lijkt me, ten minste een kern van waarheid. Ik moet denken aan zo'n overvolle dag uit mijn eigen arbeidsverleden. Toen er iets passeerde wat in mijn ogen dan maar door mijn collega van de crisisdienst moest worden opgepakt en ik hem daarover aansprak, interrumpeerde hij mij direct: 'Gert', zei hij, 'ik ga eerst een kom koffie drinken. Daarna ben jij weer aan de beurt.' Dat zei hij tegen mij, die op dat moment al jaren achtereen niet meer de tijd genomen had om een kom koffie in de kantine te gaan drinken. en ik ben hem er nog dankbaar voor. Uiteindelijk was dat moment een van de aanleidingen om eindelijk, maar veel te laat, te gaan leren om in m'n werk ook op mezelf te letten. Toen ik het probleem, zoals ik dat ervoer, in de Balintgroep (een groepje professionals die systematisch samen kritisch kijken naar de eigen persoonlijke aspecten in het arbeidsfunctioneren), waarin ik toentertijd participeerde, aan de orde stelde, kreeg ik ongeveer het volgende terug: 'Het lijkt erop dat je je gevoel van onmisbaarheid ook nodig hebt, dat het je ego streelt. Maar de organisatie betaalt uiteindelijk een hoge prijs voor mensen als jij, die door steeds grotere inzet van zichzelf het falen van het hele systeem proberen op te vangen. Door alles recht te trekken en niets spaak te laten lopen, door je overal verantwoordelijk voor te voelen, ontneem je je instelling z'n zelfcorrigerende sturing en daar wordt vroeger of later, wanneer het schip het zinken nabij is, iedereen de dupe van. Je neemt dus nogal wat voor je rekening!'

Ik krijg de boodschap bij deze jonge collega niet echt over, merk ik. De afweer van de eigen verantwoordelijkheid is nog te groot. Eerlijk gezegd heb ik niet eens gemerkt dat haar partner ons gesprek volgde. Maar als hij me uitlaat, zegt hij: 'Er moet wel wat gebeuren, want zo gaat het niet meer.' Er ligt zorg in zijn woorden.

Vertrouwen in mensen

Onlangs had ik een lang telefoongesprek met een zielsverwante vrouw, die, nu ze even ziek thuis was, tijd en ruimte vond om meer (of weer) bij zichzelf terug te komen, te lezen en ook alweer wat te wandelen. Plotseling had ze buikklachten gekregen en niet zo weinig ook. In het ziekenhuis vroegen ze zich kennelijk af of er sprake was van blindedarmontsteking zonder koorts of van een gezwel aan één van de organen. Alhoewel de huisarts een echo had gesuggereerd, kwam men daar in het ziekenhuis niet op of niet aan toe.

'Ik lag daar', vertelde ze, 'en werd van hot naar her gereden. Dan deze dokter, dan die en allemaal hadden ze geen tijd. Voor iedereen daar was ik een buik, alleen maar een buik. Wat vervreemdend is dat! En niet alleen ik. Ik lag daar naast mensen die in nood verkeerden, misschien wel niet lichamelijk, maar zeker wel psychisch. Al die mensen waren alleen maar een lichaamsdeel, allemaal waren ze voor het personeel hun mens-zijn kwijt. Er werd bloed bij me geprikt en na een halfuur zou ik meer horen. Maar dat duurde uren! Toen ik van mijn oudste beviel, hing de huisarts met zijn volle gewicht op mijn buik om mijn kind sneller geboren te laten worden. Hij had nog meer te doen en moest ook nog naar een andere bevalling. En ik, ik voelde me mishandeld als in een concentratiekamp. Datzelfde gevoel van overweldiging kwam bij me terug bij die onderzoeken in het ziekenhuis. Tjonge, wat gingen ze hardhandig met me, of beter gezegd met mijn buik om! En niemand die me vroeg hoe het met me ging, niemand die even tijd voor me had. Verschrikkelijk was het! Dat het heel anders kan, weet ik van toen mijn man een hartinfarct kreeg en acuut in het ziekenhuis, een ander ziekenhuis, terechtkwam. Hij werd wél gezien, hij mocht mens zijn, zijn gevoelens telden! Daar voelde het als een warme deken om je heen. Nou ja, wat het precies was bij mij, werd niet gevonden. De peristaltiek in mijn darmen was helemaal stilgevallen. Het voelde ook heel dood allemaal. En nu, nu heb ik spierpijn in heel mijn buik. Alles is plankhard. Paracetamol moest ik maar slikken, viermaal per dag 1.000 milligram.' Ze vertelde maar door, zat kennelijk midden in een soort traumaverwerking. 'Ze hébben daar ook geen tijd', zei ze. 'Je hoort en ziet dat ze alles tegelijk moeten. Dan komt er een melding van een ambulance en wat medische termen, aanrijtijd zeven minuten. En even later weer zo'n melding, aanrijtijd 35 minuten. Ik hoorde ze zeggen dat het helemaal niet kon, dat ze het er gewoon niet bij kónden hebben. Maar het móést gewoon. In andere ziekenhuizen was ook geen tijd!'

Ze was blij weer in huis te zijn, deze vrouw, en had het gevoel wat op te knappen. En ik, ik vroeg me na het telefoongesprek af waar ze het meest aan geleden had, aan haar buik, of aan de lichamelijke en mentale mishandelingen. Ik had het gevoel dat vooral haar vertrouwen in mensen geschaad was.

14-11: De ziel uit de zorg

Twee jaar geleden sprak ik met een sociaal pedagogisch hulpverleenster bij een instelling met diverse woonvormen voor verstandelijk gehandicapten. Met haar verhaal spiegelde ze als het ware het mijne - ik was bijna mijn hele werkzame leven hulpverlener bij een Riagg - over alles wat er de laatste tijd fout gaat in de zorg.

Ik was kort tevoren bewust in mijn instelling de gangen over gelopen en had, waar de deur openstond, naar binnen gekeken. Wat doen hulpverleners als ze geen cliënt in hun kamer hebben? Dan computeren ze. Ze zijn bezig met de verantwoording van alles wat ze met hun vorige cliënt besproken of ook niet besproken hebben. Ze stellen behandelplannen, dsm-rubriceringen (diagnoses) of dbc's (diagnose-behandelcombinaties) op of schrijven gespreksverslagen. Ze voeren hun 'productie', hun cliëntcontacten in eenheden van 10 minuten, in. Ze worstelen met onverenigbare codes en roepen elkaars hulp in om hun werkzaamheden toch in elk geval maar te kunnen 'scoren'. Uiteindelijk zullen ze juist op die productie ook afgerekend worden namelijk.

De hulpverleenster die ik, genietend van zon en buitenlucht, sprak, vertelde dat ook in haar instelling de computer de macht had gegrepen. Vroeger, nog tot voor een paar jaar, schreef ze aan het eind van haar werkdag een verslagje over de bijzonderheden die zich bij en met haar bewoners hadden voorgedaan. Inmiddels echter schatte ze dat ze drie uren van haar werkdag achter de computer door had te brengen om aan alle rapportage-eisen en andere verantwoordingen te kunnen voldoen. Ze vertrouwde me toe elke werkdag geconfronteerd te worden met schuldgevoelens naar haar bewoners, aangezien die haar begeleiding nog altijd behoeven maar die ten gevolge van de verantwoordingsverplichtingen in steeds toenemende mate moeten ontberen. Alles moet verantwoord worden, zo begreep ik: waarom je een bewoner corrigeert of ergens heen begeleidt of juist niet begeleidt tot dat je een bewoonster een Tena-lady hebt aangeboden toe.

'Vroeger gingen we uit van wat de bewoner nog wel zelf kon doen', zo vertelde ze me, 'maar nu is het precies andersom: nu gaat het om wat de bewoner niet meer zelf kan doen en waar hij dus hulp bij nodig heeft. Daar worden we voor betaald, dus daar moeten we het van hebben.' Ze legde uit hoezeer deze ommezwaai consequenties heeft gehad in de omgang met de betrokkenen.

Ik vroeg nog wat door op de financiering en toen bleek dat er gewerkt wordt met PGB's, persoonsgebonden budgetten. Inmiddels blijkt dat weer anders te heten: alle namen van instellingen en fondsen die disfunctioneren worden tegenwoordig om de haverklap veranderd, alsof daarmee het disfunctioneren weg te nemen zou zijn. Een belangrijke nieuwe administratieve taak van de laatste tijd was het verantwoorden van wat voor wie vanuit welk geld (budget) is betaald. Ik begreep dat ouderverenigingen aan de bel getrokken hadden, omdat het beeld was ontstaan dat het geld in één grote pot per woonvorm werd gestort, waaruit dan de kosten voor die woonvorm werden betaald. En nu moest dat alles dus per cliënt verantwoord en gespecificeerd worden, net als dat op mijn eigen werk ook moest in tijdseenheden.

De hulpverleenster had het angstige voorgevoel dat het einde van de uitbouw van administratieve verplichtingen bepaald nog niet in zicht is en ze gaf me de indruk dat een en ander de arbeidsvreugde bepaald niet ten goede was gekomen.

'Het lijkt wel of die kanonnen vanzelf afgaan.' Ooit hoorde ik deze uitspraak over een bekende veldslag. Een veldheer had gesignaleerd dat eigenlijk niemand de oorlog wilde, maar dat die tegelijk toch onontkoombaar was. Zo lijkt het in bureaucratisch Nederland ook toe te gaan. Ieder die ermee wordt opgezadeld, wordt een beetje minder gelukkig door alle administratieve verplichtingen, maar er lijkt geen kruid tegen gewassen. Is het probleem niet dat het werk op de werkvloer niet meer bestuurd wordt vanaf die werkvloer, maar dat onzichtbare managers de werkers het stuur uit handen trokken? Stapels rapporten, klappers vol protocollen en een zeer geharnast administratief systeem binden de uitvoerenden aan handen en voeten en onttrekken onderwijl de ziel uit de zorg. Dat dat de weg niet is, moge duidelijk zijn.

Ontwrichting GGZ?

Deze week las ik een opiniërend artikel over de marktwerking in de gezondheidszorg (DvhN 12-11-08 door Fred Leffers, Spencer Zeegers en Ineke Palm). Deze systematiek zou leiden tot ontwrichting van de geestelijke gezondheidszorg. Veel instellingen zouden in acute financiële nood verkeren. Er komt minder personeel en dus minder zorg, soms met dodelijke gevolgen. Door de centrale rol van geld en bureaucratie zou de hele sector ontwricht raken. Een enquête onder vijfduizend zorgverleners in de ggz toont aan dat bezuinigingen, marktwerking en bureaucratie de kwaliteit van de zorg ondermijnen en tot onaanvaardbare werkdruk leiden. Directeuren, managers, beleidsmedewerkers en adviseurs spreken andere talen dan de taal van de uitvoerende hulpverleners, waarbij het het Beleid is dat de regels stelt die geleid hebben tot een 'gigantisch systeem van controle en verantwoording' dat hulpverleners in de afgelopen jaren murw heeft gebeukt.

Betaalde voorrang

De marktwerking in de zorg: In het Kennemer Gasthuis in Haarlem kun je voorlopig voor een halfjaar voor 900 euro voorkruipen op de wachtlijst. Bestuursvoorzitter Harry Luik noemt dit beleid 'een logisch gevolg van de marktwerking'. Hij haast zich om toe te voegen dat de specialisten dit (sinds september jl.) in de avonduren doen en dat het niet ten koste zal gaan van regulier wachtende cliënten. Verder dat er (nog?) niet veel vraag is naar deze extra betaalde zorg.

Ook de woordvoerder van de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen ziet deze ontwikkeling in het kader van de marktwerking. De Orde van Medisch Specialisten vindt dat rijken nu eenmaal altijd meer hebben: twee auto's hebben is net zo goed oneerlijk.

Enkele verzekeraars hebben zich inmiddels tegen verklaard en ook de Tweede Kamer lijkt niet gelukkig met het Haarlemse initiatief.

EPD en privégegevens

Het Elektronisch Patiënten Dossier houdt de gemoederen bezig. In dat EPD zijn de kwalen waarmee u en ik bij de huisarts kwamen, onderverdeeld in groepen oftewel probleemgebieden. Urinewegproblemen, maag-darmproblemen en hartproblemen om er maar een paar te noemen. Boven het vroegere kaartsysteem heeft dit alles het voordeel dat per klacht snel een overzicht op te roepen is. De patiënt kan per groep aangeven dat de gegevens niet door waarnemers mogen worden ingezien. Zo kun je bijvoorbeeld (psycho)sociale problemen uitsluiten van inzage. Ten slotte krijgt de waarnemer per groep slechts de gegevens van de laatste zes contacten te zien. Daarnaast natuurlijk wel de actuele medicatie.

Het EPD kan vooralsnog worden ingezien door waarnemers van de huisarts bij diens ziekte, vakantie en buiten kantooruren. Duidelijk lijkt me dat hier later anderen, ziekenhuizen bijvoorbeeld, op aangesloten zullen kunnen worden. Het systeem werkt via een beveiligde internetverbinding, net zoals dat bij de banken het geval is. De eigen huisarts blijft de centrale figuur: hij of zij heeft inzage in wie welke gegevens heeft geraadpleegd. Een uit de huisartsenpraktijk gestolen computer bevat, als het goed is, geen zonder ingewikkelde trucs toe te passen op te roepen patiëntgegevens.

