Alfab. index --- Home
Tot de laatste druppel
En nog weer kan het minder. Het is precies zoals
Trix, mijn vrouw, al eens zei: 'Marie drinkt de beker tot de
laatste druppel leeg.' Voor het eerst zei ze me vandaag dat ze
eraan toe is, dat ze dood wil. En omdat ik het gevoel heb dat
ze dat steeds weer wil horen, zei ik haar opnieuw dat ik geloof
dat ze het na het sterven beter zal hebben. Ze lijkt er klaar
voor te raken, goddank! Haar krachten vloeien steeds meer weg.
Weldra zal ze zich over kunnen geven.
Eén keer heb ik Marie zien huilen. Dat was in het
ziekenhuis, toen we terugliepen naar de parkeerplaats, nadat we
haar stervende peettante hadden bezocht. Ik wilde dit bezoek
per se. Ik wilde minstens proberen Marie de confrontatie met de
dood, waar ze zo als de dood voor was dat ze nog weer langer
geleden het sterven van haar eigen moeder ontkende en ik haar
dus ook niet mee kreeg naar haar begrafenis, aan te leren gaan.
Vandaag heeft Marie mij zien huilen en kon ik haar uitleggen
dat dat niet was omdat ze dood zal gaan, maar om hoe ze dood
moet gaan. Marie heeft, zo lijkt het, in korte tijd veel aan
wijsheid gewonnen. Sommigen om haar heen misschien ook wel.
Toen namen we weer afscheid. Ik hoop voor de laatste keer. Dat
gun ik Marie zo! Voor het eerst gaf ik haar een zoen.
We spraken nog even twee dames van de terminale thuiszorg. Van
23 tot 07 uur is er iemand bij Marie. Dat is goed. Het is
vrijwilligerswerk, overigens. Er zijn mensen die zulke dingen
voor anderen doen!
Investeren in je kinderen is uit
Vandaag een bericht in de krant over meer hersenletsel bij
jongeren door gevaarlijke straatspellen. Als ik het artikel
lees, komt de combinatie van spellen en harddrugs naar voren.
De neuropsycholoog Erik Matser heeft er onderzoek naar gedaan.
Het gaat om het in het winkelcentrum van verdieping naar
verdieping springen of met skates achter een rijdende auto
hangen. Ook het spelletje 'liggen' doet mee: jongeren delen om
het hardst aan willekeurige voorbijgangers een klap uit en
degene wiens slachtoffer het langst blijft liggen, heeft
gewonnen.
Jongeren zouden het 'cool' vinden zich immuun te voelen voor
letsel en zich stoer voelen door speed en cocaïne te
gebruiken met extreem gedrag en hersenbeschadigingen als
gevolg.
Matser zoekt de oorzaak in het tekort aan begeleiding door
ouders. Ouders zijn niet meer of onvoldoende op de hoogte met
de bezigheden van hun kinderen.
Tja, we leven in een cultuur waarin geldelijk gewin en dus
carrière gaan boven het werk maken van de opvoeding van
je kinderen. Investeren in je kinderen is uit. Dat eist z'n
tol, mijns inziens steeds meer. Jonge ouders van nu hebben het
gevoel geen keus meer te hebben, al was het alleen maar omdat
één inkomen nooit zal kunnen leiden tot het kopen
en (af)betalen van een huis. Zo hebben we onze maatschappij
gebouwd. Hoeveel jonge vrouwen sprak ik niet die zich
uiteindelijk in hun gezondheidsklachten en depressies moesten
toegeven dat ze zich het huwelijk anders hadden voorgesteld dan
mee te moeten blijven draaien in de mallemolen van het geld
verdienen?
Als ouders geen weet meer hebben van hun opgroeiende kinderen,
als ze opvoeden tot te vroege zelfstandigheid, als kinderen
niet meer bij hun ouders terechtkunnen met wat ze bezighoudt,
als ze het gevoel ontwikkelen dat er eigenlijk geen plaats voor
hen is, dan moet het wel ergens fout gaan en dat doet het dus
ook. En dan hebben voor velen 'die ondankbare jongeren' het
gedaan. Ik vraag me af wie er het meest slachtoffer is en ik
denk dat juist onze asociale jeugd het kind van de rekening
werd. Tegelijk besef ik dat we nog lang niet zover zijn dat we
zullen inzien dat dit tij moet worden gekeerd, dat 't anders
moet en dat ouders minstens ook opvoeders dienen te zijn.
'Het gaat niet meer.'
Zaterdag waren we bij Marie. Ik merk dat ik er stil van word, dat woorden niet meer kunnen bevatten wat er gebeurt en wat ik voel. Ik heb verdriet om haar lijden, haar nog immer niet los kunnen laten en zich overgeven. Steeds weer praat ik erover met haar. Ze lijkt dat ook zo te willen. 'Het gaat niet meer', zegt ze en ze weet dat ze dood zal gaan. Maar haar hart is taai, haar geest weerbarstig en vooral dat laatste is het dat haar nog hier houdt, denk ik. Sterven heeft kennelijk tijd nodig. Blijft het mysterie waar de onttakeling van dit sterven goed voor is. Ik neig ertoe aan te nemen dát het goed is voor Marie, dat het een doel dient, dat ze misschien hierin nog een levensles aan het leren is. En dan past slechts erbij te zijn, haar niet los te laten en vooral eerbied voor haar en haar geheim.
Liederlijkheid
Liederlijkheid. Het woord staat voor verveling,
normvervaging, losbandigheid. In onze krijgsmacht weten ze er
kennelijk nog altijd wel raad mee. Ik vind het beschamend om
daar weer mee geconfronteerd te moeten worden, nu blijkt dat op
onze marineschepen vrouwelijke matrozen zo'n beetje als
gemeenschappelijk bezit gezien worden. Het brengt me terug naar
mijn eigen militairedienstplichttijd, in de zestiger jaren.
Alhoewel ik als 'hospik' de meeste tijd kans zag een beetje aan
de rand te functioneren, heb ik me in die tijd verbaasd over de
liederlijkheid binnen de kazernepoorten. Ik heb het over
drankzucht en taalgebruik waarin bijvoorbeeld de vrouw slechts
gezien wordt als object van bevrediging. Ik stond erbuiten wat
die liederlijkheid betreft, alhoewel ik me er niet altijd aan
kon onttrekken. Ook ik werd 's nachts over de openbare weg
vervoerd in een jeep bestuurd door een werkelijk stomdronken
mede-dienstplichtige. Zo ging dat: een burgerrijbewijs telde
niet, niet gedronken hebben telde niet, wat telde was of je
chauffeur van het desbetreffende voertuig was of niet. Dat er
gestopt moest worden om op de straat te kotsen, was slechts een
bijkomstigheid. Dat de jeep nauwelijks op de weg gehouden kon
worden, was schijnbaar geen probleem. Mijn taak was om
's morgens met de thermometers rond te gaan om wie zich om
zes uur ziek meldden te controleren. Ik had geleerd de
thermometers zelf in te moeten brengen en vast te moeten
blijven houden, want het is heel eenvoudig om zo'n ding een
hogere temperatuur dan die van het lichaam aan te laten geven.
