Tegengif (antidotum)

Een tegengif of antidotum kan op zichzelf ook een gif zijn. Het neutraliseert, verzwakt of vertraagt de werking van het te behandelen gif in het lichaam. Een breedspectrumtegengif beschermt tegen meerdere soorten gif, een smalspectrumtegengif tegen een specifiek gif. De meeste vergiften hebben geen specifiek tegengif. Er zijn ook vergiften die wel een specifiek tegengif hebben, maar die pas verschijnselen geven als het te laat is voor behandeling.

De breedspectrumtegengiffen zijn onder te verdelen in:
- stoffen die de gifstof binden: EDTA (Calciumdinatrium-EthyleenDiamineTetra-acetaat) en dimercaprol
- stoffen die het metabolisme van de gifstof blokkeren: atropine
- stoffen die de opname van gifstoffen blokkeren en de uitscheiding stimuleren: Norit

Smalspectrumtegengiffen hebben een specifieke werking als op slangen-, kwallen-, spinnen- of plantenvergif. De werking van de gifstoffen wordt geblokkeerd met antilichamen uit het bloed van dieren (paarden, schapen) die met het gif zijn ingespoten. Deze behandeling kan echter ook ernstige allergische reacties opwekken.

Als er geen specifiek tegengif is, kan nierdialyse of zelfs transplantatie van het besmette orgaan noodzakelijk worden. Vergiftiging met o.a. tetrodotoxine (TTX) van onder meer de kogelvis en de blauwgeringde octopus is bijvoorbeeld onbehandelbaar.

Pagina geschreven 25-4-2015.