Ik las van Guus Kuijer 'De bijbel voor ongelovigen', deel 3, de verhalen van Samuël, Saul en David. Deze 'bijbel' is geschreven als een alsmaar doorlopende roman. Kuijer heeft zich zeer verdiept in de bijbelse geschiedenis en beschrijft deze tot in detail vanuit het perspectief van ene Seraja, een Filistijn, een heiden dus, die zich min of meer als buitenstaander ophoudt in de neutrale zone van daar waar het voortdurend gaat om macht en bezit. Kuijer zelf zou Seraja kunnen zijn, en ook de lezer kan zich Seraja wanen. God speelt in de mythologisch aandoende verhalen voortdurend zijn rol mee, maar die rol kan ook 'toeval' genoemd worden, ook al om de heilige dobbelstenen, de terafim, die geregeld Gods wil moeten helpen openbaren.
Voor mij was de plastische beschrijving van het gevecht tussen David en Goliath de absolute climax in het verhaal. De gedetailleerde uiteenzettingen over de minder in het zicht springende gebeurtenissen en personen maakten het me soms moeilijk om het overzicht te houden. Ik voel na dit ene deel dan ook een soort verzadiging, die me niet meteen naar meer doet verlangen. Maar mooi hoe Kuijer af en toe, bijna als in tussenzinnen, zijn commentaar toevoegt. Dat een verhaal altijd ergens op is gebaseerd, ook al is het niet op de feiten. Dat een verhaal een waarheid kan bevatten die geen werkelijkheid nodig heeft. Dat verhalen kunnen worden gebruikt om nieuwe waarheden mee in elkaar te knutselen. Dat een verhaal, opgetrokken vanuit leugens, toch waarheid kan vertolken.
Pagina geschreven 8-12-2025