Ik maakte niet alleen maar vrienden. Als
ziekenverzorger sliep ik een periode in een kamertje apart,
nabij de ziekenzaal, maar het grootste deel van mijn diensttijd
had ik een stapelbed in een slaapzaal bij de compagnie waar ik
formeel was ondergebracht en waar ik 's nachts zo tussen
twaalf en één, als het rustig geworden was, naar
binnen sloop om tot zes uur te kunnen slapen. Ik vertoonde me
daar verder gewoon niet omdat ik niet tegen de liederlijkheid
kon waar ik binnen de kortste keren onpasselijk van zou worden.
Ik had de sleutel van de dokterspost. Sommige avonden sliep ik
daar alvast wat voor op een onderzoeksbank. Nee, ik heb er
nooit bij gehoord, zelfs niet een beetje. Een eenzaam
bestaan, zo zie ik het achteraf. Ik weet ook niet of ik me ooit
aan had kunnen passen als ik niet in de positie was geweest
waarin ik was, een positie waarvan voor niemand van de staf goed
duidelijk was waar ik nu eigenlijk thuishoorde. Ik had m'n
dagelijkse werk op de dokterspost, dat wist men. Een paar keer
ging ik als compagnieshospik wel mee op oefening en sliep ik in
een aparte auto waarin de pillen en dergelijke ook bewaard
werden. Slechts in de eerste twee maanden van mijn diensttijd,
bij de geneeskundige troepen, was ik gewoon deel van het
grotere geheel zonder de mogelijkheid me te onttrekken en sliep
ik op oefening tussen m'n medesoldaten in een tent of in een
vrachtwagen. Liederlijkheid ... gek dat die anderhalf jaar
mij het meest naar voren komen bij die term.
Inmiddels kregen we een beroepskrijgsmacht, deden vrouwen hun
intrede, maar blijkt er aan de liederlijkheid dus niet veel
veranderd.
Het was overigens niet alleen in militaire dienst dat ik
erbuiten stond. Als lid van de jeugdvereniging van de
christelijk gereformeerde kerk had ik dezelfde soort ervaringen
opgedaan. Zodra er een weekend was, merkte ik dat men niet de
neiging had om 's nachts te gaan slapen, maar bij voorkeur
bezig ging elkaars rust te verstoren, de jongens bij de meisjes
en andersom. Je kon het zo gek niet bedenken, of het gebeurde.
Ik leek wel de enige die 's nachts het liefst gewoon had
willen slapen, maar ik geloof nog altijd niet echt dat ik de
enige was. Waren het de hormonen die de nachten zo kort en
onrustig maakten? Was het het niet voor elkaar willen
onderdoen? Speelt er in dit soort situaties een soort macht van
de sterkste? Durfde ik en durfde niemand het tegen die
sterksten op te nemen? Deze ervaringen hebben bij mij gemaakt
dat ik niet graag in gezelschap overnacht en relatief veel
latere ervaringen leken mijn gevoelens hieromtrent alleen maar
te bevestigen. Ik denk aan onze pogingen om met de kinderen in
de zomer gewoon op een camping te kamperen. Maar gewoon bleek
niet gewoon: gewoon bleek geschetter van Hilversum 3 ter linker
en van Veronica ter rechter zijde. Gewoon bleek dronken
medekampeerders rondom en pas de mogelijkheid om tegen de
ochtend in te slapen. Dat was en is niets voor mij. Wat dat
betreft heb ik er inderdaad altijd buiten gestaan.
Vandaag de dag heeft de jeugd haar liederlijkheid naar het
schijnt in de nachten van het weekend. Ik ga maar af op de
berichten in de krant over vechtpartijen, ongelukken onder
invloed van alcohol en zinloos geweld. Ik ga ook af op de
schade die na het weekend op de route van centrum naar de
woonwijken is waar te nemen. Omgetrokken verkeersborden,
lantaarnpalen en reclamezuilen, een in de gracht gegooid
wachthokje voor de bus, in elkaar getrapte fietsen, beschadigde auto's, braaksel op
straat en een urinelucht in alle donkere hoekjes. Ik weet het:
er wordt geen aandacht meer aan besteed omdat het
psychologische mechanisme is dat gedrag waarvoor geen aandacht
is, zal uitdoven. Het zal ten dele waar zijn, dat geloof ik ook
wel. Maar om, als met oud en nieuw voor tonnen schade wordt
aangericht, te spreken van een rustige nacht, gaat mij net te
ver. Ik weet het: ik ben al niet meer helemaal van deze tijd.
Als het om liederlijkheid gaat, ben ik dat dus nooit geweest.
En dat is toch een beetje gek. 's Avonds rond bedtijd zou
ik gewoon willen kunnen gaan slapen, ook op mooie zomeravonden.
Maar juist rond dat uur is er bij anderen voldoende alcohol
ingenomen om de gesprekken in de tuinen rondom luidruchtiger te
laten worden, de stemming er goed in te laten komen zogezegd.
Inderdaad, mijn overtuiging is dat alcohol de eigen normen doet
vervagen en antisocialiseert. Je staat er buiten als je niet
meedoet. Zoals anderen zich kennelijk schamen als ze niet uit
hun dak zijn gegaan, zoals dat heet, zou ik me schamen als mij
zoiets zou zijn overkomen. Dat is toch anders, niet?
Zogenaamde heilige boeken
Als je moslim was en je bekeerde of bekeert je tot het
christendom, kan daar de doodstraf op staan, zo begrijp ik. Dat
kan namelijk gelezen worden in de koran. In Afghanistan, waar
Nederland om humanitaire redenen militair toezicht heeft, is
het actueel. Het probleem is het christendom niet vreemd: het
aanhangen van een ander geloof dan het christendom was ook voor
veel christenen eeuwenlang goede reden om te doden.
