Menselijke maat (2)

Gisteren kwam ik wat vroegere krantenpublicaties van mijn hand tegen. Met name die over de menselijke maat in de zorg van 2006 trof me.

Bijna 20 jaar later ben ik vanavond in mijn papieren gedoken. Daarin vind ik op verschillende niveaus terug hoe mijn werk me in 1998 boven het hoofd groeide. Het meest springt nu uit de brief van 10 augustus van dat jaar van mijn bedrijfsarts. Als ik me goed herinner was er een periodieke controle en kreeg ik nog een lijst met te beantwoorden vragen mee naar huis. Ik heb die kennelijk ingestuurd en op 10 augustus (1998) schrijft de bedrijfsarts: 'Ik ben van uw verhaal geschrokken. Het geeft me het beeld van iemand die steeds verder achteruit gaat in gezondheid. Als ik er vanuit ga dat u moet doorwerken tot uw zestigste, dan vrees ik dat dit heel erg moeilijk zal worden. Daarom zou ik graag preventief actie ondernemen.'

Hij stelt dan voor dat ik een afspraak met hem maak, maar hij gaat eerst op vakantie. De afspraak is dan op 21 september. Ik zie dat dit de eerste dag na zijn vakantie is. Tien dagen na deze brief kreeg ik een herseninfarct. Of ik de afspraak ben nagekomen, kan ik in mijn papieren niet meer terugvinden. Ik heb er ook geen herinnering aan.

Ik heb kennelijk een leven lang nodig om te leren minder te willen. Te veel wilde ik in mijn werk en te goed. Te betrokken was ik als hulpverlener op mijn cliënten. Te veel ving ik ten koste van mezelf de tekorten van mijn instelling op zodat mijn cliënten zich daaraan niet of minder zouden stoten. Te veel wilde ik naast mijn werk ook nog wat schrijven als een soort van creatieve uiting.

Ik vind ook een reactie van een collega op een cliëntverhaal dat ik publiceerde in het personeelsblad. 'Complimenten', schrijft ze. 'Wat prachtig qua sfeer, stijl en inhoud. De manier waarop je het verhaal hebt opgebouwd vind ik werkelijk prachtig. Kortom, vakmanschap in alle opzichten. Wou ik je toch even zeggen.'

Ik zal nog kijken of ik het verhaal terug kan vinden.


PS Nee, dat verhaal vind ik niet meer terug. Wel zie ik dat ik in vroeger jaren in mijn weblog verhalen uit mijn werk verwerkte. Zie bijvoorbeeld hier. En wat ik ook vind, is een stuk dat ik schreef kort voorafgaand aan mijn herseninfarct. Het geeft mijn gevoelens van die tijd aardig weer. Ik neem het hieronder over. En ten slotte: Op mijn afscheid van de Riagg hield ik een toespraakje. Ik noem het hier, omdat ik na mijn herseninfarct de gelegenheid kreeg te blijven en het rustig aan te doen. Die acht jaren maakten voor mij wel wat goed.

Emotionele prostitutie

Er was eens een hulpverlener bij een Riagg die daar al jaren werkte. Hij was tevreden met z'n salaris en had het gevoel zichzelf en z'n mogelijkheden in het werk kwijt te kunnen. Er waren drukke tijden en soms was het rustiger. Er waren weleens dingen die hem niet aanstonden en ooit had hij ook wel met de gedachte gespeeld eens ergens anders te proberen, maar dan besefte hij dat hij overal wel wát tegen zou komen en dat het volmaakte hier toch niet te vinden zou zijn. Zo schikte hij zich en zo kon hij zich goed voelen over z'n werk en daar tevreden mee zijn. Af en toe voelde hij zich zelfs gewaardeerd en dat gevoel was belangrijk voor hem.

'Ik ben hulpverlener bij de Riagg', zei hij en daar klonk ook enige trots in door. Alhoewel hij vanuit zelfbescherming weleens wat onderkoeld over z'n werk kon vertellen, had hij er toch hart voor. Hij hield van 'zijn mensen', kon blij met ze zijn en ook verdriet en pijn met ze delen. Hij hield zich aan de gestelde regels, maar nam soms ook de ruimte om mensen boven regels te laten gaan. Geleidelijk ontwikkelde hij een soort van basisvertrouwen van te leven in een cultuur die wilde investeren in de zwakkeren en waarin iedereen mee moest tellen.