In de week na de lancering van het EPD werd inmiddels duidelijk dat de beveiliging van de patiëntgegevens in de ziekenhuizen niet deugt. De Inspectie Gezondheidszorg en het College Bescherming Persoonsgegevens concludeerden dat in geen van de 20 onderzochte ziekenhuissystemen de privacy van het elektronische dossier kan worden gegarandeerd. De ziekenhuizen voerden vervolgens aan dat het onderzoek alweer achterhaald was, maar 'Nova' en 'RTV West' wisten door zich voor te doen als collega-arts of medewerker van een computerbedrijf via de telefoon wachtwoorden los te krijgen, waarmee medische dossiers waren in te zien.

18-11: Geen werk in de kinderopvang?

Het was een stralende morgen gisteren. We wandelden door Gods vrije natuur. Een midden-dertiger, die er de vaart iets meer in had dan wij, waarschuwde ons voorzichtig niet te schrikken toen hij ons zou voorbijgaan. Maar hij ging niet voorbij. We raakten aan de praat.

Hij was nu een aantal weken zonder werk. Had al vijftien jaar bij een grote bank gewerkt. Daar was door een paar mensen gefraudeerd en wat altijd was gezegd, 'Bij fraude vlieg je er zonder pardon uit', was niet gebeurd. De betrokkenen konden blijven. De dertiger vond dat onrecht, vond het niet kunnen, maakte een afspraak op hoger niveau. Dat werd hem niet in dank afgenomen. Waar bemoeide hij zich mee! En sindsdien vond hij het stinken in het bedrijf. Hij kon er niet meer tegen, wilde weg. Eigenlijk wilde hij wel iets anders, iets met kinderopvang ... Zijn eigen kinderen waren nog jong. Hij merkte dat hij het optrekken met kinderen mooi vond. Hij was aan het solliciteren geslagen, maar dat wilde niet vlotten. Elke dag begon hij met internet, zoeken naar een geschikte vacature. Hij was er té druk mee. Het bureau dat hem helpt daarin, vond dat hij zich niet zo moest fixeren op werk, omdat hij er anders gek van zou worden. Hij probeerde het nu wat los te laten, ging elke dag een stuk lopen, maar nam de telefoon wel mee. Te oud vonden ze hem veelal. Jonge meisjes van zeventien of achttien wilden ze. Hij zou wel een pedagogische opleiding willen doen, had ook al mogelijkheden voor een verkort traject gevonden, maar de stages die daaraan vast zouden zitten met een stagevergoeding van zestig euro, dat zag hij niet zitten. 'Daar kan ik niet van leven', vond hij.

Hij had gedacht aan 'de Telegraaf' en ingeschat dat zijn verhaal, dat hij nog meedroeg vanuit zijn baan bij de bank, wellicht de voorpagina zou halen. Hij had gekozen dat niet te doen. Voor klokkenluider was hij niet in de weg gelegd.

Het was me duidelijk: hier liep een zeer gemotiveerde kracht in het bos, een man die veel voor talloze kinderen en misschien ook ouders zou kunnen betekenen, zou willen betekenen, een man met liefde voor kinderen. Pedofiel? Ik vroeg het me even af, maar ik kreeg niet de voor mij daarbij behorende nare gevoelens. Ik zag iets anders. Deze man solliciteerde zich rot en de commissies die zijn brieven lazen of een gesprek met hem hadden, vroegen zich net als ik af hoe zijn motivatie in elkaar stak. Maar ze vonden het te moeilijk om daar over te beginnen. Ze wilden meer aan de oppervlakte blijven en zagen dan ook meer in jonge meisjes. Deze dertiger was nú de dupe van de gemakzucht van de organisaties voor kinderopvang.

'Misschien moet ik toch maar naar de bank terug', vond hij inmiddels. 'Ze zeggen het allemaal. Daar ligt m'n ervaring, m'n schat aan ervaring. Als het niet anders kan, moet ik maar weer bij een bank solliciteren.'

Toen waren we op het punt dat hij linksaf wilde, terug naar zijn dorp, en wij rechtsaf. Hij dacht volgens mij dat de post inmiddels geweest kon zijn. Wat gun ik deze man, deze waardevolle mens die daar inmiddels zelf aan begint te twijfelen, een goede passende plek, waarin hij zichzelf kwijt kan, al is het maar opnieuw voor zo'n vijftien jaar.

Zorg in Brazilië

Vandaag kreeg ik een zogenaamde nieuwsbrief van mijn nicht uit Brazilië. Ze is hoogzwanger van haar eerste kindje. Nog deze maand hoopt ze moeder te zijn. Zelf is ze goeddeels in Brazilië opgegroeid, ze is er getrouwd, maar haar eigen familie woont daar niet meer. Ze is maatschappelijk werkster in een kindertehuis.

Ik vind haar verhalen altijd weer aangrijpend ontroerend. Ik heb, begin negentiger jaren, toen ik daar was, met eigen ogen de armoede die velen daar lijden gezien. De kinderen die geboren worden en sterven onder landbouwplastic zonder dat er ooit een dokter aan te pas komt, die niet geregistreerd worden omdat daar geen geld voor is. De lethargie van de volwassenen in die afgelegen nederzettingen. De kerk ter plaatse, mijn broer was daar toentertijd predikant, probeerde wat te doen, zette een verpleegster in en medicijnen, een maatschappelijk werkster, liet een paar kranen maken waar mensen massaal stierven omdat ze dronken uit een vervuilde bron.

Mijn broers dochter is teruggekeerd. Zij heeft de draad weer opgepakt. Vandaag schrijft ze een vervolg over 'haar kinderen' van 3 tot 15 jaar. We zijn een soort brandweer, schrijft ze, maar de oplossing van problemen is vaak zo ingewikkeld dat je geen kant meer weet op te gaan. Je wilt een kind helpen, maar de structuur eromheen en de bureaucratie van wetten en regels laat dat zo moeilijk toe. Andressa van 11 woont bij haar opa en oma. Opa is al 25 jaar alcoholist, haar ooms gebruiken drugs, haar tantes en moeder zijn prostituees. Oma werkt hard om de kost te verdienen en staat daarin totaal alleen. Het lukt om Andressa bij haar vader en stiefmoeder te plaatsen en even lijkt het tij voor haar te keren. Maar Andressa begint te stelen, een schrift van haar broertje en wat geld uit haar vaders portemonnee. Dan wordt ze het huis weer uitgezet en naar haar moeder gebracht. Die brengt haar na drie weken terug en vervolgens komt ze bij opa en oma.
Mijn nicht vindt werk als schoonmaakster voor de moeder, maar die droomt van een ander, een 'waardig' leven. Ze begint te drinken. Dan vertrekt ze, naar 900 kilometer verderop. Haar zes kinderen laat ze achter. Nog eenmaal laat ze zich een paar uurtjes zien. Zo komt Andressa bij haar opa en oma, samen met haar broertje van 7. In het contact kijkt ze levenloos uit. Ze is haar hoop op een beter leven kwijt en leeft omdat het moet. En ze heeft geleerd wat ook moest: haar gevoelens negeren. Zodra ze gaat voelen, is haar leven ondraaglijk. Ze woont bij oma, in een huis met drie vertrekken, waarin ze met achten leven. Ze ziet hoe oma zich ziek werkt om eten te kunnen kopen. Ruimte, tijd, liefde is er niet voor haar. Ze overleeft en zorgt voor haar broertje. En er is geen instantie die kan helpen. Bij de voogdijraad zijn na een reorganisatie de gegevens zoek. Mijn nicht is met Andressa bij een weeshuis geweest, een huis met plaats voor 11 kinderen waar op het moment van het bezoek 26 kinderen woonden. Er was een tekort aan personeel daar en degene die 's nachts dienst doet, heeft borstkanker en kan het niet meer aan. De situatie ter plekke leek zo overbelast dat mijn nicht heeft afgezien van het ter sprake brengen van Andressa's probleem.

Ten slotte neem ik een passage uit de nieuwsbrief letterlijk over: 'En, als je dan het idee hebt dat je niks voor deze kinderen kunt betekenen, niks voor ze kunt doen omdat je van alles geprobeerd hebt en geen kant meer op weet te gaan, hoor je soms uit de mond van deze kinderen zeer wijze woorden: Juf, ik heb geen voedsel meer nodig. Je hoeft me niet meer te kleden. Je hebt al naar mij geluisterd! En dat is voor deze kinderen vaak voldoende. Het lijkt in onze ogen zo ontzettend weinig, het luisteren, het er even voor deze kinderen zijn. Ze de ruimte geven waar ze recht op hebben. Ze laten spelen zonder dat ze de zorgen van de straat en thuis hoeven te dragen, ook al is het maar voor even. Wat kan iets dat in onze ogen dan zó weinig lijkt te zijn, dan veel betekenen: het luisteren, soms het geven van advies, het omarmen, het er zijn voor dit kind. Dit kind de ruimte geven om kind te zijn. Het kind zelf helpen alles voor zichzelf op een rijtje te krijgen. Dat is vaak wat we kunnen doen en wat we doen, met alle liefde en toewijding.'

19-11: Rust zit niet in het basispakket

Dit stukje schreef ik in juni 2002

Mijn kleindochter heeft pseudo-kroep, dit keer zo stevig dat ze in de loop van de avond naar het ziekenhuis moet. Sneu is dat: met haar nog geen anderhalf jaar kan ze het niet begrijpen. Gelukkig is het tegenwoordig zo dat de ouders erbij mogen blijven, bij hun kind in nood. Het kind wordt niet meer, zoals een generatie terug nog wel gebeurde, opgezadeld met een trauma, omdat het, juist als het de ouders op z'n hardst nodig heeft, door hen wordt achtergelaten.

Vanmorgen vroeg, ik heb de halve nacht niet geslapen, heb ik haar in mijn armen en drukt ze zich tegen m'n borst. Op die plek voelt ze zich veilig, ik weet dat. Ze ademt zwaar, is doodmoe, koortsig, een echt ziek vogeltje. Een sondeslangetje zit haar niet lekker. Steeds weer voelt ze eraan en zegt vragend: 'Uit!' Maar het mag niet uit.

Vanmiddag los ik mijn dochter af, zodat ze naar huis kan om wat te slapen. Kyra mag weer gewoon drinken en geniet van haar fles pap. En dan is ze echt aan slapen toe, uitrusten: dat lijkt nu even het eerst nodige. Het bedje met die hekken ziet ze niet zitten en als ze tegen mijn schouder in slaap gevallen is en ik haar voorzichtig probeer neer te leggen, staat ze meteen weer rechtop: 'Uit!' Ik probeer haar opnieuw in slaap te krijgen op mijn arm, loop met haar rond, maar er is veel te veel hectiek. Een ander kind mag naar huis en de moeder belt vanaf de kinderkamer haar man om hen op te komen halen en haar moeder om het goede nieuws te melden. Maar even later heeft het jongetje koorts en belt de moeder dezelfde nummers weer, nu met het bericht dat hij toch nog moet blijven. Een ander jongetje wordt opgenomen en zal vanmiddag geopereerd worden. Er moet een bed komen en de ouders moeten uitleg over de operatie en het jongetje moet een zetpil. Zo gaat het door. Hoe krijg ik Kyra in slaap? Ik mag bij wijze van uitzondering, zo begrijp ik, met haar in de ouderkamer zitten. Misschien kan ze op mijn arm slapen. De vader van het jongetje dat toch niet naar huis mag, komt luidruchtig binnen, vindt niet wie hij zoekt en verdwijnt meteen weer, zonder de deur achter zich te sluiten. Een zuster komt binnen, schijnbaar zonder doel, en sluit de deur evenmin. Op de gang wordt getimmerd.

Ik loop de kamer op en neer, maar het is gewoon te luidruchtig allemaal. Zal ik een stoel meenemen en kijken of er boven in het trappenhuis een rustiger plekje is misschien? Een lieve zuster op de gang brengt me op andere gedachten en zet me in de koffiekamer van het personeel. Ze plakt een briefje op de deur: 'Niet storen.' Ik loop met Kyra de kamer op en neer, zo slaapt ze het makkelijkst in. Als ik net even met haar zit, komt toch een verpleegster binnen, haar pieper piept erbarmelijk en ik begin het lopen opnieuw. De laatste tijd slaapt Kyra 's middags wel drie uur: ze is zo druk doende de wereld te ontdekken. Uiteindelijk lukt het om haar een halfuur tegen m'n schouder te laten slapen, dan is het voorbij. Ze voelt zich beter, brabbelt weer tegen me, lacht. Ik voel me opgelucht, probeer haar nog weer in slaap te krijgen, maar werkelijk, steeds als dat lijkt te lukken, gebeurt er wat anders wat haar aandacht trekt.