Godsdienstfanatisme heet zoiets en mijns inziens grenst het aan
waanzin. De eigen normen en overtuiging worden dwingend
opgelegd aan anderen. Wie eenmaal in Allah geloofde, mag zijn
of haar geloof nooit meer herzien. Dat kan allemaal gebeuren
als een boek van God gegeven heet. Met de koran is het niet
anders dan met de bijbel: deze boeken zijn door mensenhanden
geschreven. Natuurlijk, omdat de mens een goddelijke creatuur
is, hebben ze ook iets goddelijks. Je zult er vast en zeker God
in kunnen (her)kennen. Maar de boeken zijn aan herschrijving
toe, want ze kunnen qua inhoud letterlijk genomen worden en ze
laten nogal wat ruimte voor interpretaties. Op grond van
zogenaamde heilige boeken menen mensen dat ze andere mensen
moeten doden om hun geloofsopvatting. Ze menen dat serieus,
want wat ze lezen en interpreteren schrijft ze dat voor.
Het is de hoogste tijd dat we inzien dat we geen woord van God
hebben, dat alles wat over God geschreven werd door mensenhand
is opgetekend en dus niet meer kan zijn dan de oprechte mening
of overtuiging van de auteur. We zullen moeten afzien van oude
godsbeelden en toe moeten naar een eigen en persoonlijk
godsbeeld, dat we slechts kunnen vinden in de persoonlijke
ervaring aan het goddelijke. We zullen moeten beseffen dat God
veelvuldig en veelvormig is, dat vele godsbeelden mogelijk zijn
en dus naast elkaar zullen bestaan. We zullen moeten leren deze
veelheid niet langer als een bedreiging te zien, maar als een
verrijking. We zullen onze andersgelovige medemens moeten leren
accepteren als een kind van God.
Wie roept dat er gedood moet worden om een geloofsovertuiging
heeft, vrees ik, van het goddelijke niet veel begrepen.
Doodsstrijd
Deze week las ik in de krant een column naar aanleiding van
het stervensproces van een stervend familielid van de
schrijver. Ze wacht op de dood, schreef hij, of althans: wij
wachten. De betrokkene had een hersenbloeding gehad en er was
besloten niet meer te behandelen. Volgens de schrijver hield
dat sterven in dat er geen drinken en geen voeding meer binnen
kwam en verder dus het wachten op de dood. Hij kon zich een
waardiger einde voorstellen, zo schreef de columnist.
Mijn moeder verging het waarschijnlijk ongeveer net zo. Nadat
ze door een subdurale bloeding in coma was geraakt en de
schedelfoto had uitgewezen dat de ene hersenhelft door de druk
van het bloed als het ware in de andere helft was gedrukt,
besloten we om niet te behandelen, dus niet te proberen de druk
op te heffen. Ook bij mijn moeder was het een kwestie van tijd,
van wachten dus, voor de omstanders. De taaiheid van haar
lichaam werd toen pas duidelijk in de eindeloze uren die het
streed om het leven vast te houden. Ik had daar toen ook moeite
mee, ontkwam ook niet aan de gedachte dat ik mijn moeder een
waardiger einde zou gunnen. Maar dat was niet het enige. Ik zag
dat het goed was dat de dood nog wat uitbleef, het was goed
voor mijn vader, goed voor een enkele zus of broer en goed voor
enkele van de kleinkinderen van mijn moeder. De tijd van de
doodsstrijd gaf deze betrokkenen de tijd die ze nodig hadden om
toe te groeien naar loslaten, om zich te verzoenen met het
einde, of, zo u wilt, met het nieuwe begin. Misschien had
ikzelf die tijd uiteindelijk ook nog wel nodig. Immers, nog bij
leven van mijn moeders lichaam trof ik haar geest op de A12
plotseling al bij me in de auto, teken toch van een
gevoeligheid die iets moet zeggen over mijn persoonlijke
betrokkenheid en daarmee over mijn eigen moeite om los te
laten.
Vanavond waren we bij Marie. Steeds weer blijkt het nog minder
te kunnen, blijkt een mens lichamelijk nog meer te kunnen
vervallen. Ze wacht bij vol bewustzijn op de dood, maar ze
kijkt er niet naar uit. Ik wacht ook en ik gun haar het einde
van haar lijdende lichaam, haar bevrijding daarvan. Ik gun haar
de vrijheid die ik geloof dat ze daarna zal vinden. Zelf wil ze
nog steeds het leven niet loslaten. Ook vandaag werd me niet
duidelijk wat haar nog hier houdt. Ze spreekt niet over angst,
ook niet over vertrouwen. Als ik het daarover heb, kijkt ze me
aan en het lijkt alsof ze mijn woorden van vertrouwen in zich
naar binnen laat vloeien.
Zes dagen geleden vroeg ze me of mijn vrouw er niet was. Ze was
er niet, want ze werkte. Nu was ze er wel en dat was goed. Toen
Marie nog wat beter was, namen we af en toe ook onze twee
kleindochters mee naar haar toe. Dat stelde ze op prijs.
Vanavond vroeg ze me bij het afscheid heel nadrukkelijk om de
kinderen de groeten te doen. Meteen daarop vroeg ze hetzelfde
aan mijn vrouw. Dat beloofden we.
Buiten de menselijke maat
Hoe toeschietelijk ben ik naar de ander die ik van dienst
zou kunnen zijn? Hoe toeschietelijk bent u naar mij, als u mij
van dienst kunt zijn? Is dat niet waar het om gaat tussen
mensen? Om het geven van iets van jezelf? Hoe velen verschuilen
zich niet achter regeltjes om maar niet te hoeven doen wat ze
zouden kunnen en moeten doen? Hoe kil is onze maatschappij
daardoor geworden? Als geld een rol speelt, als er al aan je
verdiend is en het geld dus binnen, valt de service
tegenwoordig soms zo maar stil. Of men wil ook aan die service,
die vanzelfsprekend zou moeten zijn, verdienen. Daartoe
gebruikt men bijvoorbeeld een duurder 0900-nummer en zet daar
bij voorkeur een wachtrij op. Hoe komen maatschappelijke
organisaties en instellingen hun klanten tegemoet? Hoe komt het
toch dat zovelen vermalen worden of dreigen te worden in de
bureaucratische molen? Natuurlijk: het systeem wordt als excuus
gebruikt en mensen doen gewoon hun werk, dat wat er van hen
verwacht wordt en waarvoor ze betaald worden. Maar is dat echt
voldoende reden om mensen die er niet meer uit komen met een
kluitje in het riet te sturen? Ieder voor zich en God voor ons
allen, zo heet het. Maar vroeger of later heeft toch iedereen
de ander nodig? Is het het geld dat in zakelijke
aangelegenheden het menselijke aspect zo weinig ruimte geeft?