Met enige zorg stond hij in de ontwikkeling waarin kwantiteit steeds belangrijker werd. Gesprekken werden weergegeven in een cijfer dat overeen moest komen met het aantal eenheden tijd dat ze hadden geduurd. En omdat het ene gesprek nu eenmaal het andere niet was, moest in codes aangegeven worden in welke hulpverleningsfase een cliëntcontact zich bevond. Een paar jaar daarna kwamen de protocollen en zo werden er eisen aan de verslaglegging gesteld. Daarvan zag hij eerst het goede wel in. Hij stond er achter dat bepaalde informatie in de verslaglegging terug te vinden moest zijn, ook al konden sommige van zijn cliënten het protocol niet aan en lieten ze het daarom afweten. Al gauw ging hij echter zien dat hij er ook voor hen wilde zijn, misschien júist voor hen, en hij besefte dat hij de protocollen in die gevallen toch maar los moest laten. Zo herwon hij ruimte voor 'luisteren naar fluisteren', zoals hij moeizame, zoekende gesprekken wel noemde.

De ontwikkelingen gingen door. Aan de codes van de hulpverleningsfases werden standaardtijden gekoppeld. Voor het allereerste gesprek kwam bijvoorbeeld dertig minuten te staan en dat was hem dikwijls al te kort. Vaak vroeg hij zich af of het feit dat het ook zijn cliënten te kort was, samen kon hangen met zijn eigen 'falen'. Hij probeerde zich te schikken, zoveel mogelijk aan de gestelde limieten te voldoen, en daarmee had een nieuwe stressfactor definitief z'n intrede bij hem gedaan. Een enkele keer probeerde hij het nog zijn mensen te vragen niet hun verhaal te willen vertellen, maar slechts zijn vragen te willen beantwoorden, maar dat voldeed hem volstrekt niet.

Het was april 1998 en nóg een paar jaren waren voorbijgegaan. 'Ik', zei de hulpverlener, 'ik ben productiemedewerker bij de Riagg.' En toen hem gevraagd werd wat dat precies inhield: 'Ik moet dit jaar achthonderdvijftig P-contacten produceren, dat is vijftien procent meer dan het vorige jaar. Het is ook een bepaald percentage minder dan het had moeten zijn als ik een paar specifieke taken die ik doe, niet zou hebben. Ik ken die cijfers niet precies. Maar vraag me liever niet verder, want de lol is wat van m'n werk af. Daar heb ik het moeilijk mee en ik praat er liever niet over. Om niet onderuit te gaan, ben ik parttime gaan werken en ik houd me nog gaande met m'n voornemen binnenkort nog wat uren in te leveren. Drie dagen werken per week hoop ik dan toch vol te zullen kunnen houden.'

Thuis begon de productiemedewerker over de W.A.O.'Ik houd dit niet vol', zei hij. 'Het is me te veel. Het zijn gewoon te veel mensen, te veel gesprekken, het moet te snel. Ik ben er als mens altijd zelf bij geweest, maar nu moet ik mezelf proberen uit te schakelen, op de automatische piloot of zo ... Het is een soort van emotionele prostitutie, waarin ik moet overleven door een knop om te zetten, een knop die ik niet kan, maar misschien ook wel niet wíl vinden. Het gaat niet meer om hoe ik met m'n mensen werk, het gaat om de aantallen, om de cijfertjes. Mijn mensen zijn geen mensen meer, maar eenheden. En het probleem is dat ik tóch contact zou willen hebben, met állemaal. Maar dat kan ik wel willen; het lukt me niet ... Het loopt me door elkaar. En het is me gaan tegenstaan. Het vorige jaar kreeg ik elke maand een overzicht van hoe ik de cijfertjes net weer níet gehaald had. Eigenlijk vind ik dat je als werkgever zo niet met mensen om mag gaan ... Ik zou zoiets niet kunnen ... En die vijftien procent meer van nu zou ik misschien op zich ook nog wel kunnen doen, maar ik voel steeds meer hoe het niet goed voor mij is en ook niet voor mijn mensen. Maar nee, mij wordt niet gevraagd hoe het voor me is. Ik zeg het wel, af en toe, dat de lol eraf is ... Maar dat doet er niet meer toe. Alleen cijfers doen er nog toe. Ik begrijp echt niet dat dit zo in de geestelijke gezondheidszorg kan gebeuren. Ik kan toch niet de enige zijn die ziet dat dit niet goed kan gaan? Dat bestaat toch niet?'

De nacht daarop droomde de productiemedewerker een boze droom, een droom waarin zijn mensen weer belangrijk waren, een droom waarin hij zichzelf weer even hulpverlener voelde. Maar het beeld stortte in toen hij zich in het daaropvolgende beeld bekneld terugvond, bedolven onder de resten van het ingestorte gebouw van zijn Riagg. Met een bonzend hart werd hij wakker ...


Index chronol. en op trefw.

Pagina geschreven 30-7-2025, aangevuld 31-7-2025