Het blijft bij dit ene halve uurtje. Gek, juist de voorbije nacht en vanmorgen heeft ze zo hard moeten werken dat ze haar rust meer dan normaal nodig heeft, maar die rust zit niet in het basispakket, naar 't schijnt. Of had ik door moeten zetten misschien, in het trappenhuis? Zou het niet beter voor haar zijn als ze gewoon kon uitrusten? Zou dat niet helpen om de komende nacht goed door te komen? Ik zie haar druk worden; ze loopt zich helemaal voorbij. Ik ken dat wel: als je te moe bent, raakt je grens uit zicht, word je maniakaal.

De mensen hier zullen naar beste weten hun werk doen en het manco waar ik tegenaan loop, zal wel onontkoombaar zijn, maar toch: 'mijn' nu uitgelaten Kyra roept iets van een gevoel bij me op dat het toch anders zou moeten kunnen, dat zo'n kind daar misschien wel recht op heeft.

20-11: Niet veel te verwachten

Dit stuk dateert van 1-4-2006, kort voor mijn pensionering, en is naar hier verplaatst vanuit mijn toenmalige weblog.

'De zorgsector voegt leed toe' is de titel van een artikel van Reneé Braam in de Volkskrant van vandaag. 'De zorgverlener kijkt alleen maar in z'n paperassen en niet meer naar de patiënt', stelt ethica Annelies van Heijst. Ziek als een hond dwaalde ze een lange ochtend in het ziekenhuis van afdeling naar afdeling, van medewerker naar dokter en niemand die blijk gaf van medeleven. Eind vorig jaar kwam haar boek 'Menslievende zorg' uit. Het wemelt daarin van professionele zorgverleners die leed toevoegen, niet als mens aanwezig zijn en geen plezier in mensen hebben. Zorgverleners dienen in haar ogen de heilige god van het papier en ondertussen is er niemand bij degene die hulp nodig heeft.

Ik ben bezig de VUT in te gaan en bouw het laatste stukje van mijn werk in de gezondheidszorg in deze maanden af. Ik heb mijn hele arbeidzame leven in de gezondheidszorg gewerkt, als verpleegkundige en de laatste eenendertig jaar als Riagg-hulpverlener. Annelies Heijst vertelt niet het hele verhaal. Ik lees bij haar niet of nauwelijks over cliënten die het onmogelijke eisen en nog agressief worden ook als ze niet op hun wensen bediend worden. Ze schrijft ook niet te veel over de onwaarschijnlijke administratieve rompslomp die gezondheidswerkers is opgelegd. En er is nog een fenomeen dat meespeelt: de productie. Inderdaad, in de gezondheidszorg is sedert een aantal jaren sprake van productie en aan die productie, het aantal cliëntcontacten dus, worden per zorgverlener eisen gesteld. Ik ben daar zelf, zo vermoed ik, ziek van geworden, slachtoffer dus van het productiesysteem waarin in het jaar 1998 in mijn instelling een productieverhoging werd doorgevoerd van vijftien procent. In maart of april van dat jaar sprak ik er expliciet met mijn directeur over. Ik gaf te kennen dat dit niet goed was voor mijzelf en niet goed voor 'mijn mensen'. In intakegesprekken had ik mezelf betrapt op uitspraken als: 'Zou u zo vriendelijk willen zijn geen verhalen te vertellen, maar alleen op mijn vragen te antwoorden?' Na heel korte tijd al kwam deze attitude me de strot uit en vergalde het mijn eigen werkplezier! Overigens, ook voor 1998 was de werkdruk al zodanig dat ik - kennelijk was mijn belastbaarheid ook toen al niet te groot - geen volledige werkweek meer aankon en dus noodgedwongen had gekozen parttimer te worden en de woensdagen niet meer te werken. Ik was en ben in de gezondheidszorg niet de enige die dit zo is vergaan. Enkele maanden na het gesprek met mijn directeur, dat overigens niets opleverde, kreeg ik mijn eerste herseninfarct. Ik kwam er nog genadig vanaf. Nabije collega's overleefden hun hartinfarcten niet. Natuurlijk: ik kan en mag niet stellen dat dit alles het gevolg was van werkdruk (alleen). Voor mezelf is dat echter toch wel het overheersende gevoel. Ook nu zie ik verschillende collega's rondom, in wie ik mezelf van toen herken. Aan houding, doelgerichtheid, haast en soms aan ongezonde gelaatskleur lees ik de cliëntbetrokkenheid en daarmee het risico zelf uiteindelijk de grote verliezer te worden af. Ik heb er mensen wel op aangesproken. 'Als eerst dit en dat maar klaar is, dan wordt het beter', hoor ik dan. En ik vertel dat ik er niets van geloof. 'Als dit en dat klaar is, is er allang weer wat anders', is mijn reactie. 'Als het vandaag niet lukt om in je werk goed voor jezelf te zorgen, is er geen reden om aan te nemen dat dat morgen wel zal lukken.' Een enkele collega durf ik (nog) niet aanspreken op wat ik zie. Ik ben te bang dat diegene de confrontatie niet aan zal kunnen. Tegelijk ben ik mijn inmiddels gepensioneerde collega die mij 'op het matje riep' nog altijd dankbaar. Kort voor mijn eerste infarct kwam hij naar me toe. 'Jij hebt ook zo'n calvinistische achtergrond nietwaar?' Ik knikte en keek hem vragend aan. 'Gij zult uw naasten liefhebben als uzelf', zie hij toen. En na en korte stilte: 'Dan hebben ze van jou niet veel te verwachten, denk ik.' Het sloeg in als een bom. Vele jaren had ik op dat moment nooit meer de tijd genomen om in de kantine te gaan lunchen. Vanaf diezelfde dag heb ik dat nooit meer nagelaten. Maar het was nog niet genoeg en het was niet op tijd.

Annelies van Heijst heeft gelijk: het moet anders, menselijker, in de zorg. Maar niet alleen voor cliënten, ook en eerst voor die werkers die te zeer op hun tenen moeten lopen. De menselijke maat is te divers dan dat er gemiddelde productiecijfers aan gekoppeld mogen worden. En mijn gevoel is dat juist diegenen die zich overvragen of daartoe neigen, voor hun cliënten proberen die menselijke maat zoveel als mogelijk in stand te houden. Ook zij zijn de slachtoffers.

21-11: Illegaal

Zomaar een bericht uit de krant van vandaag (Dagblad van het Noorden 21-11-2008 door Kamilla Leupen): Een Nigeriaanse moeder zwerft met haar kinderen van 9 en 7, in Nederland geboren, al jaren door Amsterdam-Zuidoost. De kinderen hebben nog nooit een eigen plek gehad. Dan logeert het gezinnetje hier, dan daar, al dan niet tegen betaling. Soms verblijven ze in een (koude) kerk. Dan slapen ze op houten banken. De oudste, Alex, is zwakbegaafd en ernstig autistisch. Door zijn handicap heeft hij extra structuur nodig en zijn klachten zijn door het ontbreken daarvan verergerd. Geen enkele officiële opvang wil ze hebben omdat ze illegaal zijn en de gemeente opvang van illegalen in uit gemeenschapsgeld gefinancierde instellingen niet toestaat. Nederland anno 2008. Illegaal is dus niet meer dan straatvuil, volstrekt zonder waarde en hoe eerder opgeruimd hoe beter. Zo denken we kennelijk onze welvaart te beschermen. Ik moet denken aan Hans Visser, vroeger drugsdominee in Rotterdam. 'Het uitbannen van geweld betekent dat ieder mens menselijk behandeld dient te worden. De schroothopen in de wereld, waarop nu nog mensen als oude benzinevaten worden gedumpt, dienen te worden opgeruimd', vond hij. Kennelijk staat hij te alleen.

23-11: Pilgebruik en een gehandicapt kind

Een paar dagen geleden was ik een dagje uit met mijn vader. Hij is 89 en sedert een aantal jaren bijna blind. Om uit te kunnen is hij goeddeels afhankelijk van zijn omgeving. Hoe het erop kwam, weet ik niet meer, maar ineens ging het over de toename van de kans op een gehandicapt kind als de moeder al wat ouder is bij de eerste zwangerschap. Zou het krijgen van een gehandicapt kind kunnen samenhangen met een langdurig gebruik van anticonceptiemiddelen, zo vroeg hij zich af, daarmee 'de pil' bedoelend. Misschien onterecht, maar zijn vraag hield me bezig en ik zocht op internet of ik er iets over kon vinden. Dat was niet het geval. Ik vond ook niet dat er geen samenhang is. Ik vraag me dus af of dit ooit is onderzocht. Wie er iets van weet, mag reageren.

In het ziekenhuis: Wachten op je beurt

Ruim een jaar geleden begeleidde ik mijn hoogbejaarde vader op een halfjaarlijkse controle bij de oogarts. Omdat ik vond dat we, zoals wel vaker in de gezondheidszorg, niet goed behandeld werden, diende ik dezelfde avond een klacht in, waarop ik binnen een dag door de klachtenfunctionaris van het ziekenhuis uitgebreid gebeld ben. Zij vroeg me mijn schrijven en de inhoud van ons telefoongesprek te mogen gebruiken in een soort functioneringsgesprek met de afdeling, waarvoor ik toestemming gaf.

Dat ik mijn brief nu geanonimiseerd publiceer, is omdat ik vind dat we met z'n allen veel gemakkelijker zouden moeten klagen. Mijn overtuiging is dat we met onze lijdzaamheid het probleem van het functioneren van grote delen van onze gezondheidszorg zelf in stand houden en dat we aan onszelf, aan elkaar en aan het ziekenhuispersoneel verplicht zijn onze mond open te doen opdat er wat kan veranderen. Want wie van de lezers heeft er in de zorg geen ervaring met handelswijzen die geduid kunnen worden in het kader van minachting voor de patiënt?

Klachtenfunctionaris *-Ziekenhuis

Geachte mevrouw D.,

Hedenmiddag was ik als begeleider en oudste zoon van mijn vrijwel blinde 88-jarige vader (personalia) op uw polikliniek oogheelkunde, waar mijn vader om 13.40 uur een afspraak had met dokter E. Mijn klacht betreft de bejegening bij ontvangst en vervolgcontacten door één van de baliemedewerksters en de kennelijke desorganisatie bij de betrokken specialist dan wel de betrokken afdeling. (U zult begrijpen dat ik niet kan inschatten waar de geconstateerde desorganisatie precies thuishoort.)

Twee baliemedewerksters probeerden me niet te zien toen ik voor hun balie plaatsnam en groette. Beiden gingen zonder enige reactie door met andere bezigheden. Al snel kreeg ik een indruk van overbelasting. Toen ik, toch nog vrij snel, te woord gestaan werd en na afgeven van de papieren vroeg of dokter E. een beetje op schema was, werd mijn vraag afgehouden. Ik moest de assistente, die ons eerst bij zich zou roepen, maar vragen; aan de balie had men daar kennelijk geen zicht op.

Na een kwartier, vijf minuten na het moment van de afspraak, werden we inderdaad bij de assistente binnengeroepen en werden mijn vaders ogen gedruppeld, waarna we weer naar de wachtkamer verwezen werden. Opnieuw vroeg ik of dokter E. op tijd werkte vandaag en dat werd bevestigd door de assistente. Als het te lang ging duren, moesten we maar aan de bel trekken, zo voegde zij eraan toe. Voor zover ik wist, behoeven pupilverwijdende druppels een inwerktijd van minimaal tien minuten, maar ik moet toegeven in deze materie niet al te zeer thuis te zijn. Na een kwartier wendde ik me dus opnieuw tot de betrokken baliemedewerkster, die me duidelijk maakte dat de druppels sowieso een halfuur nodig zouden hebben om in te werken. Misschien had dat, achteraf gezien, ter verduidelijking meteen bij het inbrengen door de assistente even gemeld kunnen worden?

Na nog een kwartier meldde ik me opnieuw bij de baliemedewerkster. Zij deed nu duidelijk geïrriteerd, meldde dat zij nu eenmaal niet wist wanneer we aan de beurt zouden zijn en dat dokter op dit moment bovendien niet op haar kamer was en kennelijk was weggeroepen, ze wist niet waarheen, zodat het haar ook niet gevraagd kon worden. Ik heb het er op dat moment bij gelaten en nogmaals een kwartier afgewacht, waarna ik me opnieuw bij dezelfde baliemedewerkster meldde. Toen werden verschillende praktische problemen aangevoerd, onder andere dat dokter E. tussendoor ook vragen kreeg van optometrie, die de vertraging konden veroorzaken en ik kreeg daarbij het gevoel opgedrongen het beter allemaal maar op z'n beloop te laten. Ook werd me uiteindelijk gemeld dat we nog twee patiënten voor ons hadden en dus gewoon moesten wachten, ook al omdat de betrokken medewerkster vond dat ze niet kon gaan vragen ons voor te laten gaan (hetgeen nooit door mij gevraagd is). Toen heb ik verteld dat ikzelf mijn hele arbeidzame leven ook in de gezondheidszorg heb gewerkt en dat mijn visie voorlopig was dat er hier sprake was van een gedesorganiseerd systeem en dat ik vond dat dát eens onder de loep zou moeten worden genomen, waarop de medewerkster me aankeek en spontaan meldde dat ze vond dat ik gelijk had. Ze moedigde me daarop aan contact met u op te nemen en zei te hopen dat er dan misschien eens iets zou kunnen veranderen, want er zouden veel meer klachten zijn.