Is het de trend en doe je jezelf tekort als je daaraan niet
meedoet? Wie luistert er nog naar de ander en probeert zich een
heel klein stukje in diens situatie in te leven?
Natuurlijk, ik weet ook wel dat er misbruik van je gemaakt
wordt als je te toeschietelijk bent. Je moet daaraan ook wel
grenzen stellen. Degenen die bij bijvoorbeeld
uitkeringsinstanties geneigd zijn service te bieden, er voor de
klanten te zijn, redden het dikwijls niet. Ze branden af of
halen hun 'productie' niet. Dat is de andere kant van de
medaille.
Nog maar vijftig jaar gelden kenden we een cultuur waarin
plaats was voor iedereen. Als iemand geen hele dagen kon
werken, omdat bijvoorbeeld de energie tekortschoot, werkte
diegene halve dagen. Maar iedereen deed mee, telde mee. Het
werk werd zo nodig aangepast aan de mens en zo hoort het ook.
Maar zo gaat het allang niet meer. De mens moet zich inpassen
in het systeem dat door denkers is uitgedacht en als dat niet
lukt, valt die mens genadeloos uit de boot. Ik heb daar vele
voorbeelden van gezien. Het vertrouwen in de maatschappij is
bij velen dan ook ver te zoeken, ondanks het feit dat er nog
altijd ook wel mensen werken die de menselijke maat nog niet
zijn kwijtgeraakt. Als Riagg-hulpverlener zocht ik in vroeger
tijd contact met de bedrijfsarts van een instelling voor
sociale werkvoorziening om iemand te kunnen plaatsen,
tegenwoordig is de procedure zo complex dat ik in mijn werkzame
nadagen het zicht erop verloren ben. Duidelijk is dat allerlei
instellingen, organen en commissies er een steentje aan
bijdragen en er dus de kost mee verdienen willen. Problemen van
competentie en competitie spelen alom. Er hoeft maar
één vertragende factor in het traject te zitten
om het te verlammen. Wat niet gezien wordt, is de mens die
daarvan de dupe wordt, terwijl het voorkomen dat mensen eraan
tekort komen het eerste zou moeten zijn om in de gaten te
houden. Dat onze overheid werk maakt van het opnieuw inzetten
van wao'ers lijkt me een goede zaak, maar de verhalen die
circuleren vanuit ervaringen rondom doen talloze
uitkeringsgerechtigden de schrik om het hart slaan. Ik ken
diverse cliënten die de onzekerheid van het afwachten niet
aankunnen en professionele hulp daarin behoeven, zozeer hebben
ze de angst dat ons zich immer vernieuwende systeem een
belasting van hen zal vragen die hun levensgeluk en welbevinden
en dat van hun naasten acuut kan doen ineenschrompelen. Ik
betreur dat burgers het vertrouwen verliezen en ik zoek de
oorzaak daarvan in dit grotere geheel.
Ik geloof niet dat onze ontmoetingen, face to face of aan de
telefoon, privé of in het werk, toevallig zijn. We
treffen elkaar omdat we iets met elkaar hebben uit te werken,
omdat we elkaar een les hebben te leren. Dat kunnen we gewoon
nu doen, of voor later bewaren. Ik roep alle werkenden die
werken met mensen op althans te pogen zich in de beleving van
hun mensen in te leven en met wat ze dan voelen rekening te
houden in het verdere handelen. Ieder kan leren om mensen die
ertoe neigen misbruik van het systeem en dus van anderen te
maken te gaan herkennen. Als hulpverleners in onderling overleg
samen deze beleving over een cliënt hebben, is het vroeg
genoeg met de betrokkene om de tafel te gaan teneinde hem of
haar zelf in te schakelen bij het vinden van een oplossing
hierin.
Ik ben bang dat we onszelf tekort doen in de structuur van de
maatschappij die we samen bouwen. Het is duidelijk dat in onze
ict-economie standaardprocedures nodig zijn. Als maar voorop
blijft staan dat deze niets menselijks hebben, is daar ook
niets mee mis, al is het harnas van deze structuur soms voor de
werkers zelf al te krap om daarin gelukkig te kunnen
functioneren. Als zij, de uitvoerenden, voor zichzelf vanwege
het systeem geen arbeidssatisfactie vinden, dan hebben ze hun
cliënten weinig te bieden, dan werken ze alras aan een
lopende band waarop medemensen passeren die niet meer gezien of
gehoord worden, maar slechts dienen om er etiketjes op te
plakken of standaardhandelingen aan te verrichten. Dat is
buiten de menselijke maat en ik denk dat het de verkeerde weg
is. Ik vrees dat te veel werkers het eigen gevoel trachten
buiten te sluiten om zelf te kunnen overleven, en als dat zo
is, deden ze er beter aan uit te stappen uit de trein die
zonder uitstappers voort zal blijven denderen.
Kwetsing
De vrouw kwam, jas al dichtgeknoopt, naar buiten toen de man
aan kwam rijden. Hij kwam gehaast de auto uit en moest
kennelijk nog wat dingen uit de bagageruimte hebben. Hij deed
zichtbaar zijn best zo vlot mogelijk te handelen. De vrouw
foeterde omdat hij zo laat was. Hij zei wat terug, maar op mijn
afstand kon ik zijn stem niet waarnemen. 'Jij moet eens wat
minder staan te zeiken', was haar slotreactie. Ik zag de man
een beetje krimpen, terwijl zij instapte en de motor startte om
meteen daarna weg te rijden. Het hele gebeuren had misschien
een halve minuut geduurd.
Soms ben je zo maar ineens onbedoeld en ongezocht toeschouwer
in het leven van derden. Ze kruisen je levenspad en wat je
waarneemt, laat een indruk achter, verandert je ook zelf een
heel klein beetje. Toen de man ineenkromp, kromp ook ik ineen.
Ik voelde mee hoe de opmerking die hij naar zijn hoofd
geslingerd kreeg, was aangekomen. De man had zich kunnen
verweren, had boos kunnen worden, had een rotopmerking terug
kunnen maken, maar van dat alles gebeurde er niets. Hij kromp
ineen, vluchtte in zichzelf als een gekwetst dier. Ik weet niet
of hem iets toe te rekenen was, maar wel dat ik ook medelijden
had met haar. Het kan toch niet goed voelen om wie dan ook met
zo'n sneer achter te laten?
Mensen op weg hebben altijd ontmoetingen, raken aan elkaar, dat
is onontkoombaar. Het is ook goed, want als schepselen van God
hebben we elkaar wat te bieden. Soms ben ik toevallig getuige
van kwetsing die een ander wordt aangedaan. Juist als de
gekwetste door de kwetsuur niet explodeert, maar eronder
ineenkrimpt, voel ik de pijn gemakkelijk mee. Dan herken ik in
de ander iets van mezelf. Als we iets doen, zouden we het met
liefde moeten doen, ook in ons zakelijke werk. Gibran schrijft
hoe arbeid zichtbaar gemaakte liefde zou moeten zijn. Want wie
met onverschilligheid een brood bakt, bakt een bitter brood dat
de honger maar ten dele stilt. 'Wanneer gij met liefde
arbeidt', schrijft hij, 'maakt ge een band met uzelf, met
elkander en met God.' Als er geen liefde is, maar enkel
tegenzin, dan is het beter de arbeid op te geven.
We leven in een verzakelijkte cultuur. We zien en herkennen het
ontbreken van arbeidsvreugde op vele plaatsen, steeds weer. Op
deze bodem groeit het kwaad van de kwetsing. Werken zonder
vreugde kwetst om te beginnen het eigen ik en vervolgens de
medemens die je ontmoet. In Gibrans wijze van denken kwetst het
ook God. Alle kwetsing roept frustratie op, machteloosheid,
woede, verzet. Dat zijn de juiste ingrediënten om de
cirkel rond te maken: de gekwetste die het eigen gevoel niet
(meer) weet te overstijgen maakt nieuwe slachtoffers door zelf
ook te kwetsen. Maar waar het om gaat, is het geheel andere.
Het gaat erom het eigen ik en vervolgens elk ander op waarde te
schatten, serieus te nemen en te pogen niet nodeloos te
kwetsen. Daar is voor nodig op de weg te zijn waarop de eigen
kwetsing overstegen kan worden en daar is zelfliefde voor
nodig. Wie zichzelf liefheeft en serieus neemt, heeft de ruimte
om liefde voor de ander te verwerven. Wie om de eigen fouten
kan glimlachen, kan dat al snel ook om die van de ander. Wie
geleerd heeft om te moeten werken om te leven en niet andersom,
laat zich niet langer uitbuiten en opjagen, maar is er voor de
anderen die hij in het werk ontmoet. Wie ophoudt om slachtoffer
te zijn, houdt op met slachtoffers te maken.
Halsstarrig
Gisteren was ik bij Marie. Toen ik binnenkwam probeerde ze
onder de dekens een sjekkie te rollen. Het is het enige dat ze
nog heeft. Toen ik haar aan de arm had, om even in de kamer te
gaan zitten roken, kreeg ik beelden vanuit films uit
concentratiekampen. Zo is ze nu, Marie. Ze kan geen veertig
kilo meer wegen. Het zijn haar laatste dagen. De mensen om haar
heen zijn goed voor haar, ze doen hun best. Zij is er dankbaar
voor, nog altijd. Achtentwintig jaar heb ik van alles voor haar
kunnen doen, nu houdt het op. Ze ziet dat zelf ook. 'Ik wil nog
leven', zegt ze en ze slaat de spijker op de kop. Daarom is ze
er ook nog. 'Het lijkt me genoeg geweest', zeg ik, 'je mag het
loslaten. Ik geloof dat het goed komt met je.' En ik zie me met
haar aan de arm in de regen aan het graf van haar peettante,
direct nadat het was dicht gedolven. Ik denk dat ze toen voor
het eerst in haar leven de dood heeft toegelaten. Nu ze zelf
aan de beurt is, is het nog moeilijker. Ze heeft van het leven
gehouden, hoe gebrekkig het menselijk gesproken ook geweest is.
Ze houdt er nog immer van. 'Zou het niet het mooiste zijn,
Marie, als je nu op een morgen gewoon niet meer wakker wordt?',
zeg ik. Ze kijkt me aan, intens verdrietig. 'Ik wil nog leven
hè', zegt ze weer. En even later: 'Maar het gaat niet
meer.'
Stervenden laten zich soms tegenhouden door een achterblijver
die nog niet kan loslaten. Ik denk niet dat dat bij Marie zo
is. Marie houdt zichzelf nog tegen, kan zich nog niet
overgeven. Marie is halsstarrig, zoals alleen Marie dat kan
zijn. Ik bid dat ze leert loslaten.
Autonomie
Hoe is dat wanneer kinderen door hun ouders gefixeerd worden
als wie die ouders denken of wensen dat ze zijn? Het gebeurt zo gemakkelijk.
'Dat vind jij niet leuk.' 'Dat lust jij niet.' 'Dat is niet
goed voor je.' 'Dit moet je eten!' 'Dat kun je niet.' Het is
jammer als een kind zo niet de volledige ruimte krijgt waar het
recht op heeft om zichzelf te ontdekken en te vinden. Het gezag
van de ouder is nog zo belangrijk voor het kind. 'Dat lust jij
niet', wordt zo gemakkelijk vertaald in 'Dat lust ik niet.' Dat
is jammer. Het maakt onnodig afhankelijk. Het beperkt de ruimte
van de eigen autonomieontwikkeling.
Hoe is dat als volwassenen niet geleerd hebben van zichzelf uit
te gaan, maar zijn blijven hangen in de al dan niet schijnbare
autonomie van de ander, zich daarvan afhankelijk hebben
gemaakt? Heteronome volwassenen kleuren mee met hun omgeving,
vertonen vaak zelfs sociaal wenselijk gedrag en weten op den
duur niet meer dat ze iemand zijn die uniek is en dus niet af
te meten aan welk ander individu dan ook. Deze mensen zijn
misschien wel gemakkelijk in de sociale omgang, je krijgt veel
van ze gedaan of ze zeggen makkelijk 'ja', maar komen beloftes
vervolgens niet of moeilijk na. Het zijn de mensen die een
afhankelijke of vermijdende persoonlijkheid ontwikkelden. Het
zijn ook de werknemers die de baas zonder grens kan manipuleren
en die zich zelfs dood willen werken. Dat gebeurt
letterlijk. Deze mensen offeren hun leven aan hun broodnodige
erkenning en waardering, ze stellen geen duidelijke grens,
houden zich niet aan de eigen grenzen, ervaren deze zelfs niet.
Ze offeren vaak eerst al hun relatie en gezin en geven
uiteindelijk hun leven. Dat komt meer voor dan de lezer wil
geloven.
Het is in het kind dat de aantasting van de eigen autonomie
begint. Het is veelal de ouder die hierin het zelfbeeld van het
kind bepaalt. Vaak is het één ouder en sluit de
ander, om onenigheid uit de weg te gaan, zich maar aan.