Na een minuut of tien werden we vervolgens door dokter E. binnengelaten. Mijn klacht betreft overigens niet de vroegere behandeling van mijn vader of de controle van dat moment. Mijn klacht betreft de vanzelfsprekendheid waarmee we een uur later dan afgesproken aan de beurt kwamen en de aanvankelijke desinteresse en onverschillige houding van de baliemedewerkster en in het verlengde daarvan de kennelijke desorganisatie. Ik meldde dus ook aan dokter E. iets van mijn gevoel van desorganisatie, maar zij kwam niet verder dan in de verdediging te schieten en te melden zelfs geen tijd te hebben om even naar de wc te gaan. Ook voerde ze aan indertijd (tweeënhalf jaar geleden) mijn vader in een acute situatie toch ook van dienst te zijn geweest, wat in mijn visie echter gewoon haar werk was. Mevrouw E. maakte op mij dan ook, nog meer dan de baliemedewerkster die uiteindelijk tot reflectie in staat bleek, de indruk voortdurend achter feiten aan te lopen en zichzelf (bijna letterlijk) op te offeren, wellicht in de hoop daarmee het organisatorische probleem nog even voor te blijven? In mijn visie echter bewijst zij daarmee uw ziekenhuis geen dienst, omdat het vanzelfsprekend is dat het probleem beter boven tafel kan komen om kans te maken tot oplossing te worden gebracht.

Ten slotte: Niemand heeft ter plekke ook maar het minste excuus gemaakt voor de vertraging die wij opliepen, zodat ik tot geen andere conclusie kon komen dan dat dit kennelijk vanzelfsprekend werd gevonden.

Samenvattend: overbelaste medewerksters en (als gevolg daarvan?) desorganisatie lijken me de componenten die in ons geval leidden tot de beschreven ervaringen. Het lijkt me in het belang van uw medewerkers, de afdeling en de patiënten dat daar eens naar gekeken wordt.

Graag zie ik uw reactie tegemoet.

Hoogachtend,
Gert Hardeman

24-11: Ik heb gekozen eerst mijn mail te verwerken

Eerder dit jaar had ik mijn tweejaarlijkse afspraak met mijn oogarts. Zoals bij hem wel vaker het geval, was ik ook ditmaal niet op de afgesproken tijd aan de beurt. Ik heb de gewoonte om na een kwartier te gaan informeren. Ik heb immers een afspraak? Het grootste deel van mijn arbeidzame leven werkte ik bij een Riagg - vandaag de dag is die naam alweer in onbruik geraakt - waar in de wachtkamers bordjes hingen met het verzoek aan cliënten om, als ze een kwartier na het tijdstip van hun afspraak nog niet waren opgehaald, zich opnieuw bij de balie te melden, zodat de desbetreffende hulpverlener aangesproken zou kunnen worden. Ik vond dat een goed systeem.

Terwijl ik aan de balie met de secretaresse sprak, passeerde mijn oogarts. Hij ving iets van onze woorden op en wendde zich tot mij met het verzoek niet de secretaresse lastig te vallen over de vertraging, maar dat bij hemzelf aan de orde te stellen. Wat mij betreft was dat akkoord. Direct daarna werd ik door een arts-assistente in opleiding uit de wachtkamer opgehaald. Zij nam uitgebreid de tijd voor me, zeker een kwartier. Vervolgens moest ik alsnog wachten op mijn oogarts. Met hem sprak ik uitgebreid over het systeem waarin ik als cliënt steeds maar weer moet wachten en dat ik vind getuigen van minachting voor de cliënt. Mijn oogarts verontschuldigde zich aanvankelijk met te zeggen dat hij had gekozen eerst zijn mail te verwerken. Hij vond dat dat zíjn keuze was. Ik vond echter dat we een afspraak hadden, één die nota bene al een halfjaar stond, en dat het checken van mail niet ter zake doende was.

Toen de oogarts mij uitliet, zei hij te hopen dat hij het de volgende keer beter zou doen. Ik hoop dat met hem.

Nee zeggen op het werk

Dit stuk is overgenomen uit mijn weblog (4-8-2006).

Mirjam van Immerzeel schrijft in de Volkskrant onder de kop 'Nee zeggen is veel moeilijker dan je denkt.' Ze laat Antos Zimmermann aan het woord, een assertiviteitstrainer bij trainings- en coachingsbedrijf Houthoff. 'Wie vaak ja zegt, wordt het afvalputje van de afdeling', zo lees ik in de openingsalinea.

Het leuke is dat in dit artikel plaats is voor de assertiviteitsproblemen van zowel ondergeschikte als baas. Want het probleem zit natuurlijk niet in een functie ingebakken, maar in de eigen persoonlijkheid.

Tot voor kort gaf ik ook assertiviteitstrainingen, vele jaren lang. De laatste jaren (in een verslappende economie) verbaasde ik me in toenemende mate over hoezeer sommige werknemers zich chronisch wensten te laten chanteren door hun leidinggevenden. Dat kon zover gaan dat ze bij een kritische noot van mijn kant daaromtrent bijna automatisch in de rol van advocaat van bijvoorbeeld hun chef schoten. Ook mensen die al lang op een vaste plek werkten, bleken zich maar al te gemakkelijk te laten leiden door de angst hun baan te verliezen.

Duidelijk is dat je werk, als je gevoelig bent voor aardig gevonden te willen worden en je onmisbaar te kunnen voelen, een plek bij uitstek is om misbruik van je te kunnen laten maken. In wezen is dat keuze, al kan ik niet ontkennen ook gezien te hebben hoe mensen met tijdelijke contracten en hoop op verlenging of bestendiging daarvan door sommige werkgevers in de tang genomen kunnen worden. In mijn visie is het assertiviteitsprobleem een persoonlijk probleem. Het niet voor jezelf opkomen, de eigen belangen te gemakkelijk opzij schuiven, het jezelf opofferen, ze hebben vaak al met de eigen opvoeding te maken. Je hebt ouders die stimulerend opvoeden en er zijn er die blokkerend opvoeden. De mensen met assertiviteitsproblemen komen in mijn ervaring uit de laatste groep, kregen veelal zo'n blokkerende opvoeding, waarin ze leerden dat wat zij zelf willen of niet willen niet belangrijk is en dat het beter is je aan de mening en wensen van de ander aan te passen. Het zijn ook de mensen die leerden dat er uit henzelf geen goeds kan voortkomen, dat het het veiligst is om maar gewoon te doen wat er van je gevraagd wordt. Subassertieve mensen zijn zo meestal mensen met een afhankelijke karakterstructuur.

In het artikel wordt Susan Newman, hoogleraar psychologie en auteur van 'The Book of No' aangehaald. Nu en dan nee zeggen geeft juist status, zo valt op te maken uit haar betoog.

In mijn ervaring worden subassertieve mensen op den duur overspannen en depressief. Ja zeggen terwijl je nee had willen roepen, vreet energie en maakt dat je jezelf een nul voelt. In het artikel vind ik een paar assertieve uitspraken voor op het werk:
- Nee, ik heb genoeg eigen werk.
- Nee, ik ga niet overwerken.
- Nee, ik heb niet 'even'.
- Nee, deze doelen zijn onrealistisch.
- Nee, dit soort klussen is niets voor mij.
- Nee, dat kun je heel goed zelf doen.

Een eenvoudige assertiviteitstraining zal lang niet altijd toereikend zijn om te kunnen veranderen. Vaak zal de achtergrond van het probleem, de opvoeding bijvoorbeeld, nader tegen het licht gehouden moeten worden. Als één ding duidelijk is, is dat wel dat ingeslepen gewoontes zich veelal niet zomaar laten veranderen.

Overgewicht

Dit stuk is overgenomen uit mijn weblog (26-8-2006).

Het is maar een klein artikeltje in de Volkskrant van vandaag, van Broer Scholtens. Dat overgewicht bij rokers het overlijdensrisico sterk verhoogt, is bekend. Maar dat is, blijkt uit epidemiologische studies in De Verenigde Staten en Korea, evengoed het geval voor niet-rokers. In Amerika werden een half miljoen burgers tien jaar lang gevolgd en er werd onder meer gekeken naar de BMI, de Body Mass Index, ook in Nederland een ingeburgerd begrip. De BMI is de uitkomst van het lichaamsgewicht in kilo's gedeeld door de lichaamslengte in meters (bijvoorbeeld 1,80) in het kwadraat. Er zijn op internet diverse hulppagina's voor de bepaling van de BMI, onder andere van de Hartstichting. Een gezonde BMI ligt tot 12 jaar tussen 15 en 21 en boven 12 jaar tussen 19 en 25. In de onderzoeken waarover nu wordt gepubliceerd in The New England Journal of Medicine blijkt dat bij mannen boven de 50 een BMI van meer dan 40 leidt tot een driemaal hoger risico te sterven aan chronische aandoeningen als hoge bloeddruk, hart- en vaatziekten, diabetes en infecties. Bij een BMI van meer dan 30 is dat nog altijd een factor anderhalf ten opzichte van het gemiddelde. In Zuid-Korea blijkt een tot vele tientallen procenten verhoogd overlijdensrisico bij een BMI van meer dan 32.

Voeding is een mondiaal probleem en doodsoorzaak nummer 1. Dan gaat het zowel om onder- als om overvoeding. Het is zorgelijk dat in onze westerse wereld steeds meer voedingssterfte voorkomt. Die sterfte staat mijns inziens los van ons onvermogen tot delen, maar hangt des te meer samen met onverzadigbare verlangens naar levensvervulling bij velen en met de moeizame zoektocht naar doel en zin.

27-11: Zorg voor een goede baas en eet meer insecten!

Twee berichten van twee verschillende voorpagina's van kranten van gisteren. Het eten van insecten, kevers, mieren en termieten is gezond. De dieren zijn voedzaam en een bron van eiwitten, vitamines en energie. Het eten van de eiwitten van de dieren verlaagt de bloeddruk zonder bijwerkingen. Dit alles blijkt uit onderzoek van de universiteit van Gent. In Nederland zijn we het nog niet gewend, in heel veel andere landen (Azië, Afrika, Zuid-Amerika) is het oppeuzelen van insecten traditie.

Bazen die slecht functioneren, vergroten het risico van hartklachten bij hun werknemers. Wetenschappers van onder meer de universiteit van Stockholm onderzochten de conditie van het hart van drieduizend werkende mannen. Het risico van een serieus hartprobleem wordt 25 procent hoger onder een slecht functionerende manager. Breng je geen verandering in je situatie aan, dus verander je niet van werkplek, dan neemt de kans op ernstige hartproblemen in vier jaar tijds met 64 procent toe.
Volgens Cathy Ross, verpleegkundige bij de Britse Hartstichting, houden werknemers die zich ondergewaardeerd voelen er gemakkelijker ongezonde eetgewoontes op na en roken ze meer.

'Teuntje', krantje over orgaan- en weefseldonatie

Vandaag ontving ik het in de bus, het (eenmalige) 'krantje' over orgaan- en weefseldonatie van, na enig zoeken, het NIGZ, het Nationaal Instituut voor Gezondheidsbevordering en Ziektepreventie. Jan Peter Balkenende laat zich erin interviewen.

Het 'kleine' moet nogal uitspringen, lijkt me. 'Teuntje' en haar 'krantje' en een op basisschoolkinderen afgestemde miniposter van het 'bouwwerk van je lijf'. Het lijkt erop dat de schooljeugd ditmaal doelgroep van de actie is.

Balkenende is zelf geregistreerd als donor en roept een ieder op zijn voorbeeld te volgen. Dat past in een betrokken, leefbare samenleving met oog voor elkaar.

Wat opvalt is dat op de achterpagina onder de kop 'Meningen, Hoe denkt uw geloof erover?', een rabbijn en vertegenwoordigers van de islam, de katholieke kerk, de protestantse kerk en het hindoeïsme een aanmoedigende kreet mogen uiten.

Donorschap: niets mee mis in mijn ogen. Alleen mis ik opnieuw de overwegingen die voor mij persoonlijk bij mijn registratie de doorslag gaven. Ik schreef daarover op mijn weblog van 31-5-2007:

Orgaandonatie en spirituele vragen

De discussie over orgaandonatie is weer opgelaaid. Er zijn te weinig donororganen en velen overleven de wachttijd tot een orgaan beschikbaar komt niet. In de discussie vind ik met name medische en emotionele overwegingen. Voor mij liggen de belangrijkste vragen op het spirituele vlak.

Vooropgesteld: In 1998 heb ik in het donorregister laten aantekenen dat mijn nabestaanden zullen beslissen over eventuele orgaandonatie. Een belangrijk gegeven in zo'n beslissing zal liggen in de bejegening door de betrokken medici. Ik weet niet hoe het gaat rondom donatie, maar over het geheel vind ik onze gezondheidszorg veel te efficiëntie-, productie-, doel- en geldgericht geworden. Ik ken voorbeelden van hoe het ook (nog altijd) geheel anders kan. Belangrijke vragen voor mij zullen zijn of mijn spirituele beelden zullen worden erkend en gerespecteerd, zodat daarmee rekening gehouden wordt.