Mogelijk zoekt de dominante ouder in zijn of haar partner een
tegenwicht, is hij of zij op zoek naar diens grenzen die maar
niet te vinden zijn en wordt vervolgens het kind het
slachtoffer, letterlijk dus het kind van de rekening. Als
één van de partners niet meer wordt gecorrigeerd,
kan hij of zij dikwijls alleen nog maar gekker en gekker
worden. Het wordt dan ook steeds erger: in deze systemen worden
kinderen gekleineerd, gemanipuleerd, emotioneel gechanteerd,
mentaal mishandeld en soms uiteindelijk gewoon doodgeslagen. Ze
verliezen hun gevoel van eigenwaarde of leren dat te baseren op
valse eigenheid, vals, want niet passend en dus niet echt.
Het probleem is dat de voor het kind invullende ouder wellicht
zelf ook tekortgekomen is, onvoldoende zelfbeeld ontwikkelde,
niet echt autonoom werd. Of het probleem is dat de meegaande
ouder, degene dus die zich aan de dominante ouder aanpast, geen
grenzen geeft die de medeopvoeder echter wel verlangt en nodig
heeft. Het probleem is dat de opvoeders verschillende
ideeën over opvoeding hebben, maar hun gevoelens over waar
het bij de ander fout gaat niet kwijt kunnen, al was het alleen
maar omdat niet geleerd werd gevoelens te delen. Het probleem
is dat voor het besturen van een auto een rijbewijs vereist
wordt, een zekere basiskennis en een begin van ervaring, maar
dat bij een huwelijk voor de ambtenaar van de burgerlijke stand
geen proeve van autonomieontwikkeling of van
opvoedingsbekwaamheid gevraagd wordt. Het probleem is dat hier
huwelijkskandidaten het slachtoffer worden van de tekorten die
één of beiden opliepen in hun eigen opvoeding en
dat daaruit vaak alras nieuwe slachtoffers geboren worden.
Totdat alles samenvloeit ...
Zondag, zonovergoten, maar nog altijd koud. De tv staat bol
van de religieuze programma's. Dat is goed, ik kijk altijd
graag wat, neem de beelden in me op, luister naar wat gezegd
wordt als ik stil word. We leven in een overwegend christelijk
land. Ook zij die het geloof achter zich lieten, zijn er veelal
nog niet van los. We weten waar we het over hebben.
Inderdaad: de christelijke boodschap is die van een redder van
mensen die doodgemarteld wordt, zelfs moet worden, om de schuld
van alle mensen te dragen. Ik ken die boodschap zo goed. Als ik
de overgave zie waarmee gelovigen in woord en lied immer weer
deze aloude boodschap doen weerklinken, kan ik zelfs jaloers
worden en verlangen dat ook ik dit geloof zou hebben. Maar ik
heb het niet, ik ben het kwijtgeraakt, het past niet meer bij
mij, bij hoe ik de dingen van geloof en leven ervaren en
verwerkt heb.
Al jong maakte ik me druk om de kinderdoop, volgens mij niet
bijbels, die in de kerk waarvan ik lid was werd gepraktiseerd.
Nog altijd vind ik voor dit ritueel geen bijbelse grond, maar
het doet er niet meer toe. Als mensen zo hun geloof kunnen
beleven, lijkt dat me goed. Religie heeft de functie onze
oerangsten beheersbaar te maken en als dat lukt, is elke
religie goed. Toen ik twintig was, schreef ik mijn moeder: 'Bid
en u zal gegeven worden, is niet waar. Niet bij mij.' Dat was
mijn ervaring ook, bijvoorbeeld in relatie tot diezelfde
moeder, die immer tobde met gezondheidsproblemen. Ik kon bidden
wat ik wilde: het was niet waar en het werd ook niet waar,
nooit. Wat is er voor een opgroeiend kind belangrijker dan een
gelukkige moeder te hebben? In die jaren heb ik me verdiept in
het pinkstergeloof, waar wonderen wel mogelijk leken. Maar wat
lijkt hoeft niet te zijn. Natuurlijk, er zullen wel wonderen
gebeuren, maar ik geloof niet meer dat er een directe samenhang
is met bidden om gezondheid. Ook predikers als Jomanda hebben
me die visie niet ontnomen.
Toen werd onze zoon geboren en we werden min of meer achter de
broek gezeten om hem te laten dopen. Ik ervoer de kerk, waarvan
we in die tijd lid waren, als dood. Met een groep jongeren
hadden we geprobeerd voorstellen aan de kerkenraad te doen met
het doel de kerk voor jongeren aantrekkelijker te maken, maar
onze ideeën waren misbruikt om doelen van de predikant er
bij de kerkenraad door te krijgen. Toen hebben we ons uit de
kerk uit laten schrijven en ben ik een 'vrije gelovige'
geworden. Lange tijd had dat niet echt veel om het lijf, maar
kennelijk bleef ik op zoek. Later merkte ik dat met name
boeddhistische elementen in mijn geloven gingen binnenkomen.
Vorig voorjaar ben ik, ter gelegenheid van de geboorte van mijn
kleinzoon, een drietal weken in een boeddhistisch klooster
geweest. Ik merkte toen dat ook de daar gehanteerde rituelen me
niet pasten, me onvrij zouden maken en ik concludeerde ten
slotte dat het goed was om vrij te blijven, een 'vrije
gelovige'. Ik merk sindsdien dat ik dat gegeven tot eenheid kan
brengen met mezelf en me daar wel bij kan voelen.
Het is goed als mensen een standaardgeloof aanhangen. Er is
niets tegen christendom, zolang het maar passend is en de
beoogde functie goed vervult. De leegloop van sommige kerken
moet volgens mij echter samenhangen met dat velen deze manier
van geloven niet langer tot eenheid brengen met zichzelf. Zij
zijn degenen die, net als ik dat deed, de eigen zoektocht
beginnen die overigens vaak aanvangt met een voorlopige
afwending van alles wat met geloven samenhangt. Dat is niet
erg. Het moet in het leven nu eenmaal vaak eerst leeg worden,
voordat vervulling mogelijk wordt.
Ik weet niet goed meer wat God is, zie het niet meer als
persoonlijk, meer als som van alle delen. God is al wat is. Ik
kan God ontmoeten in u als medemens, u kunt dat in mij. Ons
leven is een geheimenis, ik geloof niet in het toeval daarin.