Bij het sterven gebeurt er in mijn visie meer dan dat de circulatie stopt, de hersendood intreedt en het lichaam geleidelijk afsterft. Als mensen hebben we een ziel, noem het een geest, waarvoor het lichaam slechts een tijdelijk voertuig is. Deze ziel sterft niet, maar keert terug naar haar oorsprong. Bijvoorbeeld bij een plotselinge of anderszins nog niet tot eenheid met het zelf gebrachte dood zou het kunnen dat de ziel nog enige tijd bij of zelfs in het lichaam vertoeft alvorens zich vrij te maken. De vraag is in dat geval wat de ziel ervaart aan het opensnijden van het lichaam en het wegnemen van organen. Werkt lichamelijke pijn door op de ziel?

Mijn nabestaanden zullen deze overwegingen kennen en slechts instemmen met donatie als ze met de medici op één lijn kunnen komen wat betreft het respecteren hiervan. Praktisch gezien zal dit betekenen dat het wegnemen van organen (vrijwel) direct aansluitend op mijn overlijden plaatsvindt, waarbij dit wat mij betreft niet langer mag duren dan strikt noodzakelijk. En als dit al ooit allemaal zo zou lopen, hoop ik dat mijn ziel de vreugde zal ervaren die bij geven hoort.

28-11: Bijnadoodervaringen in Meedhuizen

Aanstaande zondag leidt oud-dominee Pim van de Kerk (66) uit Appingedam in de kerk van Meedhuizen (Delfzijl) een bezinningsuur over bijnadoodervaringen. Ik lees het vandaag in het Dagblad van het Noorden (interview door Koos Bijlsma). Als predikant kent hij de verhalen van mensen die zo'n ervaring hadden en is hij onder de indruk van de authenticiteit ervan. Hij vindt dat mensen met zo'n ervaring serieus genomen moeten worden, ook door de kerk. 'Als mensen hun verhaal niet kwijt kunnen, raken ze in zichzelf gekeerd.' Van de Kerk verwijst ook naar Pim van Lommel, die als cardioloog onderzoek deed naar bijnadoodervaringen. Bij voldoende animo aanstaande zondag wil Van de Kerk een zelfhulpgroep vormen.

Hoe denkt Van de Kerk zelf over leven na de dood? 'Ik geloof dat er hierna iets is. Maar ik heb geen idee van wat dit is.'

Je moet eigenlijk standaard zijn

Eerder deze week lag er hier wat sneeuw en de zon scheen. Ik maakte een fietstochtje. Bij het oude tolhuisje sprak ik de bewoonster, die met behulp van twee krukken bezig was vetbolletjes op te hangen voor de vogels. Over een specht had ze het, maar ook over eksters.

24 november 2008 (8a2405)

Ze had een nieuwe heup gekregen, begreep ik. Het was daar heerlijk in de zon, dus ons gesprek kabbelde zomaar een halfuurtje voort. Ik vroeg naar haar ervaringen in het ziekenhuis. De behandeling was wel in orde, begreep ik. Maar ze had zich bij herhaling verbaasd over alle miscommunicatie daar. Drie weken voor de ingreep moest ze bepaalde pillen slikken, begreep ik. Maar ze werd pas een week voor de ingreep opgeroepen. De informatie op de verplichte voorlichtingsbijeenkomst was op vitale punten strijdig met de informatie van haar specialist. Ze was verplicht na de operatie een periode pijnstillers te slikken, alhoewel ze merkte dat ze die niet nodig had. Daar was ze mee gestopt. Ze mocht voorlopig niet op de hometrainer, die ze voor haar knieën nodig had, maar merkte dat ze dit al snel toch wel kon. 'Alles gaat over zoveel schijven', verzuchtte ze. 'Je moet er eigenlijk standaard zijn, want anders kloppen de protocollen en de trajecten niet meer. Je moet zelf je hoofd er goed bijhouden, want anders gaat er heel veel mis!'

Ze vertelde over de regiotaxi. 'Het is hier moeilijk te vinden en bovendien zijn er twee straatnamen die precies op elkaar lijken, één in het centrum en één hier buitenaf. En hier staat maar één huis. Die taxi's willen met geweld naar het centrum en de centralisten hebben geen tijd om naar me te luisteren. Dát levert me zoveel vertraging op! Als ze maar even tijd hadden. Maar nee, als je nog wat wilt zeggen als je je adres genoemd hebt, blaffen ze je af! Daar ga ik nog een klacht over indienen. En dus gaat het fout, keer op keer.'

29-11: Intensive Care

Nova deed er onderzoek naar: Veel te veel patiënten liggen veel te lang op een kleine intensive care-afdeling. Hoogleraar intensive care Jan Bakker (Erasmus MC) en hoogleraar Armand Girbes (VUMC) willen actie van de politiek. Ze vinden dat kleine IC's goed zijn om de patiënt te stabiliseren en dat deze vervolgens zo nodig overgebracht moet worden naar een grotere afdeling met meer gespecialiseerd personeel. De Nederlandse Vereniging van Intensivisten (NVIC) is dezelfde mening toegedaan. Volgens haar zullen grote IC's meer plaatsen moeten krijgen en zullen kleinere IC's nooit vrijwillig plaatsen afstaan. Een centralisatie van de IC-zorg zal grote gevolgen in gezondheidsland hebben. Zo zullen bepaalde operaties niet meer in kleinere ziekenhuizen mogen worden gedaan.

In een reactie heeft de Inspectie Nova laten weten zich zorgen te maken over veel van de 52 kleine IC's. Buiten kantooruren kan er te weinig zorg geleverd worden en veel patiënten zijn te 'zwaar' voor de afdelingen. Nova geeft van veel van deze IC's op haar site aan hoeveel patiënten er langer dan zes dagen aan de beademing hebben gelegen, terwijl de afdelingen volgens de IC-richtlijn niet geschikt zijn patiënten langer dan drie dagen te beademen. De Inspectie heeft de ziekenhuizen van haar bevindingen in eigen onderzoek van eerder dit jaar op de hoogte gebracht en aangegeven wat er verbeterd moet worden. In maart zullen al deze ziekenhuizen opnieuw getoetst worden.

Een ieder zal duidelijk zijn hoezeer deze afdelingen zich bezig houden op de grens van leven en dood.

Vermijdbare sterfte

Het ene ziekenhuis maakt meer fouten die de dood tot gevolg hebben dan het andere. Per ziekenhuis worden de cijfers betreffende vermijdbare sterfte verzameld. De ziekenhuizen willen onderling kunnen vergelijken en zo de zorg verbeteren. De meeste weigeren de sterftecijfers naar buiten te brengen. Ze vinden dat de cijfers nog niet voldoende betrouwbaar zijn. De Inspectie kent de cijfers wel, maar werkt mee aan de geheimhouding door ze niet zwart op wit te laten aanleveren, maar ze slechts ter plekke in te zien. Zo kan er geen beroep gedaan worden op de Wet openbaarheid van bestuur. Hierdoor weten patiënten dus niet of in een ziekenhuis veel of weinig dodelijke fouten worden gemaakt.

30-11: Plakkershut in Echten

In de krant vond ik dit weekend een foto van een zwervershutje in het bos bij Echten. De foto is van Henk Benting (Dagblad van het Noorden). Ed van Tellingen schreef er een artikeltje bij.

DvhN 29 november 2008

De 38-jarige zwerver, die een paar maanden lang in het hutje bivakkeerde, bleek uiteindelijk een Spanjaard te zijn, die daar spoorloos verdwenen was. De ouders van de verstandelijk gehandicapte en schizofrene man hebben hem inmiddels opgehaald.

Bewoners uit de omgeving hadden hem wel eens eten gebracht. Omdat de man geen contact wilde, legden ze het bij een boom, waar de zwerver het dan weghaalde. Het lukte een wijkagent wat vertrouwen te winnen bij de man. Met behulp van een tolk werd vervolgens zijn achtergrond duidelijker.

1-12: Wereldaidsdag

Vandaag is het Wereld Aids Dag. Aids is wereldwijd een verschrikkelijk probleem. Ik denk aan de talloze aidswezen in Afrika. In Nederland hebben we goede medicijnen om het ziekteproces te remmen en zelfs te stabiliseren. Eén of een paar pillen per dag is voldoende. De medicatie geeft op termijn wel verhoogde kans op kanker en hart- en vaatziekten. Te veel patiënten denken er echter te makkelijk over en zijn therapieontrouw. Het aantal hiv-geïnfecteerden neemt ook nog toe. De 'viral load' hangt samen met de hoeveelheid virus in het bloed en dus met de aanmaak en de activiteit ervan. Vrijwel iedere nieuwe geïnfecteerde van nu kan met pillen goed verder leven, door de lage viral load doorgaans zonder groot risico van besmetting van derden.

Sinds 1983 zijn er in Nederland 4344 mensen aan aids overleden, de meeste in de eerste jaren vanaf 1983. Naar verhouding stierven veel allochtonen, vooral Antillianen. Vorig jaar overleden 66 mensen aan aids, 52 mannen en 14 vrouwen. Bij de meeste besmettingen betreft het tegenwoordig homoseksuele mannen die het virus oplopen in contact met een andere man.

Wereldaidsdag, maar wel in een wereld waar de ene patiënt nog alle kansen houdt terwijl de andere vrijwel alle verliest.

GHB

GHB, ook wel GammaHydroxyButyrate, 4-hydroxybutaanzuur, Y-hydroxyboterzuur, liquid E, liquid X, everclear of g-riffic komt van nature ook in ons lichaam voor. In 1961 werd het gesynthetiseerd. Later is het een periode gebruikt als slaap- en narcosemiddel. In Amerika is het vanwege z'n anabole werking jarenlang misbruikt door bodybuilders. Sinds de jaren 90 is het bekend als partydrug en eveneens gebruikt als date rape drug. Het middel wordt in Nederland soms nog gebruikt bij ernstige slaapstoornissen en bij een bepaalde stoornis die de skeletspieren bij bewustzijn acuut doet verslappen. Het probleem bij het middel is de dosering: de grens tussen een aangename uitwerking en het in coma kunnen wegglijden is erg klein.

En 23-jarige inwoonster van Groningen is het voorbije weekend vanuit een café in kritieke toestand in het ziekenhuis terechtgekomen na met GHB in een glas bronwater gedrogeerd te zijn. Ze had het drankje van een haar onbekende man aangenomen en kwam al na de eerste slok in ademnood. Ambulancepersoneel reanimeerde haar. Kennelijk maakt het middel een nieuwe opmars onder jongeren in het uitgaanscircuit. Naderhand is de man die het drankje aanbood aangehouden in een café in de buurt. Hij verklaarde dat het slachtoffer zou hebben geweten dat de drug in het drankje was gemengd. Hij had nog een fles bronwater met het mengsel bij zich.

Zie ook hier.

2-12: Allergie, astma en eczeem

Twintig procent van de kinderen heeft last van een chronische kwaal, vooral astma en eczeem. Dat meldde het CBS gisteren. Veel kinderen krijgen eerst eczeem en vervolgens astma. Beide aandoeningen hangen samen met de aanleg om allergie te ontwikkelen en dus met het afweersysteem. Hoe zo'n aanleg voor allergie resulteert in een kwaal is niet duidelijk. Oorzaken worden wel gezocht in de westerse leefstijl, waarin huizen niet goed geventileerd worden, kinderen te vaak in bad of onder de douche gaan en de cv de huid te veel uitdroogt. Veel kinderen overgroeien de problemen na een aantal jaren.

Juist vandaag ook in het nieuws: De keizersnede verhoogt het risico op astma. Baby's die met een keizersnede geboren worden, ontlopen de bacteriën van de moeder in het geboortekanaal die de functie hadden moeten hebben het immuunsysteem te versterken.

En dan een vraag: Hangen allergieën behalve met lichamelijke gevoeligheid ook samen met mentale gevoeligheid en psychisch evenwicht? Is daar ooit onderzoek naar gedaan? En hoe hangen lichamelijke overgevoeligheid en mentale gevoeligheid samen? Welke rol spelen bijvoorbeeld neurotransmitters en serotonine? Het zou interessant zijn daar meer over te weten te komen.

3-12: Schizofrenie en softdrugs

Hier overgenomen uit mijn weblog van eerder dit jaar

Dezer dagen was ik in een gezelschap waar het in het gesprek plotseling over schizofrenie ging. Dat is een chronische psychotische stoornis met veelal een soort knik in de levenslijn, denkstoornissen, wanen en/of hallucinaties, verlies van gevoelscontact, vervlakking en dikwijls afnemende zelfverzorging. De ziekte wordt gekenmerkt door zogenaamde Schubs, periodes waarin de klachten plotseling met hernieuwde heftigheid de kop opsteken. Deze Schubs komen tegenwoordig bij patiënten (veel) minder frequent voor dan vroeger, omdat de huidige medicatie het oplaaien van de ziekte dikwijls behoorlijk weet in te perken. Dat is maar goed ook, want bij veel patiënten leidt zo'n nieuwe ziekte-episode tot een stukje blijvende terugval van het functioneren.