Als onze wegen elkaar kruisen, heeft dat een hoger doel dat
overigens meestal nog niet te achterhalen is. Als u en ik iets
niet goed uitpraten, niet afwerken, treffen we elkaar opnieuw,
vroeger of later. Het mysterie van het leven zal immer nieuwe
kansen bieden, totdat alles samenvloeit, een wordt en
terugkeert in het goddelijke waar het uit voortkwam.
Ik verlang naar de zomer. Op mijn fiets in Gods vrije natuur,
vreemd dat ik juist daar zo gemakkelijk het goddelijke ontmoet,
in de stilte, in de schoonheid, het licht, de hemel en in u.
Begrafenis
Gisteren waren we op de begrafenis van Bun. Hij is 64
geworden. Zijn vrouw was als oudere tiener en jonge twintiger
met mijn vrouw bevriend. Zij en ik werkten een tijdje samen in
een psychiatrische kliniek. Bun overleefde in die tijd een
ernstig schedeltrauma. Ze trouwden en plotseling vraag ik me nu
af of ik op hun receptie toen niet gefotografeerd heb. Als dat
zo is, zou ik die foto's nog wel eens willen zien. Als ik me
goed herinner, had ik toen verhoging vanwege een vaccinatie
tegen pokken, waarvan de directeur van het algemene ziekenhuis
waar ik toen werkte vond dat ik die alsnog moest hebben. Niet
lang daarna zijn deze vaccinaties afgeschaft, maar de
voorspelling van deze directeur was toentertijd dat het na
afschaffing een kwestie van tijd zou zijn voordat de pokken hun
rentree zouden maken.
Een paar jaar geleden fietsten we langs hun woonplaats. Ik
belde, naar zou blijken op slechts een paar honderd meter
afstand van hun huis, om te horen of er iemand thuis was. Bun
verwelkomde ons hartelijk, zette thee voor ons, belde met zijn
vrouw om te melden dat wij aan waren komen waaien. Dat was de
laatste keer dat we hem zagen en spraken. In een paar maanden
tijds stierf hij aan kanker.
De begrafenis was op een begraafplaats in het bos op de Veluwe,
op gehoorsafstand van de A50. Ze zouden naar daar verhuizen,
waren aan het bouwen. Het was een zonnige dag, maar de sneeuw
was op de Veluwe nog lang niet weg. De paden op de
begraafplaats waren modderig en de waterleiding in het geopende
toilettenhuis nog afgesloten. Een christelijk
gereformeerde begrafenis was het, heel plechtig met statige
dragers in het donker en hoge hoeden. Ik vind dat prima, maar
voor mezelf verlang ik die statigheid niet. De dood hoort bij
het leven en ik zou, als 't mijn beurt is, wensen dat het er
bij mijn dood even gewoon aan toe gaat als bij mijn leven. Het
lichaam heeft op dat moment z'n taak als voertuig van de ziel
voltooid. De ziel heeft zich losgemaakt, is naar ik geloof dan
vrij. Voor mij mag een begrafenis wat feestelijks hebben,
alhoewel ik ook wel zie dat dat voor rouwende achterblijvers
soms ook te pijnlijk kan zijn. De dood komt als het leven is
voltooid, dat geloof ik. Over het mysterie van kinderen die
sterven wil ik graag later nog wel eens schrijven. Zonder
rouwende ouders te willen kwetsen, geloof ik dat ook hun
leventjes zijn voltooid, dat hun lessen zijn geleerd en dat het
daarom tijd is terug te keren naar de Bron.
Koffie na de begrafenis. Dat is goed: het leven gaat door.
Prima als dat zichtbaar wordt, prima dat er gelachen wordt. Zo
voel ik dat. Ik wil hen die dat anders voelen graag
respecteren. Natuurlijk, ik wil geen verdriet ontkennen. Zeker
bij een plotseling sterven verdienen verdriet en pijn alle
ruimte die nodig is om ze goed te doorleven. Het kan
ondraaglijk zijn als jonge kinderen een ouder verliezen of
ouders een kind. Maar pijn hoort bij het leven, pijn komt op je
weg om erdoorheen te gaan. Laten we niet wegvluchten van zulke
pijn, maar er bij willen zijn, mee willen dragen, laten we
deelgenoot worden.
Na de begrafenis zijn we naar Marie gereden. Dat een lichaam zo
weg kan teren ... Marie is nog altijd dankbaar voor alles
wat ze krijgt, ook al krijgt ze er bijna niets meer in, ook al
verlaten haar krachten haar van week tot week verder. Ze is
rustig, blijft denken dat ze nog niet zo direct dood zal gaan.
'Kun je er nog een beetje moed inhouden?' vraag ik. Ze kijkt me
doordringend aan: 'Het gaat niet meer.' Kan ze het leven nog
niet loslaten? Wat een mysterie, zo'n stervensproces. Wat zou
ik haar gunnen dat ze in vrede gaat, haar lichaam loslaat om
terug te keren naar vanwaar ze kwam. Wat gun ik haar, die
tijdens haar leven zo ongelooflijk weinig voor zichzelf vroeg,
dat ze met gulheid onthaald zal worden.
Ruimte voor emotionaliteit
Onlangs bewerkte ik een stukje video. Ik had mijn
kleindochters gefilmd, samen met mijn vrouw, en ditmaal had ik
een tijdje gewoon door gefilmd, ook als er iemand door beeld
liep en dergelijke. Toen ik met monteren bezig was, ontdekte ik
dat ik tijdens het filmen me niet echt bewust geworden was van
wat ik filmde. Het filmen zelf eiste waarschijnlijk mijn
concentratie al voldoende op.
Ik zie mijn kleindochters, vijf en drie, de oudste aan
één kant van de bank gezeten, de jongste pogend
zich tussen haar en de leuning in te wurmen. Licht
verontwaardigd is de oudste. Ze maakt een paar redelijk
vriendelijke opmerkingen, maar laat duidelijk merken dat het
haar niet zint en dat ze het niet normaal vindt wat haar zusje
doet. 'Dat kun je ook gewoon vragen!', vang ik op. De jongste
eet een stuk brood. Inmiddels zit mijn vrouw aan het andere
uiteinde van de bank. Als de jongste de boter aan haar schone
vest wil smeren, grijpt ze in: 'Niet aan je vest smeren!' De
jongste schrikt, betrekt, trekt zich in zichzelf terug. Dat is,
als je het zo op video terugziet, een proces in een glijdende
schaal. Je ziet haar gewoon steeds verder in zichzelf inkeren.