Over de aan schizofrenie verwante kwalen, die vaak minder verstrekkende gevolgen hebben, wil ik hier niet uitweiden.

Mijn werkzame leven heb ik als Riagg-hulpverlener in de psychiatrie doorgebracht. Ik heb heel wat cliënten met schizofrenie vaak langdurig en herhaald begeleid. Al heel snel is mij daarbij het risico van softdrugs opgevallen, van hasj met name. Ik was altijd verbaasd dat voor die risico's, die ik keer op keer bewaarheid zag worden, in bijvoorbeeld de media geen aandacht was. Pas de laatste reeks jaren is daarin enige verandering gekomen. Wat ik zag was hoe met name tieners, jongens en meisjes, na softdrugsgebruik terecht kwamen in zo'n eerste schizofrene Schub. Als je dat een aantal keren op rij gezien hebt, ga je vanzelf een link leggen. Mijn interpretatie is dan ook dat schizofrenie, als het al niet kan ontstaan door gebruik van softdrugs, in elk geval door dat gebruik kan worden uitgelokt. Ik bedoel daarmee dat er een erfelijke factor aanwezig kan zijn die extra gevoelig maakt voor het tot ontwikkeling komen van deze ziekte, zonder de noodzaak dat de ziekte ooit tot een uitbraak komt. Het leek en lijkt mij dat softdrugs, zelfs al het allereerste gebruik, die gevoeligheid in de genen kan aangrijpen om zo'n sluimerende kwaal acuut tot leven te wekken.

In het gesprek in ons gezelschap bracht iemand mijn ervaringen hiermee ter sprake. En opnieuw bleek dat men oprecht verbaasd reageerde op deze onvermoede risico's van softdrugs. 'Dan zou daar toch veel meer bekendheid aan gegeven moeten worden?', zei een van de aanwezigen. Op dat moment heb ik mijn agenda gepakt om aan te tekenen dat ik dit stukje wilde schrijven.

Donorpolis

Volop in het nieuws deze week: de donorpolis, een zorgpolis met korting van zo'n 150 euro per jaar. Wie zich registreert als donor of juist als niet-donor heeft er bij sommige verzekeraars (Ohra Menzis, Fortis ASR, Avero Achmea) recht op. Wie al geregistreerd is ook. Een nieuw item is hiermee toegevoegd aan de toch al aanwezige keuzestress rondom de zorgverzekering.

Ik vraag me, los van het gegeven dat ik vind dat beslissingen over orgaandonatie niet op basis van financieel gewin zouden moeten worden genomen, af of de kortingen ook gelden voor wie zich al in 1998 in het donorregister registreerden. Toen waren er vier keuzes:
1. Ik stel mijn organen en weefsels beschikbaar ...
2. Ik stel mijn organen en weefsels niet beschikbaar ...
3. Ik laat de beslissing over aan mijn nabestaanden.
4. Ik laat de beslissing over aan een specifiek persoon.
Hoe staat het nu met wie toentertijd keuze 3 of 4 aanvinkten? Daar vind ik in verband met de registratiekorting niets over terug.

Ik ben niet de enige met bezwaren tegen de registratiekorting. En al rap werd om bureaucratische redenen het woord 'korting' vervangen door 'collectiviteit'. Het lijkt allemaal in eerste instantie op een stunt, een lokkertje, dat overigens wel de nodige registraties oplevert. Ik ben er echter niet aan toe een donorregistratie gekoppeld te kunnen zien aan lokkertjes.

Zie ook hier.

Kwaliteit en duur slaap gerelateerd aan angst, depressie en andere

Dat een teveel aan slaap depressie kan bevorderen, was allang bekend. Morgen promoveert psychologe Julia van den Berg aan de Erasmus Universiteit op haar onderzoek onder duizend mensen tussen 57 en 97 jaar in de Rotterdamse wijk Ommoord.

Zowel een teveel aan slaap als slapeloosheid kunnen samengaan met depressiviteit. Nieuw in het onderzoek is dat ook angststoornissen naast de al vermoede samenhang met te kort slapen, verband lijken te kunnen houden met te veel slapen. Mensen die zes tot acht uur slapen, leven gemiddeld langer dan mensen die veel minder of veel meer slapen. Zowel kort als lang slapen bleek gerelateerd aan een verhoogde kans op overgewicht. Mensen die het kortst sliepen, hadden het laagste cholesterolgehalte, mensen die langer dan acht uur sliepen het hoogste.

4-12: Staakt het vuren!

De Stichting Staakt het Vuren in Groningen heeft de aanval geopend op consumentenvuurwerk. Het geknal schaadt gezondheid en milieu. Het richt voor een miljard euro (Dagblad van het Noorden, 4 december) schade aan, waarvoor de belastingbetaler opdraait. Het leidt tot één of een paar doden en 1100 geregistreerde gewonden en het vervuilt de lucht tot twintigmaal de toegestane waarde.

Het Nederlands Oogheelkundig Gezelschap (NOG), een vereniging van circa 500 oogartsen in Nederland, onderschrijft de actie.

Ook ik ben er blij mee. Ik behoor tot de vijftig procent Nederlanders die voor het verbieden van consumentenvuurwerk is. Nu al (begin december) constateer ik een zekere angst om naar buiten te gaan, omdat in mijn wijk al af en toe zwaar knalvuurwerk wordt afgeschoten. Ik denk dat mijn bloeddruk erdoor stijgt. In elk geval raak ik er gespannen van. De laatste dagen van het jaar durf ik in de regel niet meer zonder paraffinedopjes in de oren naar buiten en fiets ik geregeld een straatje om om vuurwerkafschieters te ontlopen. Rond de jaarwisseling, in de paar(?) uren dus waarin het vuurwerk afschieten is toegestaan, vertoon ik me liefst niet buiten en houd ik deuren en ramen potdicht in verband met optredende allergische reacties. Op nieuwjaarsmorgen ruim ik in de omgeving van mijn huis de rotzooi die door anderen is achtergelaten op, al moet ik eerlijk zeggen dat de laatste jaren het meeste kennelijk door de vuurwerkgenieters zelf is opgeruimd. Op pad gaande naar de traditionele nieuwjaarsbijeenkomst van mijn familie, weet ik binnen de woonwijken rekening te moeten houden met (soms veel) glasscherven op de straat, resultante van potten en flessen van waaruit vuurwerk werd afgestoken.

Geen vuurwerk meer: voor mij zou het een verademing zijn! Maar ik weet ook wel: We leven in Nederland, het land waarin het bijna een halfjaar van kracht zijnde rookverbod in de horeca tot nu toe ook nog niet echt kon worden geëffectueerd.

Geklungel van de eerste orde

Sinds een paar dagen is er een verbod op handel in paddo's (hallucinogene paddenstoelen) van kracht. Het lijkt dat vooralsnog niemand de controle kan uitoefenen.

Het begon al met de lijst van paddenstoelen die verboden werden. Daarop zouden volgens kenners paddenstoelen staan zonder de hallucinogene stof psilocybine, terwijl soorten met de stof zouden ontbreken. Duidelijk werd ook dat de gewone politieman of burgemeester niet de kennis heeft om de ene soort van de andere te kunnen onderscheiden.

De ministers van Volksgezondheid, Justitie en Binnenlandse Zaken zullen moeten overleggen. Het ministerie van Volksgezondheid vindt dat politie en openbaar ministerie het verbod moeten handhaven, maar Ter Horst (Binnenlandse Zaken) is het hier niet mee eens. Burgemeester Cohen van Amsterdam was eerlijk: hij gaf te kennen in verband met de onduidelijkheid over hoe dat dan zou moeten, het verbod niet actief te zullen handhaven. Het PvdA-kamerlid Bouwmeester noemde het hele gedoe terecht 'geklungel van de eerste orde'. Volgens haar moet minister Klink (Volksgezondheid) zorgen voor voldoende controleurs met de nodige kennis.

Al met al zien we opnieuw een staaltje van ondoordachte instantpolitiek. Bovendien zijn we in Nederland toch al bijzonder slecht in het handhaven van regels. Daarnaast vraag ik me nog altijd af of verbieden een betere weg is dan voorlichten, voorlichten ook omtrent de risico's. Alles wat verboden wordt, gaat ondergronds. Daar varen slechts zwarthandelaren wel bij.

Ongeneeslijk ziek zijn en krachten ...

Vandaag in de krant: het verhaal van Jacquelien Veldhuis (DvhN, door Marieke Kwak). Twee jaar geleden openbaarde zich bij haar, ze was toen 35, plotseling een inoperabele kwaadaardige hersentumor. Uit het slechtnieuwsgesprek met de specialist onthield ze vooral het advies 'carpe diem', pluk de dag. Vanaf dan werden deze woorden haar levensmotto.

Zo viel ze uit het arbeidsproces. Ze kreeg een heel ander leven, waarin niets meer moest en alles mag. Ze gaat fotograferen, steden bezoeken, met het openbaar vervoer, omdat ze niet meer mag autorijden. Ze kan blij worden van het zonlicht in haar tuin. Jacquelien publiceert haar verhaal op haar site jacquelien.net. Maandelijks houd ze die bij. 'Ongeneeslijk ziek zijn haalt ook krachten uit jezelf naar de oppervlakte die je voorheen onbekend waren', zo lees ik daar in een hoekje.

5-12: Tarief apothekers

Zorgverzekeraars vinden het tarief van € 7,27 tot € 7.92 per recept, dat apothekers in 2009 krijgen, te hoog. De apothekers zelf vinden het te laag. De tarifering is een jaarlijks terugkerend twistpunt, maar mogelijk niet lang meer. In 2010 of 2011 zal de markt wellicht, volgens advies van de Nederlandse Zorgautoriteit, worden vrijgegeven.

De voorbije tijd hebben zorgverzekeraars daarnaast een steeds sterker preferentiebeleid gevoerd, waardoor menigeen eenmaal of vaker van medicament heeft moeten wisselen als het 'nieuwe' middel goedkoper was of werd.

Volgens de NZa kan vrije prijsvorming meerwaarde hebben wat betreft kwaliteit, betaalbaarheid en bereikbaarheid van de farmaceutische zorg. Mijns inziens zal dat echter alleen het geval zijn als er ook nog iets aan die zorg verdiend kan worden. Ik zie dan ook nieuwe kansen voor bijvoorbeeld internetapotheken.

6-12: Afkicken van slaappillen

Eind oktober vroeg Zorgverzekeraars Nederland (ZN) minister Klink het besluit de vergoeding voor slaap- en kalmeringsmiddelen af te schaffen een jaar op te schorten. Dezer dagen blijkt, naar de berichtgeving te oordelen, dat de minister niet op het verzoek is ingegaan.

In Nederland gebruiken meer dan een miljoen mensen deze benzodiazepines, de meeste chronisch. Volgens de richtlijnen mogen dit soort de hersenactiviteit remmende middelen slechts voor maximaal zes weken worden verstrekt. De verslavende werking ervan is berucht.

De middelen werden vergoed vanuit de basisverzekering. Daar zal nu dan dus een einde aan komen. Of aanvullende verzekeringen de vergoeding zullen overnemen, is vooralsnog de vraag. De middelen zijn niet echt duur. Voor een tientje (België € 3,-) kun je doorgaans een maand vooruit.

Uit mijn eigen hulpverlenerservaring weet ik hoezeer mensen aan deze middelen verslaafd kunnen zijn. Verslaving breekt de wilskracht af. Het is dan ook niet vreemd dat gebruikers de vreemdste toeren uithalen om aan (meer) tabletten te komen. Terecht vrezen apothekers en zorgverzekeraars problemen, omdat de druk van de arts, die immers het recept verstrekt, verlegd wordt naar hen. Want velen zullen zich de rekening niet gemakkelijk laten aanleunen.

7-12: Enquête 'de Telegraaf'

De Telegraaf (Emile Bode en René Steenhorst) publiceerde in de krant van zaterdag over een eigen enquête over de zorg onder 1044 Nederlanders. De zorg wordt door 38 procent uitstekend genoemd, 51 procent geeft een voldoende en 11 procent is ontevreden. Nederlanders zijn het meest te spreken over de toewijding van lagerbetaalden als verpleegkundigen, mantelzorgers en vrijwilligers en het minst tevreden over de hoogbetaalde bestuurders. Die bestuurderssalarissen roepen de meeste ergernis op, gevolgd door bezuinigingen op noodzakelijke hulp en bureaucratie. Maar liefst 80 procent van de ondervraagden vindt dat zorgverleners een roeping moeten hebben.

Een zes jaar oude droom

Toen ik deze droom droomde, werkte ik nog voor drie dagdelen per week als hulpverlener bij een Riagg. De druk was er dus af, 'dankzij' een herseninfarct dat ik in 1998 kreeg. Mijn collega Ruut was degene die mij, nog voor mijn herseninfarct, duidelijk maakte hoezeer ik op de verkeerde weg was. Zie hier.

Ach, verder spreekt de droom voor zich:

Het is 6 juni 2002. Bij het ontwaken rond kwart over zes droom ik dat ik meevaar op een binnenvaartschip. Ik heb dat ooit een keer een paar dagen gedaan aan boord bij vrienden. Maar het is niet het schip van toen.

We varen over een rivier. We zijn de Riagg. Ik ben erbij, ik ben aan boord. Anderen (her)ken ik niet, maar ik weet dat het het schip van de Riagg is.

Het water wordt steeds minder diep, maar we varen gewoon door. Uiteindelijk is er geen water meer en is de bedding zand. We varen gewoon door. Hooguit maken de machines extra lawaai en is er een hard schurend geluid. Het deert ons allemaal niet: we moeten door! Wel is het zo, over het zand, moeilijker om koers te houden; we beginnen wat te zwalken.

Dan komt er een onderdoorgang, een soort van tunnel waar de rivier onderdoor gaat. Er is ook daar geen water. Als we de tunnel binnengaan, wordt het donkerder. En dan loopt het schip vast. Op hetzelfde moment gaat er kunstlicht in de tunnel aan. Ik sta aan boord. In de rivierbedding staat Ruut. En op het schip wordt omgeroepen dat we op hem moeten letten, want dat hij ons zal zeggen 'hoe het zit'. Meer uitleg is er niet.

Dan ben ik wakker.

8-12: 'Maar een droom ...'

Tweeënhalf jaar geleden ben ik in de VUT gegaan. Een jaar daarna begon het: nachtmerries over mijn vroegere werk, over toen ik nog volop werkte, om precies te zijn. Dat was toen negen jaar geleden. Alhoewel, de laatste jaren tot 1998 werkte ik ook al niet meer fulltime. Het werk was me te zwaar geworden. Vijf dagen per week werken en dan daarbij de meestal onontkoombare extra nachtdiensten en weekenddiensten was niet gezond voor mij, zo had ik geconcludeerd. Ik was dus parttimer geworden en werkte op de woensdagen niet meer. Niet dat dat het probleem echt oploste: Ik merkte dat ik juist die woensdagen, als ik bijvoorbeeld een fietstocht maakte, een migraineaanval kreeg. Ik zie me nog zitten, op een bankje in Gods vrije natuur, wachtend tot mijn zicht weer voldoende zou zijn om verder te kunnen. Ik voel nog de zwaarte in mijn hoofd die moest volgen en die een paar dagen nodig zou hebben om me weer los te laten.

In 1998 was er in onze instelling voor geestelijke gezondheidszorg sprake van een verplichte (door de overheid opgelegde) productieverhoging van 15 procent. Ik was al tegen die term: 'productie'. Nog meer was ik ertegen dat in dezelfde tijd nu vijftien procent meer gesprekken moesten worden gevoerd. In het voorjaar van dat jaar liep ik bij mijn directeur binnen en legde uit dat dit niet goed was voor mij en niet goed voor mijn cliënten. Wat ik terugkreeg, was dat ik bij mijn teamhoofd moest zijn en dat de andere teamleden, als ik wat minder zou kunnen oppakken, dan maar wat meer zouden moeten doen. Kijk, dat was mijn eer te na. Ik, die bekend stond als een 'zwaargewicht-hulpverlener', iemand met ervaring, die je overal op af kon sturen, ik kon niet zover komen om druk op teamgenoten af te schuiven. Het gesprek met mijn teamhoofd kwam er dus niet. Een paar maanden later kreeg ik, op mijn werk, een herseninfarct. Het was op dat moment of er me iets ingespoten werd dat ik in een seconde tijds door mijn hele lichaam voelde trekken. Toen merkte ik dat ik mijn pen niet meer kon oppakken. Ik voelde hem gewoon niet meer. Even dacht ik aan een 'cerebraal gebeuren', ik stond op om te voelen of ik mijn rechter been kon voelen en dat voelde ik. Vervolgens haalde ik, het was middagpauze, mijn volgende cliënt uit de wachtkamer en ik probeerde mezelf te vergeten. Met m'n linkerhand maakte ik, zo goed als mogelijk, een paar aantekeningen van het gesprek. Die middag maakte ik zo al mijn gesprekken af. De vrijdag daarna werkte ik ook gewoon. Maar in het daarop volgende weekend ontbrak me alle energie en ik kon helemaal nergens toe komen. Maandagmorgen bij de huisarts suggereerde ik dat er een zenuw in m'n schouder in de verdrukking moest zijn gekomen. Hij keek me aan, was even stil en zei toen: 'Geloof je dat zelf?' En daarmee was mijn vierdaagse werkweek, met de erbij horende extra crisisdiensten in nacht en weekend, verleden tijd. De neuroloog adviseerde mij er 'helemaal mee op te houden'. Ik was niet zover, maar ik beloofde erover na te zullen denken. Toen ik na twee weken bij hem terug was, had ik het werk voor twee dagdelen per week hervat en snel daarna vond ik mijn nieuwe taks: ik werkte een halve dag op maandag, woensdag en vrijdag, zo van 11 tot 15.30 uur. Dat heb ik tot mijn zestigste volgehouden. Geen crisisdiensten meer: die waren me nadrukkelijk verboden. In mijn arbeidsongeschiktheidsbrief van een jaar later lees ik hoe ik voor 65 tot 80 procent arbeidsongeschikt word geacht, maar hoe ik om praktische redenen (mijn gedeeltelijke werkhervatting) word ingedeeld in arbeidsongeschiktheidsklasse 55 tot 65 procent.

Voorjaar 2006 ging ik in de VUT (OBU heet dat in de zorg). Een jaar later kreeg ik mijn eerste nachtmerrie, waarin ik 's morgens op mijn werk binnenkom waar er vanaf dat moment van alles tegelijk op mij afkomt dat aandacht vereist, terwijl ik binnenkom met een al volle agenda. Kortom, er moet een volle agenda in de toch al volle agenda bij geperst worden. En vervolgens, net als in het verkeer dat meestal tegenzit als je haast hebt, kan ik niemand die ik nodig heb aan de lijn krijgen of is de telefoon zelf zelfs buiten werking. Gespannen in mijn hele lichaam word ik wakker, happend naar adem. 'Gelukkig, het was maar een droom.' Maar wel één die genadeloos aanwijst waar het in mijn leven is fout gegaan.

Ziekenhuizen minder schoon

Ziekenhuisdirecties bezuinigen op schoonmaakkosten. Er wordt meer schoongemaakt met de Franse slag. Als het maar schoon lijkt, is het goed. Bacteriën op bijvoorbeeld deurkrukken zijn 'uit'. Jaap van den Heuvel, voorzitter van de Raad van Bestuur van de Reinier de Graaf Groep (ziekenhuizen in Delft en Den Haag) vindt dat het kwaliteitsverlies is te wijten aan het financieringsstelsel dat ziekenhuizen bijvoorbeeld dwingt te kiezen tussen medicijnen en verpleging óf schoonmaak.

Nog pas onlangs werden operatiekamers van de IJsselmeerziekenhuizen in Emmeloord en Lelystad gesloten om hygiënische redenen, momenteel is dat het geval in Sittard (Maaslandziekenhuis). Het is inmiddels duidelijk dat goedkoop hier heel duurkoop uitpakt.

Intensief bewegen

Slechts één op de zes Nederlanders beweegt nog voldoende intensief. In 2000 was dat nog één op de vijf. Dit blijkt uit rapportage van TNO, vandaag aangeboden aan het Ministerie van Volksgezondheid.

Onder voldoende intensief bewegen verstaat TNO het drie keer per week gedurende 20 minuten verrichten van zware fysieke inspanning als hardlopen of intensief tuinieren.

Zich voldoende intensief bewegende werknemers blijken zich verder minder vaak ziek te melden dan zij die zich onvoldoende intensief bewegen.

Overigens: Bijna twee op de drie Nederlanders voldeed in 2007 wel aan de zogenaamde combinorm, het uitgangspunt van het overheidsbeleid om volwassenen vijf tot zeven dagen per week 30 minuten matig intensief te laten bewegen óf ten minste drie dagen 20 minuten intensief. Bij de jeugd van 4 tot 17 jaar haalt minder dan de helft de combinorm, die voor hen 60 minuten bewegen per dag inhoudt, waarvan tweemaal per week intensief. Van de 12 tot 17-jarigen haalt slechts eenderde deze norm, van de 4 tot 11-jarigen de helft.

Opnames door verkeerd medicijngebruik

Per jaar zouden zo'n 19.000 mensen in het ziekenhuis worden opgenomen door verkeerd medicijngebruik. Het betreft vooral oudere patiënten die veelal verschillende middelen tegelijk gebruiken. De apothekersorganisatie KNMP, kennelijk bezig te vechten voor het behoud van de wijkapotheken, meent dit aantal in vijf jaar tijds te kunnen halveren door medicijngesprekken met de patiënten te voeren en zo nodig met voorschrijvende artsen te overleggen. Vanaf 1 februari 2009 kunnen deze gesprekken gevoerd worden.

Ook de Minister van Volksgezondheid laat momenteel onderzoeken hoe de medicatieveiligheid kan worden verbeterd.

9-12: Door 70 miljoen euro vuurwerk 900 miljoen schade en tientallen blinden erbij

De Volkskrant heeft vandaag het bericht dat volgens 'Staakt het vuren' en comitélid en macro-econoom Benn Bergmann (in de presentatie gisteren in perscentrum Nieuwspoort) in 2007 het voor 70 miljoen gekochte vuurwerk voor ruim 900 miljoen aan maatschappelijke kosten heeft opgeleverd. 'Staakt het vuren' verbaast zich dan ook dat in de Tweede Kamer al jarenlang niet meer is gedebatteerd over vuurwerk.

De voorzitter van het Nederlands Oogheelkundig Genootschap, de vereniging van 500 oogartsen in Nederland, vermeldt dat op 1 januari 2008 op Teletekst te lezen was dat het (weer) een rustige jaarwisseling was, maar kreeg wel in zijn Oogziekenhuis Rotterdam een kleine vijftig gevallen van oogletsel binnen, waarvan achttien blijvend letsel en tien blindheid tot gevolg hebbend, terwijl vier ogen operatief verwijderd moesten worden.

In bijvoorbeeld Zwitserland en Australië is het afsteken van vuurwerk voorbehouden aan de overheid. In Nederland heeft de politiek kennelijk geen interesse. Alle politieke partijen waren gisteren in het perscentrum uitgenodigd en schitterden door afwezigheid, terwijl, volgens 'Staakt het Vuren' de helft van de Nederlanders van het vuurwerk af wil. Rita Verdonk krijgt een aparte vermelding. Zij schreef: 'Succes gewenst (...) Wij hebben geen tijd.'

Rookverbod en faillissementen

Marcel van Lieshout publiceert vandaag in de Volkskrant over het rookverbod in de horeca. Tussen 1 juli en 1 december zijn er dit jaar 175 gelegenheden failliet gegaan, waaronder dertig kleine cafés. Dat blijkt minder te zijn dan de laatste twee jaren in dezelfde periode het geval was. Volgens de branchevereniging zegt het aantal faillissementen echter weinig, omdat het maanden kan duren voor een bedrijf over de kop gaat.

Hielprik

In de eerste week na de geboorte wordt bij baby's de hielprik (Guthrie-test, neonatale screening pasgeborenen) gedaan. Daarmee worden zeldzame ernstige aandoeningen opgespoord die door de vroege opsporing veel beter te behandelen zijn. Bijna 100 procent (99,75) van de ouders doet mee. Per jaar krijgen 180.000 baby's de prik. De uitslagenkaart zou vijf jaar bewaard worden, na het eerste jaar bij de RIVM. Kwade tongen beweren dat aan de hand van de test ook een dna-databank wordt opgezet.

Het aantal gezochte aandoeningen is per 1 januari 2007 verhoogd van 3 naar 17. Daardoor konden in 2007 bijna 200 baby's met een ernstige aandoening vroegtijdig geholpen worden, 120 meer dan toen er nog naar drie aandoeningen werd gezocht. Van deze 120 zou ongeveer de helft sikkelcelziekte of een verwante vorm van bloedarmoede zijn gaan ontwikkelen. Bij de anderen was sprake van een stofwisselingsziekte.

P.S. 8-4-2015: De Gezondheidsraad adviseerde dezer dagen de Minister van Volksgezondheid de hielprik voor nog 14 onderzoeken meer in te zetten, waarmee het totaal aantal onderzochte aandoeningen op 31 zou komen. Het gaat bij de nieuwe onderzoeken vooral om behandelbare stofwisselingsziekten. De Raad vindt dat niet gescreend moet worden op onbehandelbare kwalen.

Schreeuw om Leven

'Schreeuw om Leven' voert actie. In Nederland zal huis aan huis een plastic 'foetus' bezorgd worden, op schaal gemaakt en qua gewicht overeenkomend met een foetus van tien weken.

Reclame ... Even heb ik de neiging een 'nee'-sticker op m'n brievenbus te plakken, ook al vind ik met 'Schreeuw om Leven' dat abortus niet zomaar even een beslissinkje is. In mijn visie is zo'n beslissing echter in sommige situaties wel te rechtvaardigen, bijvoorbeeld als er 'geen plaats' is voor een nieuw mensenkind, als de ouders incompetent (lijken te) zijn en (wellicht) zullen blijven, als het kind een ernstige afwijking zal hebben. En dan nog zal het een beslissing zijn die slechts door die ouders genomen kan worden, ook als die incompetent zijn, en die in mijn ogen altijd pijnlijk zal zijn en een wond zal achterlaten. Laten we niet oordelen over anderen, want we hebben aan onszelf wellicht genoeg.