Intussen heeft mijn vrouw haar een doekje aangereikt om de
handen aan af te kunnen vegen en dat doet ze ook netjes. Dan
blijkt de oudste nog een broodje te hebben en wil de jongste er
net zo één. Ze barst hartstochtelijk in huilen
uit, volgens mijn invulling niet om het broodje, maar om de
kwetsing die ze kort tevoren opliep. Op dat moment is mijn
vrouw er even niet bij. De oudste kijkt af en toe naar haar
naast haar zittende zusje, heeft haar aandacht kennelijk niet
meer bij de video die ze zat te kijken, streelt haar zusje
eerst over de arm, daarna voorzichtig over de wang. De jongste
gaat dan, al huilend, in de weer met haar weelderige haarbos en
maakt zo haar wangen en voorhoofd vrij van haar. Juist op dat
moment geeft de oudste haar, zonder een woord, een kus op de
wang. Dan komt mijn vrouw poolshoogte nemen. De jongste maakt
met horten en stoten, half verstikt door tranen en snot,
duidelijk dat ze net zo'n boterham als haar zus wil en mijn
vrouw gaat op weg om die klaar te maken. De jongste huilt nog
wat door, vindt het wellicht ook interessant zo op het
medelijden van haar zus te spelen. De oudste streelt haar nog
eens over de mouw en het hoofd en even later buigt ze zich naar
haar toe: 'Stil nou maar, oma is 't toch al aan het halen?' Dan
volgt opnieuw een kusje, maar de jongste stopt niet met huilen
voordat ze haar tanden in het gewenste broodje gezet heeft.
Ik vond het een heel ontroerend stukje. Het riep veel gevoelens
bij me op, ik denk vanwege alle gevoelens die ik gaande die
minuten zag passeren, sterker zag worden en zag afnemen, bij
elk van de twee. Het mooie vond ik de volstrekte openheid, een
openheid die ik zelf als kind nooit zo heb gehad, denk ik. Het
ongenoegen, de schrik, het verdriet, de boosheid, het
medelijden, het verlangen te troosten en het verlangen de
gevonden aandacht te continueren, alles kreeg z'n plek en dat
vrijwel zonder tussenkomst van een volwassene. Een prachtig
stukje film.
Wat doen we als volwassenen met onze gevoelens? Velen leerden
de eigen gevoelens te negeren en er overheen te leven. Zo is
dat ook mij vergaan. Als het delen van je gevoelens je
kwetsbaar maakt, als het vroeger of later als een boemerang
naar jezelf terugkeert en tegen je gebruikt wordt, wil je als
kind wel leren over je gevoelens heen te leven en het allemaal
netjes op te bergen voor later. Dat is niet best. Daarvan heb
ik in mijn werk als hulpverlener meer dan genoeg voorbeelden
gezien. Natuurlijk, als zoiets eens een keer gebeurt, zal het
wel goed komen. Misschien zal het je zelfs sterk maken. Het
probleem ontstaat als er systematisch geen ruimte bij de meest
nabije volwassenen (en kinderen) om je heen is voor jouw
gevoelens. Het opsluiten ervan zal op den duur vrijwel zeker
tot allerlei problemen leiden, tot een geblokkeerde
persoonlijkheidsontwikkeling, tot psychische, psychiatrische of
lichamelijke klachten. Vaak is het dan zo dat heling slechts
mogelijk is nadat de vroeger afgeweerde kwetsing en pijn alsnog
worden doorleefd. Veel mensen hebben daar professionele hulp
bij nodig. In onze cultuur hebben 'gewone mensen' niet al te
veel ruimte voor emoties van derden. Sociale vorming is nog
immer niet belangrijk genoeg om in het lespakket op school te
worden opgenomen.
Mijn stukje video maakt me duidelijk hoe belangrijk het is als
kind volop ruimte te vinden voor al je emotionaliteit. Het
vervult me met vreugde bij het vrij
uitstromen van de gevoelens bij mijn twee meiden te mogen zijn. Prachtig dat de
oudste al meeleeft, de gevoelens van haar zusje volgt en
probeert er voor haar te zijn, ook al wordt ze daarin mogelijk
misbruikt.
Ziekenzalving
Marie is er nog steeds. Ze is inderdaad een taaie, maar
toch, heel langzaam dooft haar vlammetje. Ik zei haar vanmiddag
maar weer eens dat ze langzaam maar zeker doodgaat. Ze is zo
goed in ontkennen. 'Ik weet niet', zei ze, 'het is voor
't eerst dat ik het meemaak.' De pastoor kwam en ze kreeg de
ziekenzalving. Ik begrijp nu dat die tegenwoordig is
gecombineerd met het 'bediend' worden. Ook vandaag begreep ze
die vernieuwing niet, twijfelde. Toen ik na afloop nog even met
haar doorpraatte, vroeg ze of ze nu 'gewoon bediend' was. Dat
heb ik bevestigd. 'Het is voor 't eerst dat ik het meemaak',
zei ze weer. Het voelde haar goed, zoveel was me wel
duidelijk.
Het was ook voor mij de eerste keer dat ik deze ceremonie
meemaakte en het ontroerde me zeer. Tranen liepen me over de
wangen. Ik schaam me daarvoor niet meer. Tranen zuiveren de
ziel, nietwaar? Heel rustig verschoof de pastoor het kastje,
stak daarop twee kaarsen aan, legde de bijbel erbij, het water
en de olie. De naaste familie kwam erbij. Aan Marie werd
uitgelegd wat er zou gebeuren en ze was er, weggedoken onder
haar dekens, helemaal bij. Daarna de rituelen: ze was erbij en
het was goed. Wat mooi als een stervende geen verdovende
medicatie nodig heeft! Ontroerend was het zalven met olie van
haar hoofd, haar oren, ogen, neus, mond, handen en voeten. 'De
ogen waarmee je zoveel hebt gezien, goed en kwaad, de handen
waar je als kind mee hebt gespeeld, waar je later mee hebt
gewerkt.' Zo kwam ze even dichterbij dan ooit, mens die ze was
en is, bijzonder mens, uniek. Voor mij voelde ze in die
momenten de meest bijzondere mens die ik heb gekend en zo voel
ik dat nog. Het is me een eer dat ik zoveel jaren contact met
haar heb mogen hebben. Haar zus, eerder net zo als de dood voor
de dood als Marie zelf, was er ook bij. Samen maakten ze het mee,
zij die allebei de begrafenis van hun eigen moeder niet bijwoonden
omdat ze de dood niet konden toelaten. Samen werden ze er
kennelijk klaar voor. Wat een rijkdom!
Toen ik vertrok, was de wereld maagdelijk wit door inderhaast
gevallen sneeuw, een prachtig gezicht. En de straten waren
spiegelglad.
Alfab. index --- Home