Sorry voor de aangedane overlast

Die nacht bel ik om een uur of twee de politie. Het telefoongesprek met de huisarts verliep niet soepel en ik vertrouw het verhaal niet. Als ik een half uur later ter plekke ben, staat de politiewagen er al. Ik zie twee gezichten achter de voorruit. Ik zorg dat ze me, waar ik ben, in zicht kunnen houden.

De cliënt waar het om gaat trekt zich terug in de struiken op de oprit van z'n huis. Hij wil niet dat ik dichterbij kom. Kennelijk is-ie psychotisch. Hij lijkt me vooral heel angstig. Ik wenk de agenten, die dan achter me komen staan. Ik ga een paar stappen naar voren, probeer opnieuw contact te maken. Het lijkt te lukken, want cliënt komt me een paar stappen tegemoet. Dan bukt hij zich en neemt een vuist vol grof grind. Ik denk dat hij dat wil gooien en zeg: 'Dat zou ik niet doen.' Dan komt-ie nog een paar stappen dichterbij en voor ik besef wat er gebeurt, haalt-ie uit met z'n gevulde vuist en plaatst die op mijn gezicht.

Even ben ik helemaal weg. Dan besef ik in een gazon te liggen, aan de straat, een meter of tien (volgens de politiemensen) van de plaats waar de vuist op m'n gezicht gezet werd. Ik mis m'n bril, maar een familielid van de cliënt ziet 'm verderop liggen. Ik heb bloed in m'n mond, er zit een voortand los. In het licht in huis zie ik in een spiegel dat ik twee snijwonden in mijn gehemelte heb.

De politiemensen houden de cliënt in bedwang. Ik herinner me niet meer precies, misschien kreeg hij wel handboeien aan. We brengen hem naar het politiebureau. Ik negeer, zoals wel vaker in die tijd op overzichtelijke nachtelijke kruisingen, de rode stoplichten. Op het bureau regelen we een gedwongen opname.

'Toch wel een hersenschudding', mompelt mijn huisarts. 'Ik zou het even rustig aan doen.' Dus werk ik die week verder niet. En na twee weken krijg ik vanuit de kliniek een brief van de cliënt: 'Sorry voor de aangedane overlast.'

De gezonde patiënt rookt of rookt niet

In het DvhN van vandaag schrijft arts Jannes Koetsier een artikel onder de titel 'Discussie over roken mist de essentie'. Het artikel bedoelt kennelijk zijn boek 'De gezonde patiënt' te promoten. Hij beschrijft twee uitersten: aan de ene kant een overheid die niets doet aan bevordering van gezond gedrag en aan de andere kant een samenleving die haar overheid de taak geeft om restrictief met boetes en maatregelen van alles te doen om ons te verhinderen ongezond te leven. Daarbij gaat het om verboden op invoer, productie en verkoop van ongezonde zaken als drugs, frituur, alcohol en rookwaren. Verder om het beperken van de toegankelijkheid van verzekeringen en hulp tot hen die gezond leven. Het rookverbod in de horeca vindt Koetsier maar een halfbakken restrictie, omdat je thuis en in de auto wel mag roken. Dan zou volgens hem ook bijvoorbeeld de alcoholconsumptie in de horeca moeten worden verboden. Zelf is hij echter voor een overheid die uitsluitend zorgt voor voorlichting over gezonde en ongezonde zaken en gedragingen en voor het zelfbeschikkingsrecht van een ieder persoonlijk.

Bij mij raakt Koetsier een gevoelige snaar wat betreft de titel van het artikel: 'Discussie over roken mist de essentie'. Voor mij mist Koetsier zelf die essentie. Juist roken is iets wat je als mens door medemensen kan worden opgelegd. Ik weet waarover ik spreek. Dertig jaar geleden ontwikkelde ik een allergie voor tabaksrook en andere rookgassen. Die werd, omdat ik nu eenmaal gedwongen was mee te roken, steeds erger en ik slikte jarenlang een combinatie van verschillende antihistaminica, waarvan ik steeds hogere doseringen nodig had. Ik weet hoe moe je van die middelen wordt! Uiteindelijk hielpen ze me niet meer of weigerde ik om er nog meer van te gebruiken. Tien jaar geleden kreeg ik een eerste herseninfarct. Ook had ik vaatproblemen in mijn benen. De neuroloog liet uitgebreid vaatonderzoek doen en toen ik voor de uitslag daarvan kwam, meldde hij me dat ik veel te veel gerookt had. Mijn verbazing moet zichtbaar geweest zijn toen ik opmerkte nooit gerookt te hebben. 'Dan heb je veel te veel meegerookt, met hetzelfde resultaat', was toen zijn conclusie. Vandaar eigenlijk dat ik hecht aan schone lucht en dat ik, toen ik nog de hoop had dat het verbod op roken in de horeca zou gaan werken, daar blij mee was. Ik kan het artikel van Koetsier dan ook niet onweersproken naast me neerleggen. Juist roken is de 'tak van sport' waar je tegen je wil toe gedwongen wordt. Bij de andere genoemde ongezonde gedragingen is dat niet het geval. En wat mij betreft valt daar niets tegenin te brengen!

10-12: Ongevalsdoden: meer dan 2.000 kinderen per dag

Uit een rapport van de VN, vandaag gepubliceerd, blijkt dat er jaarlijks 830.000 kinderen verongelukken, dus 2273 per dag. Van hen sterven 712 aan een verkeersongeluk, 479 verdrinken, 263 overlijden aan brandwonden, 126 door vallen en 123 door vergiftiging.

Voor kinderen van 9 jaar en ouder zijn ongelukken de belangrijkste doodsoorzaak. Van deze dodelijke ongevallen vindt 95 procent plaats in arme landen.

Kanker

De Wereldgezondheidsorganisatie WHO maakte deze week bekend dat kanker vanaf 2010 wereldwijd de belangrijkste doodsoorzaak zal zijn. Nu sterven de meeste mensen nog aan hart- en vaatziekten. Dit jaar zullen ruim 7 miljoen mensen aan kanker sterven, in 2030 naar verwachting tussen de 13 en 17 miljoen. Arme landen worden heviger getroffen, vooral omdat veel mensen daar nog roken. Longkanker maakt de meeste slachtoffers. Vrouwen in arme landen krijgen vaker baarmoederhalskanker.

Goedkope medicijnen

Medicijnen zijn soms duur vanwege octrooien. Die zijn logisch als er veel kosten gemaakt werden om een middel te ontwikkelen. Na een bepaalde tijd vervalt zo'n octrooi en mogen anderen het middel namaken. In sommige gevallen daalt de prijs dan met 90 procent. In principe bevat het nagemaakte middel, vaak onder de stofnaam of generieke naam in de handel, precies dezelfde werkzame stoffen.

Sommige apothekers weigeren goedkope geneesmiddelen te verstrekken. Sommige verzekerden moeten daardoor zelf hun geneesmiddel betalen, omdat de verzekeraar in veel gevallen alleen het goedkoopste middel vergoedt.

Minister Klink antwoordde op vragen in de Tweede Kamer dat hij bereid is naar het probleem te kijken, maar dat het juridisch moeilijk ligt om apothekers te verplichten alle geneesmiddelen te leveren. Een nieuwe kans voor internetapotheken?

11-12: Acceptgiro's goede doelen

Allerlei goede doelen zagen een deel van hun geld verdampen door de heersende kredietcrisis. Natuurlijk, dit soort instellingen heeft geld achter de hand nodig om begonnen hulpverlening ook te kunnen continueren. De berichten volgend, vraag ik me af of er niet te gemakkelijk met het voor bepaalde bestemmingen gegeven geld werd omgesprongen. Ik heb me met mijn spaargeld nooit aan beleggingen gewaagd en ik heb er dan ook moeite mee als blijkt dat een goed doel, waaraan ik gaf, zoveel makkelijker met mijn geld omspringt dan ik dat zelf doe.

Ik ben een beetje van de acceptgiro's af, maar dat heeft jaren geduurd. Nu houdt het bij mij op met éé of een paar stuks per maand. Die gaan ongeopend bij het oud papier. Sinds jaren geef ik niet meer aan doelen die mijn geld vervolgens lijken om te zetten in duur drukwerk en nieuwe bedelbrieven gericht aan mijn adres. Grote instellingen als Novib en Unicef vielen hierdoor als eerste van mijn lijstje af. Op mijn overschrijvingen, per definitie niet per acceptgiro, vermeld ik altijd iets als 'Geen dank', of 'Bestemd voor hulpverlening, niet voor post aan mijn adres'. Ik zou er dus bij moeten gaan vermelden 'Niet om te beleggen!'

Mijn oude, nagenoeg blinde vader, geeft in principe ieder goed doel dat hem vraagt nog altijd eenmaal per jaar. Hij verzamelt de acceptgiro's die niet tot een overschrijving leiden omdat hij eerder in het jaar al iets aan het desbetreffende doel gegeven heeft. Ik heb hem voor de gelegenheid van dit stukje gebeld en op dit moment heeft hij in 2008 105 van deze zinloze acceptgiro's met bijbehorend vaak duur drukwerk verzameld, waarbij aangetekend moet zijn dat er wellicht ook een aantal bij het oud papier gekomen zullen zijn, omdat hij er zelf door z'n blindheid niet de totale controle meer over heeft.

De meeste van de grotere goede doelen komen ook met de collectebus rond. Ik geef in de collectebus niet voor het goede doel, maar voor de waarschijnlijk subassertieve collectant die ik niet onnodig wil frustreren. Ik schrijf 'subassertieve collectant', omdat ik een aantal keren met collectanten in gesprek ging en wel heel sterk de indruk kreeg dat zij hun collecte liepen omdat ze geen nee hadden durven zeggen. Ik denk echt dat ik er niet erg naast zit als ik stel dat het merendeel van de collectanten op deze basis z'n collecteronde doet. En tegenwoordig hebben ze een goede truc tegen afwijzing: collectanten nemen graag een kind mee om de collectebus vast te houden. Al met al, als je mij vraagt: ophouden dus met die collectes! Probeer als goed doel goed voor de dag te komen en zo mensen zich af te laten vragen waar het geld voor de goede dingen die je doet vandaan komt. Daarmee boor je bronnen aan die niet met mentale tekorten, maar meer met liefde en hart te maken hebben. Dat lijkt me een betere basis.

Tandsteen verwijderd

Vandaag was ik na een jaar weer voor controle bij de tandarts. Hij werkt minder kennelijk, vorig jaar ook al. Een jonge vrouw neemt het op bepaalde dagen over.

Een jaar geleden was ik mooi op tijd aan de beurt en had ik kennelijk voor het eerst last van tandsteen. Na de nog geen twee minuten durende controle mompelde mevrouw dat ze dat ook nog even zou weghalen. Ik voelde hoe iets scherps aan de binnenkant van mijn tanden strak langs mijn tandvlees werd gehaald. Die klus was gelukkig eveneens binnen twee minuten geklaard. Ik was verbaasd. Dit had ik nooit eerder meegemaakt en van de vorige tandarts had ik begrepen dat mijn gebit altijd keurig schoon was. Dus vroeg ik ernaar. Mevrouw had niet veel tijd kennelijk, merkte slechts op dat bij het ouder worden de zuurgraad in de mond verandert en dat er dan ineens tandsteen kan ontstaan.

Dit jaar moest ik wachten. Ik sprak nog even met de klant die voor mij was. Hij had pijnklachten gehad en een wortelkanaalbehandeling gekregen. Hij was blij dat-ie weer weg kon. Omdat hij wellicht tussendoor was geholpen, was ik een kwartiertje te laat aan de beurt. Een kwartier vind ik acceptabel, meer niet, niet zonder uitleg en excuus althans. Dat excuus kreeg ik van mevrouw. Het liep vandaag storm met pijnklachten, zo begreep ik. Maar daarmee was het nu eenmaal altijd hollen of stilstaan. Mijn controle ging vervolgens even vlot als de vorige keer. Het tandsteenverhaal herhaalde zich niet. Kennelijk verandert de zuurgraad in de mond bij het nóg ouder worden ook weer.

Ik zoek de oude rekening er nog even bij: € 18,80 voor preventief onderzoek en € 12,40 voor beperkte gebitsreiniging. Natuurlijk: zo'n praktijk kost geld en ook de assistente moet eten. Gek dus dat ik toch het gevoel heb dat dat tandsteen ten doel had een wat hogere rekening te kunnen presenteren. Dat is jammer, zo'n gevoel. Maar het is ook weer niet vreemd. Mijn vorige oogarts meldde me, toen ik vroeg om extra aandacht voor het leesgedeelte van mijn bril, omdat het zonder bril veel beter las dan met, dat hij zich daar niet mee kon bezighouden, want dat het tarief daarvoor niet toereikend was. Da's duidelijke taal. En het was ook onderbouwd: bij vertrek moest contant worden afgerekend. Om misverstanden te voorkomen: Ik kreeg wel een rekening, dus zwart zal het niet geweest zijn.